Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1valt in vier subonderdelen uiteen en is gericht tegen rov. 5.15 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft overwogen dat de toepassing van het Roemeense huwelijksvermogensrecht in dit geval kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Volgens het onderdeel is het hof met dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan (subonderdeel 1.1), althans is dit oordeel niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd (subonderdeel 1.2). De subonderdelen 1.3 en 1.4 bevatten specifieke motiveringsklachten.
Onderdeel 2is gericht tegen rov. 5.11, waarin het hof heeft overwogen dat de openbare orde-exceptie gereserveerd moet blijven voor ‘sprekende gevallen waarin het buitenlandse recht op essentiële punten ingrijpend afwijkt van het Nederlandse’. Het onderdeel is ‘zekerheidshalve’ voorgesteld en betoogt dat de omstandigheid dat een geval ‘sprekend’ is op zichzelf nog niet meebrengt dat het om beginselen en waarden van het Nederlandse recht zou gaan. Verder bevat onderdeel 2 klachten die voortbouwen op de voorafgaande klachten.
Chelouche/Van Leer). [4] Bij gebreke van rechtskeuze wordt het huwelijksvermogensrecht beheerst door het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting, in dit geval het Roemeense recht.
Codul Familiei) een regeling voor het verhaal van schulden heeft gekend, waarin is bepaald dat indien de persoonlijke bezittingen van de echtgenoot-schuldenaar onvoldoende verhaal bieden, de schuldeiser bij de rechter verdeling van de gemeenschappelijke goederen kan vorderen, voor zover dit nodig is voor het verhaal van zijn vordering. [5] Tegen deze overweging van de rechtbank zijn in hoger beroep geen grieven gericht. Het hof heeft zich in rov. 5.6 van zijn arrest verenigd met hetgeen de rechtbank met betrekking tot het Roemeense recht heeft overwogen.
alstoepassing van het Roemeense recht de Ontvanger inderdaad zou verplichten om voor de onderhavige belastingschulden eerst verhaal te zoeken op privégoederen van de man, dit in strijd is met de openbare orde (rov. 5.15).