Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring onder 1 ontoereikend met redenen heeft omkleed. De stof 17 bèta-oestradiol zou in pure vorm een grondstof zijn en geen diergeneesmiddel.
- het maken van afspraken met de leverancier of handelaar van die 17 bèta-oestradiol over het vervoer van een zending naar Nederland per koeriersdienst en
- het maken van afspraken met de leverancier of handelaar over de feitelijke omschrijving, te weten een monster Potassium Carbonate, op de factuur of andere documenten die zich bij de zending bevonden of bij de zending hoorden en
- het afhalen van de verpakking met daarin 17 bèta-oestradiol bij een depot van een koeriersdienst te Roden,
terwijl bovengenoemde handelingen niet waren toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid van de Wet dieren’.
2. Wat was daar uw taak?Op het Douane Laboratorium ben ik aangesteld als hoofdscheikundige/ wetenschappelijk medewerker, belast met monsteronderzoek op het gebied van o.a. geneesmiddelen en diergeneesmiddelen.
32. Zijn alle toepassingen van deze middelen bekend bij u? Kunnen er ook onbekende toepassingen zijn?Ik ben op de hoogte van de rol die 17 bèta-oestradiol in het menselijk lichaam speelt en de toepassingen van deze stof als (dier)geneesmiddel. Ook weet ik dat de stof wordt gebruikt als groeibevorderaar voor dieren en dat dit gebruik in de Europese Unie verboden is.
Specifieke vragen:16. Wat houdt het effect van de behandeling in?De toepassing als groeibevorderende stof resulteert in de toename van de hoeveelheid spiereiwit. Dit resulteert in een algehele gewichtstoename.
als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :In artikel 2.19, lid 1, van de Wet dieren is een verbodsbepaling opgenomen om diergeneesmiddelen in Nederland te brengen. Er kan geen vergunning worden verstrekt voor de invoer en het bezitten van 17 bèta-oestradiol als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de Wet dieren. Bekend is dat deze stof wordt gebruikt als hormoonpreparaat. Bij herhaalde blootstelling kan deze stof ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. De Gezondheidsraad heeft geoordeeld dat bèta-oestradiol kankerverwekkend is voor de mens.’
1. op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als te beschikken over therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij dieren, of;
2. bij dieren kan worden toegepast om fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, of een medische diagnose te stellen.
De definitie van een diergeneesmiddel gaat uit van een substantie en van de bestemming die aan een substantie, al dan niet be- of verwerkt, wordt gegeven. Deze bestemming kan zijn hetgeen op het etiket wordt aangegeven of via een andere aanprijzing die door de verkoper aan het product wordt gegeven. Ook de toepassing bij dieren van substanties die evident een bepaalde farmacologische werking vertonen, valt onder de bestemming als diergeneesmiddel.
Gelet op het bovenstaande kan het handelen in strijd met de Wet dieren alleen worden bewezen indien sprake zou zijn met betrekking tot 17 bèta estradiol in deze vorm van een geneesmiddel bestemd voor dieren. Naar de mening van de onderzoekers is daarvan geen sprake nu - gelet op de samenstelling van het product 95% pure 17 bèta estradiol - er dus sprake is van een grondstof en niet van een geneesmiddel. Van belang in dit verband is de opmerking gemaakt door de deskundige, mevrouw dr. M.E. Zwaagstra in haar brief van 14 november 2013 aan de belastingdienst douane te Nijmegen (…). Onder het kopje “Toelichting op de bevindingen” wordt door haar het volgende vermeldt:
‘"Estradiol is een vrouwelijk geslachtshormoon datkanworden toegepast als (dier)geneesmiddel. De stof wordt tevens gebruikt als groeibevorderaar bij dieren. Op grond van de naam van de importeur (Veepharma) wordtveronderstelddat de goederen bestemd zijn voor toepassing bij dieren.”Alleen indien evident duidelijk zou zijn uit andere bewijsmiddelen dat deze grondstof zou kunnen worden gebruikt als een diergeneesmiddel zou sprake kunnen zijn van overtreding van de Wet dieren. Nu daarvan geen sprake is, is het enkele voorhanden hebben c.q. invoeren in Nederland van deze stof niet strafbaar.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
In artikel 1.1 van de Wet dieren wordt het begrip “diergeneesmiddel” als volgt gedefinieerd:
“Elke samenstelling van enkelvoudige of meervoudige substanties die:1. op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als te beschikken over therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij dieren, of2. bij dieren kan worden toegepast om:a. fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, ofb. een medische diagnose te stellen.”
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de stof bèta-oestradiol wordt gebruikt als groeibevorderaar bij dieren. De deskundige Zwaagstra heeft dit verklaard in haar brief aan het Kabinet Raadsheer-commissaris van 3 september 2018. In zijn brief van 8 april 2014 heeft [betrokkene], projectleider opsporing verboden dierbehandelingsmiddelen, hetzelfde verklaard. Hij heeft ook verklaard dat de toepassing van bèta-oestradiol als groeibevorderende stof resulteert in een algehele gewichtstoename.
Het hof concludeert uit het voorgaande dat de stof bèta-oestradiol kan worden toegepast om de fysiologische functie van dieren te wijzigen door een metabolisch effect te bewerkstelligen. Deze stof kan er namelijk toe leiden dat dieren groter en zwaarder worden. Bèta-oestradiol is dus een diergeneesmiddel zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Wet dieren. Dat deze stof ook een grondstof is, doet hieraan niet af. Ook een grondstof kan immers een diergeneesmiddel zijn. Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman.’
a. het genezen, lenigen of voorkomen van enige aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek van een dier;
b. het herstellen, verbeteren of wijzigen van het functioneren van organen van een dier;
c. het onderkennen van een ziekte of gebrek bij dieren door toepassing bij een dier’.
Overigens is het niet toevallig dat beide definities nagenoeg dezelfde reikwijdte hebben. In de Europese richtlijn inzake geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, ter uitvoering waarvan het onderhavige wetsontwerp strekt, is namelijk bepaald, dat de in artikel 1 van Pro de EEG-richtlijn 65/65, betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten, vervatte definities ook van toepassing zijn op deze richtlijn. Aangezien de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening onder meer ter uitvoering strekt van de Richtlijn 65/65, is het niet verwonderlijk, dat de in die richtlijn gegeven omschrijving van geneesmiddel in materiële zin zowel in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening als in de Diergeneesmiddelenwet is terug te vinden. De vraag hoe ruim de definitie van diergeneesmiddel behoort te zijn is derhalve reeds beantwoord op Europees niveau.’
Beide vragen beantwoorden wij ontkennend. Uit de definitie van het begrip «diergeneesmiddel» blijkt, dat de bestemming van de substantie in hoge mate bepalend is. Zolang hulpstoffen en grondstoffen niet in een farmaceutische vorm zijn gebracht staat hun bestemming nog geenszins vast. Dit geldt zelfs voor vele werkzame stoffen van diergeneesmiddelen en dit is ook de reden, waarom wij voorstellen artikel 44 in Pro de wet op te nemen. In het artikelgewijze deel van deze memorie wordt dit nader toegelicht.
In de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening heeft men dit probleem, de afbakening ten opzichte van grond- en hulpstoffen, opgelost door naast «geneesmiddelen» de begrippen «farmaceutische spécialité's» en «farmaceutische preparaten» te introduceren en de gehele regeling omtrent registratie en kanalisatie daar op toe te spitsen. Aangezien deze begrippen ten aanzien van diergeneesmiddelen slecht hanteerbaar zijn - men denke bij voorbeeld aan voormengsels voor gemedicineerd voeder - en overigens geen praktische betekenis hebben, is deze oplossing in het voorliggende ontwerp niet gekozen.’
Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan mens of dier toegediend kan worden ten einde een medische diagnose te stellen of om organische functies bij mens of dier te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.’
Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan dieren toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij dieren te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik beschouwd’. [8]
- menselijke oorsprong, zoals:
menselijk bloed en daarvan afgeleide producten;
- dierlijke oorsprong, zoals:
micro-organismen, gehele dieren, delen van organen, afscheidingsproducten van dieren, toxinen, door extractie verkregen substanties, van bloed afgeleide producten;
- plantaardige oorsprong, zoals:
micro-organismen, planten, delen van planten, plantaardige afscheidingsproducten, door extractie verkregen substanties,
- chemische oorsprong, zoals:
elementen, natuurlijke chemische stoffen en chemische producten verkregen door omzetting of synthese’.
b) Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die bij dieren kan worden gebruikt of aan dieren kan worden toegediend hetzij om fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen.’ [10]
diergeneesmiddel”: elke stof of combinatie van stoffen die aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoet:
stof”: een materie van
Diergeneesmiddelen
Artikel 1,1
De lettering van de verschillende onderdelen is geschrapt.’ [23]