Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat en vastgesteld op een bedrag van € 22.832,66, aangezien uit ’s hofs vaststellingen niet zonder meer volgt dat betrokkene “concreet daadwerkelijk voordeel” heeft behaald.
Vaststelling van de betalingsverplichting
€ 24.788,90 euro.
tweede middelklaagt dat de redelijke (inzend)termijn, zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, is overschreden, nu tussen het instellen van cassatie en het insturen van het dossier naar de griffie een periode van meer dan zes maanden is verstreken.