Conclusie
- wijst af het verzoek van de vrouw voor de periode van 1 december 2017 tot 16 september 2018;
Inkomen van de man
2.Bespreking van het cassatiemiddel
één onderdeel. Het klaagt (in 1.1) dat het hof in ro. 5.11.1 tot en met 5.11.3, 5.13, 5.16 tot en met 5.19 alsmede in het dictum onjuiste en/of onbegrijpelijke beslissingen heeft gegeven. Ter onderbouwing wijst het onderdeel erop dat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man (ter vaststelling van de door hem te betalen kinderalimentatie) de ‘overheveling van de heffingskorting van de nieuwe partner van de man (hierna: [betrokkene 5] )’ heeft betrokken. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom dit is gebeurd, zodat dit oordeel rechtens onjuist althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Het onderdeel betoogt voorts (in 1.2) dat de toepassing van artikel 1:397 BW Pro inzake kinderalimentatie rechtersrecht is, hetgeen het Rapport alimentatienormen (de Tremanormen) poogt te uniformeren. [2] De rechter kan ervan afwijken. De beslissing waarbij kinderalimentatie wordt vastgesteld, dient zodanig inzichtelijk te zijn dat deze voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar is, waarbij van belang is hoe de rechter tot zijn beslissing is gekomen. [3] Het inkomen van de nieuwe partner dient niet bij de bepaling van de draagkracht ten behoeve van kinderalimentatie te worden betrokken, zo blijkt uit de Tremanormen. [4] Het al dan niet meerekenen van de heffingskorting van [betrokkene 5] maakte geen deel uit van het partijdebat, zodat het het hof niet vrij stond om dit ambtshalve te doen. Bovendien is deze afwijking van de Tremanormen niet, althans onvoldoende gemotiveerd en het is onbegrijpelijk dat het hof de maximale heffingskorting bij zijn berekening heeft betrokken. In 2017 is slechts een bedrag van € 902,- uitbetaald aan [betrokkene 5] , zo blijkt uit de door het hof genoemde aangifte Inkomstenbelasting 2017. [5] Ten slotte klaagt het onderdeel (in 3) dat het hof voor de periode vanaf 1 augustus 2018 (het moment dat [betrokkene 2] bij de man is gaan wonen) heeft aangenomen dat de man gerechtigd is tot het kindgebonden budget en € 297,- per jaar bij het inkomen van de man opgeteld (in de berekening ‘nbi man III’). Het door het hof vastgestelde toetsingsinkomen van de man in deze periode is echter te hoog voor het maximale kindgebonden budget. [6] Het hof heeft ten onrechte niet gemotiveerd hoe het de hoogte van het kindgebonden budget heeft begroot. Bovendien is het kindgebonden budget in het partijdebat evenmin aan de orde gekomen. Op dit punt wordt verwezen naar ro. 5.6.2 van de bestreden beschikking van 14 februari 2019 en de omstandigheid dat [betrokkene 2] gedurende de appelprocedure uit huis geplaatst is geweest en eveneens gedurende deze procedure is besloten dat [betrokkene 2] bij de man zou gaan wonen. Met een onjuiste vaststelling van de draagkracht van de man op deze wijze zijn ook zijn kinderalimentatieverplichtingen onjuist dan wel onbegrijpelijk vastgesteld.