Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
mensenhandel” en het onder 2 bewezenverklaarde “
mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”. Het hof heeft een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd.
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde voor zover inhoudend het delict zoals bedoeld in artikel 273f lid 1 sub 9 Sr.
1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:
“slechts redengevend acht voor zover daaruit blijkt dat de verdachte wel degelijk wist dat [slachtoffer 1] in de prostitutie werkte”kan evenmin ondubbelzinnig worden afgeleid dat [slachtoffer 1] in haar keuzevrijheid was beperkt ten aanzien van het verrichten van seksuele handelingen met derden, en dat aldus sprake was van uitbuiting.
onvoldoende feiten en omstandigheden [bevat] om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat verdachte de keuzevrijheid van [slachtoffer 1] dermate heeft beperkt, dat zij zich gedwongen moet hebben gevoeld om in de prostitutie te gaan werken dan wel dat hij haar op andere wijze daartoe heeft gedwongen of bewogen”, respectievelijk dat uit het dossier
“evenmin in voldoende mate [blijkt] dat sprake is geweest van onvrijwillige prostitutie door [slachtoffer 1] , dus van een uitbuitingssituatie dan wel van een oogmerk daarop bij verdachte.”Het in artikel 273f lid 1 Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. [3] In het onderhavige geval zijn die omstandigheden voor zover het de ‘uitbuiting’ zoals (al dan niet impliciet) bedoeld in artikel 273f lid 1 sub 4° en sub 6° Sr betreft dezelfde als voor zover het gaat om de impliciete uitbuiting die wordt vereist bij bewezenverklaring van artikel 273f lid 1 sub 9° Sr. De tenlastelegging van feit 1 is immers ten aanzien van artikel 273f lid 1 sub 4° en sub 6° Sr op hetzelfde feitencomplex toegesneden als artikel 273f lid 1 sub 9° Sr. Dat het hof de vrijspraak van de verdachte wegens ontbreken van de uitbuitingssituatie heeft bevestigd ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde voor zover toegesneden op artikel 273f lid 1 sub 4° en 6° Sr, roept de vraag op waarom het hof wel het onder 1 tenlastegelegde op artikel 273f lid 1 sub 9° Sr toegesneden feit bewezen heeft geacht.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, ten aanzien van het oogmerk tot uitbuiting.
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende gemotiveerd is voor wat betreft het ‘medeplegen’.
Medeplegen