Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte werd vrijgesproken van mensenhandel en witwassen. Verdachte werd ervan verdacht een prostituee door misbruik van feitelijk overwicht te hebben bewogen een deel van haar verdiensten aan hem af te staan.
Het hof oordeelde dat uitbuiting als impliciet bestanddeel moet worden aangenomen bij het strafbaar stellen van gedragingen zoals bedoeld in art. 273f lid 1 sub 9 Sr. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het doel van deze strafbepaling is om alle vormen van (seksuele) uitbuiting tegen te gaan. Het enkele feit dat de prostituee geld aan verdachte afstond, was onvoldoende om uitbuiting te bewijzen.
Feitelijk bleek uit het dossier dat de prostituee zelfstandig en legaal in Nederland werkte, haar eigen inkomsten beheerde en vrij was in haar keuzes. Hoewel verdachte misleiding gebruikte om geld te verkrijgen, ontbrak het aan een zodanige ernstige inbreuk op haar lichamelijke of geestelijke integriteit of persoonlijke vrijheid die uitbuiting vereist.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. Daarmee blijft de vrijspraak in stand omdat de gedragingen alleen strafbaar zijn indien uitbuiting kan worden bewezen, wat hier ontbrak.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak omdat uitbuiting als impliciet bestanddeel ontbrak bij het misbruik van feitelijk overwicht.