“Standpunt van de verdediging
(…)
Het door de deskundige [betrokkene 1] opgestelde rapport met betrekking tot de door hem uitgevoerde bewegingsanalyse is onvoldoende toereikend om één individu aan te wijzen en kan niet worden gebruikt voor het bewijs. De camerabeelden die hij voor zijn onderzoek kreeg aangeleverd zijn van slechte kwaliteit. De bevindingen van [betrokkene 1] leveren onvoldoende overeenkomsten op om te kunnen aannemen dat de verdachte de persoon is die op de camerabeelden is te zien. De opleiding en ervaring van [betrokkene 2] , die heeft gerapporteerd over de wijze waarop [betrokkene 1] zijn onderzoek heeft verricht, zijn onvoldoende om hem als deskundige aan te merken.
(…)
Feiten en omstandigheden
Op 25 juni 2012 is het slachtoffer [slachtoffer] , na een 112-melding over het horen van diverse schoten en glasgerinkel, omstreeks 16:30 uur zwaargewond aangetroffen in een kleine hal achter de centrale toegangsdeur van zijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Er lagen glasscherven in het portiek voor de deur. [slachtoffer] lag met zijn rug tegen de deur aan en had een bebloed bovenlichaam. Hij had schotwonden in zijn hoofd en borst. Ondanks reanimatiepogingen is [slachtoffer] ten gevolge van een bijna doorschot door de borst diezelfde dag omstreeks 18:32 uur overleden.
Getuigen plaats delict
De getuige [getuige 1] heeft op 25 juni 2012 en 21 februari 2017 ten overstaan van de politie verklaringen afgelegd. De strekking van deze verklaringen is de volgende.
Op 25 juni 2012 heeft de getuige zijn auto geparkeerd op de [a-straat ] in [plaats] . Op het moment dat hij uitstapte hoorde hij twee schoten. Daarna hoorde hij nog twee à drie schoten en het geluid van brekend glas. Een paar seconden na de laatste schoten zag hij uit het portiek van de [a-straat 1] , waar hij ook de schoten vandaan had horen komen, een man rennen. De man rende linksaf de hoek om en deed met een hand iets in zijn rechterzak, nog voor hij de hoek om ging. De man rende linksaf, om het gebouw van de sportschool [A] aan de [b-straat] . De man had een licht getinte huid en droeg een witte pet met een print, een zwarte jas en een spijkerbroek. De getuige heeft op dat moment niemand anders uit het portiek van de [a-straat 1] zien komen. Hij zag een getinte man op de hoek van de straat staan. Deze had een donkerder huidskleur dan de man met de pet en dikke lippen.
Beelden sportschool [A]
Op camerabeelden van sportschool [A] van 25 juni 2012 16:24 uur is te zien dat een man met een witte pet, een zwarte jas en een spijkerbroek vanaf de [a-straat ] de trap op rent en bovenaan de trap linksaf slaat. Hieruit wordt afgeleid dat hij de [b-straat] in liep.
Het hof stelt vast dat de man die [getuige 1] heeft zien rennen en de man op de beelden van [A] een en dezelfde persoon betreft, nu het door [getuige 1] opgegeven signalement alsmede de richting waarin deze getuige de man heeft zien rennen en het tijdsverloop passen bij de beelden van sportschool [A] .
Dat [getuige 1] heeft verklaard over een witte pet met print en op de camerabeelden geen print op de pet zichtbaar is, is een detail dat niet afdoet aan het voorgaande. [getuige 1] heeft gezien dat de man, na het geluid van schoten en brekend glas, in één vloeiende beweging van het portiek naar de trap bij sportschool [A] rende.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande van uit dat de licht getinte persoon met de witte pet, de zwarte jas en de spijkerbroek de schutter is geweest.
Het hof stelt de door de raadsman geopperde mogelijkheid dat de tweede man die [getuige 1] op straat had gezien (een man met een donkerder huidskleur en dikke lippen) de schutter is geweest terzijde.
Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat deze man zich op het moment van schieten niet in de onmiddellijke nabijheid van het portiek van de [a-straat 1] bevond en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat deze persoon met het schieten te maken had.
Wie is de schutter?
De vraag die vervolgens voorligt is of de verdachte de hierboven genoemde persoon en derhalve de schutter is. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Beelden kinderdagverblijf [B]
Op de beelden van kinderdagverblijf [B] aan de [b-straat 1] te [plaats] van 25 juni 2012 omstreeks 16:10 uur is een man te zien met een witte pet, een zwarte jas en een spijkerbroek, van de achterzijde gefilmd, die in de richting van de [c-straat] loopt.
Het hof stelt vast dat deze man dermate grote overeenkomsten vertoont met de man op de beelden van [A] en het door [getuige 1] opgegeven signalement van de schutter dat er vanuit kan worden gegaan dat de man op de beelden van [A] en [B] een en dezelfde man betreft.
Bovendien is het volgens gegevens van de openbare bron ANWB routeplanner op internet mogelijk dat de man op de beelden van [B] in het gegeven tijdsbestek de afstand van [B] naar de [a-straat 1] en vervolgens naar de sportschool lopend (deels met versnelde pas) kon afleggen.
Herkenningen
De getuige [getuige 2] heeft de verdachte herkend op de beelden van [A] en [getuige 2] en [getuige 3] hebben hem herkend op de beelden van [B] .
Getuige [getuige 2] was destijds de werkgever van de verdachte, die vrijwel dagelijks contact met hem had. Hij heeft verklaard dat hij de verdachte op de beelden van [A] herkent aan zijn manier van bewegen, zijn kleding en haardracht.
Bij het tonen van de beelden van [B] heeft [getuige 2] verklaard dat hij de verdachte herkent aan zijn manier van bewegen, met zijn hoofd een beetje naar beneden en breed met zijn armen, aan zijn billen, die een beetje gezet zijn, en aan zijn jas, die hij dag en nacht aan heeft. Volgens [getuige 2] had de verdachte een standaard outfit bestaande uit jeans, werkschoenen of gympen, een leren jack en een pet. De verdachte droeg altijd een pet. [getuige 2] heeft de verdachte gezien met een witte pet met een rond gebogen klep voorop en een stelband achterop.
Getuige [getuige 3] werkte regelmatig samen met de verdachte en heeft verklaard dat hij de verdachte op de beelden van [B] herkent aan zijn loopje en aan zijn kleding. De verdachte droeg volgens [getuige 3] , toen hij ongeveer acht weken daarvoor met hem werkte, altijd een wit petje en een (nep)leren jas. [getuige 3] heeft verklaard dat hij de jas op de beelden herkent aan de naden die op de rug lopen; een horizontale ter hoogte van zijn schouder en een verticale in het midden.
Het hof acht de herkenningen door [getuige 2] en [getuige 3] voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Beide getuigen kenden de verdachte goed en het hof acht de door hen beschreven kenmerken in onderlinge samenhang voldoende onderscheidend voor een herkenning. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte, gelet op de hierna volgende overwegingen met betrekking tot ganganalyse van deskundige [betrokkene 1] , een kenmerkende manier van bewegen heeft.
Op grond van de inhoud van het dossier of het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] door eventuele geruchten of voorinformatie zijn beïnvloed. Het feit dat bekenden van de verdachte, het hof begrijpt dat de raadsman hier doelt op de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] , hem niet op de camerabeelden hebben herkend, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de bewijswaarde van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] .
Het hof acht de herkenning van [betrokkene 3] onvoldoende overtuigend en zal die herkenning niet voor het bewijs gebruiken.
Ganganalyse
De Britse podiatrisch chirurg [betrokkene 1] , deskundige op het gebied van ganganalyse (forensic gait analysis), heeft de man op de beelden van [B] bestudeerd (die hij aanduidt als man X) en vergeleken met surveillance opnames, waarbij op verschillende dagen heimelijk opnamen van de lopende verdachte zijn gemaakt. [betrokkene 1] heeft op 23 december 2013 zijn rapport hierover uitgebracht, van welk rapport een vertaling in het dossier is gevoegd. [betrokkene 1] concludeert dat naar zijn overtuiging er sterk bewijs is voor de stelling dat man X en de man in de surveillance opnames (de verdachte) een en dezelfde zijn.
[betrokkene 1] heeft vastgesteld dat man X en de verdachte de volgende gemeenschappelijke bewegingskenmerken hebben: een duidelijk naar buiten draaiende linkervoet, een vroege hiellift aan het linkerbeen, een rechterarm die veel meer naar voren zwaait dan de linkerarm, een smalle gangbasis waarbij de linker voet bijna helemaal voor de rechter zwaait, een licht o-been aan de linkerkant, een zeer lichte antalgische gang aan de linkerkant heeft en een goed gebouwd postuur.
Volgens [betrokkene 1] is even belangrijk als deze gelijke eigenschappen dat hij geen verschillen ziet die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat het hier niet om een en dezelfde persoon gaat.
[betrokkene 1] is ter terechtzitting in hoger beroep als deskundige gehoord en heeft verklaard bij de in zijn rapport weergegeven bevindingen en conclusies te blijven. Hoewel in de wetenschap met betrekking tot ganganalyse geen relevant statistisch onderzoek bekend is en aan ganganalyse niet dezelfde bewijswaarde toekomt als aan dactyloscopisch onderzoek, komt [betrokkene 1] zonder reserves tot de conclusie dat man X en de man in de surveillance opnames dezelfde persoon betreft.
Over de betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek van [betrokkene 1] is op 20 september 2016 gerapporteerd door [betrokkene 2] , die eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als deskundige is gehoord. Gelet op de inhoud van het door hem aan het hof toegezonden en in het dossier gevoegde curriculum vitae merkt het hof [betrokkene 2] aan als deskundige op het gebied van bewegingsanalyse.
[betrokkene 2] acht de door [betrokkene 1] gehanteerde onderzoeksmethode en zijn bevindingen en conclusies betrouwbaar.
Het hof is van oordeel dat de conclusies en bevindingen van [betrokkene 1] zoals weergegeven in voornoemd rapport en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep bruikbaar zijn voor het bewijs. Anders dan de raadsman heeft gesteld, acht het hof niet aannemelijk dat [betrokkene 1] door voorinformatie of door het aangeleverde beeldmateriaal is beïnvloed in zijn onderzoek.
De stelling van de raadsman dat [betrokkene 1] vindt dat het beeldmateriaal van slechte kwaliteit is, berust op een verkeerde interpretatie van de verklaring van [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep en mist dus feitelijke grondslag.
Kleding
Tijdens een doorzoeking bij [betrokkene 4] , de broer van de verdachte, zijn op een externe harde schijf foto’s aangetroffen van de verdachte van 18 januari 2009. Op die foto’s is de verdachte gekleed in een zwarte jas en een blauwe spijkerbroek en draagt hij een witte pet. De politie heeft deze kleding vergeleken met die van de man op de beelden van [A] en [B] . Zowel de pet op de beelden als de pet op de foto’s is geheel wit, open aan de achterzijde en de klep staat aan de voorzijde halfrond gebogen en schuin naar beneden. De jas op de beelden en de jas op de foto’s is zwart, heeft een korte kraag tot halverwege de nek, komt tot boven de billen, heeft epauletten met een knoopje op de schouders, een horizontale naad op de rug ter hoogte van de schouderbladen, een oplichtend detail ter hoogte van de rechterborstzak en de lengte van de mouwen is zodanig dat deze net over de hand vallen.
Deze beschrijvingen komen voor een belangrijk deel overeen met de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] . [getuige 2] heeft verklaard dat hij de verdachte in het weekend een witte pet met een rond gebogen klep en een stelband aan de achterzijde heeft zien dragen. [getuige 3] heeft verklaard over een horizontale naad op de rug van de jas van de verdachte.
Het hof stelt, op grond van het voorgaande vast dat het samenstel van de kledingstukken (ofwel de outfit) van de man op de beelden van [A] en [B] sterk overeenkomt met de outfit van de verdachte op genoemde foto’s. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat de combinatie van de onderdelen van de kleding van de verdachte, ook gezien de specifieke details van de jas, voldoende significant zijn en bruikbaar voor het bewijs.
Onderzoek schotresten
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzoek gedaan naar schotresten die zijn aangetroffen op de versnellingspook van de auto die enkele uren na het delict door de verdachte is bestuurd, waarna hij deze auto, een Daihatsu Cuore met het kenteken [kenteken], heeft overgedragen aan getuige [getuige 4] . De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het NFI-rapport van 15 augustus 2012, aangevuld met NFI-rapporten van 7 november 2012 en 16 maart 2017.
Uit het schotrestenonderzoek is gebleken dat de op die versnellingspook aangetroffen zogeheten categorie A-deeltjes afkomstig zijn van een schietincident. Het NFI acht de bevindingen van het onderzoek ongeveer even waarschijnlijk wanneer de A-deeltjes van de versnellingspook en de A-deeltjes die zijn aangetroffen op het schotrestenfolie van de toegangsdeur van de woning van [slachtoffer] dezelfde bron van herkomst hebben als dat deze een verschillende bron van herkomst hebben.
Voorts acht het NFI de bevindingen van het schotrestenonderzoek veel waarschijnlijker als de hypothese waar is dat de A-deeltjes op de versnellingspook zijn terecht gekomen omdat de verdachte met de auto heeft gereden nadat hij het slachtoffer heeft neergeschoten dan dat de hypothese waar is, dat de A- deeltjes op die versnellingspook zijn terecht gekomen omdat de collega (het hof begrijpt: [getuige 4] ) met de auto heeft gereden.
Het hof leidt met name uit het laatste onderzoek van het NFI af dat niet aannemelijk is dat de A-deeltjes door contaminatie via [getuige 4] op de versnellingspook terecht zijn gekomen. Uit de inhoud van het dossier of het verhandelde ter terechtzitting is evenmin een ander scenario aannemelijk geworden dat de aanwezigheid van de aangetroffen A-deeltjes kan verklaren. Het hof gaat er op grond van de NFI rapporten in onderling verband en samenhang bezien dan ook van uit dat deze A-deeltjes afkomstig zijn van de verdachte.
De verdachte heeft verklaard dat hij nooit een vuurwapen in zijn handen heeft gehad. Het hof acht deze verklaring gelet op het bovenstaande niet geloofwaardig.
Uit het NFI-onderzoek blijkt niet dat de aan een schietincident gerelateerde aanwezigheid van de A- deeltjes het onderhavige schietincident betreft, maar het hof gaat daar wel van uit. Dit gelet op het feit dat de verdachte kort nadat het delict heeft plaatsgevonden in de auto heeft gereden en niet is gebleken dat de verdachte bij een ander schietincident betrokken is geweest. Dat slechts drie A-deeltjes op de versnellingspook zijn aangetroffen laat zich verklaren door het feit dat de verdachte in de gelegenheid is geweest zijn handen (hoewel kennelijk onvoldoende) te reinigen voordat hij de auto ging besturen.
Tijdspanne looproute van de verdachte
De verdachte heeft erkend dat hij op 25 juni 2012 om 15:47 uur te zien is op de beelden van winkelfiliaal Blokker op het [d-straat 1] in [plaats] en dat ook het tijdstip juist is. Hij heeft verklaard dat hij op dat moment net uit de bus was gestapt en te voet op weg was naar zijn woning aan de [e-straat 1] in [plaats] .
Het hof acht het mogelijk dat de verdachte in de tijdspanne van 15:47 uur (tijdstip beelden Blokker) tot 16:24 uur (tijdstip beelden [A] ) eerst naar zijn huis is gelopen en daarna van zijn huis naar de woning van [slachtoffer] is gelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij wist waar [slachtoffer] woonde omdat hij hem regelmatig voor het werk ophaalde en thuis bracht.
Volgens openbare bron, de ANWB-routeplanner op internet, is het van het [d-straat] naar de woning van de verdachte aan de [e-straat 1] ongeveer vijf minuten lopen. Daaruit volgt dat de verdachte omstreeks 15:52 uur thuis kan zijn geweest. Vanaf de [e-straat 1] is het ongeveer zes minuten lopen naar [B] aan de [b-straat 1] , zodat het eveneens mogelijk is dat de verdachte omstreeks 16:10 uur op de beelden van [B] te zien is. Vanaf [B] is het ongeveer acht minuten lopen naar de woning van [slachtoffer] aan de [a-straat 1] , zodat de verdachte omstreeks 16:18 uur bij die woning kan zijn geweest. Op grond van het dossier is niet exact vast te stellen hoe laat er is geschoten, maar [getuige 1] heeft verklaard dat hij omstreeks 16:30 uur schoten hoorde en de getuige [getuige 6] heeft verklaard dat zij even voor 16:26 uur hard geschreeuw en vervolgens schoten hoorde.
Alibi van de verdachte
Het alibi van de verdachte luidt dat hij op het moment van het schieten thuis was met zijn broer [betrokkene 4] . [betrokkene 4] heeft verklaard dat de verdachte omstreeks 15:00 uur thuis kwam, dat hij tot omstreeks 18:00 uur met de verdachte in diens woning is geweest en dat hij, [betrokkene 4] , toen naar Zaandam is gegaan.
Deze verklaring vindt geen bevestiging in objectieve concreet te verifiëren feiten of omstandigheden. Bovendien is deze verklaring strijdig met het tijdstip van 15:47 uur van de beelden van Blokker waarop de verdachte, zoals hij heeft erkend, is te zien terwijl hij op weg was naar zijn woning.
In het dossier kan ook overigens geen bevestiging worden gevonden voor de stelling dat [betrokkene 4] die dag in de woning van de verdachte was, te minder gezien de volgende wel uit het dossier blijkende omstandigheden.
Uit de historische verkeersgegevens van de huisaansluiting van [betrokkene 4] in [plaats] met telefoonnummer [telefoonnummer 1] is gebleken dat op 25 juni 2012 omstreeks 13:32 uur met dat nummer is gebeld naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Uit de opgevraagde GBA-gegevens komt naar voren dat [betrokkene 4] destijds als enige bewoner stond ingeschreven op het adres [f-straat 1] te [plaats] . Verder is uit onderzoek naar de reisbewegingen van [betrokkene 4] gebleken dat hij gebruik maakte van twee ov-chipkaarten, waarvan op 23, 24 en 25 juni 2012 geen gebruik is gemaakt. Wel zijn reisbewegingen met die kaarten gemaakt op 22 juni 2012 van [plaats] naar [plaats] en op 26 juni 2012 van [plaats] naar [plaats] .
Deze feiten en omstandigheden zijn onopgehelderd gebleven omdat noch de verdachte noch [betrokkene 4] daarover een verklaring heeft afgelegd en deze laten de mogelijkheid open dat [betrokkene 4] ten tijde van het schietincident niet in [plaats] was, maar in [plaats] .
Gelet op al het voorgaande acht het hof het door de verdachte opgegeven alibi volstrekt onaannemelijk.
Conclusie: de verdachte was de schutter
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] op 25 juni 2012 in het portiek van zijn woning aan de [a-straat 1] heeft neergeschoten.
De verweren van de raadsman worden verworpen.”