Conclusie
[eiser 1]
[eiser 2]
[eiser 1]resp.
[eiser 2] ,gezamenlijk
[eisers]) hebben – namens hun vennootschap – van verweerster in cassatie (hierna:
[verweerster]) een bedrijfspand gekocht voor een bedrag van € 2,4 miljoen en zich naast de vennootschap hoofdelijk verbonden voor de voldoening van de resterende helft van de koopprijs. [verweerster] had het pand kort voor de transactie met [eisers] voor een bedrag van € 1,2 miljoen gekocht van de eigenaar/opdrachtgever voor wie zij als verkoopmakelaar optrad.
1.Feiten en procesverloop
[betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) waren daarvan de bestuurders.
[A]) aan [verweerster] een exclusieve opdracht tot bemiddeling gegeven voor de verkoop van haar bedrijfspand te [vestigingsplaats] (hierna:
het pand). De vraagprijs bedroeg op die datum € 4 miljoen, de beoogde verkoopprijs € 3 miljoen. [2]
[B]). [B] was geïnteresseerd in het pand. [betrokkene 1] heeft in 2009 met [B] contact gehad over een mogelijke koop van het pand door [B] . De vraagprijs was voor [B] te hoog. [3]
Het wordt gekocht in een aparte vennootschap (B.V.).
Het deel van de koopsom dat wordt omgezet in een lening door de verkoper wordt een op de eerste hypotheekhouder achtergestelde lening.
Er moeten degelijke huurders zijn met huurcontracten van tenminste vijf jaar en een totale huuropbrengst van tenminste € 150.000,--.
De rentevergoeding op de achtergestelde lening (tweede deel van de koopsom) wordt afhankelijk gesteld van de huurinkomsten.(…)”
[betrokkene 3]) bericht:
De betaling van de koopprijs en van de kosten zoals bedoeld in artikel 2 en Pro de verrekening van de belastingen als bedoeld in artikel 7 vindt Pro plaats als volgt:
een bedrag ad (…) € 1.200.0000,00 (…) alsmede de helft van de kosten betreffende de economische eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 2 zal Pro worden voldaan bij het ondertekenen van de notariële akte van economische eigendomsoverdracht;
het restant met de daarover verschuldigde rente, uitgaande van 4,5 % op jaarbasis, zal worden voldaan als volgt:
over de maanden januari tot en met maart 2012 wordt uitsluitend rente berekend uiterlijk op het eind van iedere maand;
daarna wordt voor het eerst op uiterlijk 1 april 2012 en zo vervolgens iedere maand op uiterlijk het eind van maand een bedrag betaald ad € 22.222,00.
dat koper uiterlijk op 21 december 2011 van een financieringsinstelling een schriftelijke toezegging heeft ontvangen dat aan hem onder andere ter financiering van het bedrag ad € 1.200.000,- zoals voornoemd in artikel 3 lid 1 een Pro hypothecaire geldlening/krediet wordt verstrekt ten bedrage van € 1.500.000,-;
dat voor het passeren van de akte van economische eigendomsoverdracht de notariële akte van levering passeert met betrekking tot het verkochte tussen [A] B.V. en verkoper.
akte inzake hoofdelijke aansprakelijkheid’ gesloten betreffende de betalingsverplichting van [C] B.V. ter zake van de restantkoopprijs van € 1.200.000 met de daarover verschuldigde rente. [12]
[D]) in grote lijnen overeenstemming bereikt over verhuur van het pand door [C] B.V. aan [D] . [D] was een gegadigde koper voor het pand, waarmee [verweerster] (volgens een verklaring van ene [betrokkene 4] (prod. 22 cva [E] ) vanaf medio/eind november 2010 tot en met augustus/september 2011 heeft onderhandeld. Zij zijn onder meer overeengekomen dat [D] € 360.000 huur per jaar zal betalen en een bankgarantie van € 90.000 zal stellen. [13]
[E]).
akte inzake hoofdelijke aansprakelijkheid’ van 2 december 2011. [eisers] hebben aan die sommatie niet voldaan.
conventiegevorderd [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.129.406 aan hoofdsom en rente van de opeisbaar geworden schuld uit lening van [E] [16] en een bedrag van € 1.750 wegens buitengerechtelijke kosten.
borgen,uit hoofde waarvan hen een beroep toekomt op het verweer van hoofdschuldenaar [E] (art. 7:852 BW Pro), bestaande uit het beroep van [E] jegens [verweerster] op vernietiging van de koopovereenkomst en de akte van levering wegens dwaling. [21]
reconventiehebben [eisers] gevorderd:
primairop grond van bedrog en
subsidiairop grond van dwaling,
gegoedheid van huurder [D]:
eigenbelang van [verweerster]bij doorverkoop:
[eisers]) hebben bij memorie van grieven tien grieven aangevoerd met conclusie tot vernietiging van het vonnis, het alsnog afwijzen van de vorderingen in conventie en het alsnog toewijzen van de vorderingen in reconventie.
dat [verweerster] bewust (haar eigen belang bij verkoop dienend) [D] heeft aangedragen als een, mede gelet op de door de bank voor de financiering gestelde eisen, geschikte huurder, terwijl zij wist dat [D] geen deugdelijke huurder was.” (rov. 3.4.8).
dat [verweerster] er in de periode tussen 20 juli 2011 en 2 december 2011 geen duidelijkheid over heeft verstrekt dat zij niet meer optrad als makelaar van [A] en het heeft doen voorkomen dat zij als verkoper/verhuurder van het pand zou optreden omdat [A] het pand alleen wilde verkopen voor een in één keer te betalen prijs van € 2.400.000,=” – aan welke omstandigheid relevantie kan toekomen voor de te bewijzen stelling – bij de bewijsvoering kunnen betrekken (rov. 3.4.9).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1(p.i. p. 6) wordt tegen deze rechtsoverwegingen eerst een als zodanig aangeduide ‘
hoofdklacht’ (p. 8, voetnoot 5) geformuleerd, volgens welke de aangehaalde overwegingen rechtens onjuist, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn op de volgende gronden (p. 8-9):
subklachten 2.1-I t/m 2.1-VIII).
subklacht 2.1-II).
subklacht 2.1-A).
toelichting,waarin de hoofdklacht sub (i) t/m (iv) in willekeurige volgorde wordt uitgewerkt, onder verwijzing naar de relevante passages in de memorie van grieven (zie subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.12 (p. 9-19)).
subklachten’ geformuleerd (
onderdelen 2.I-A(p. 17) en
2.1-0 t/m 2.1-VIII(p. 19-24).
onderdeel 2.2-I) en dat het hof in dat kader de in rov. 3.3.2 genoemde omstandigheden ten onrechte niet van belang heeft geacht (
onderdeel 2.2-II).
ontbreken van een juiste voorstelling van zaken.
causaal verbandbestaat. Dit brengt mee dat de partij die zich op het wilsgebrek beroept, moet stellen en zonodig aannemelijk maken dat zij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (condicio sine qua non). [33]
kenbaarwas voor de wederpartij (zie art. 6:228 lid 1 onder Pro a (slot) en c (slot); in het onder b genoemde geval ligt naar aard reeds een kenbaarheidselement besloten). Bedrog kan zich echter ook zonder deze kenbaarheid voordoen. [34]
essentieelwaren voor het (op deze wijze) aangaan van de overeenkomst en de wederpartij
wist of behoorde te wetendat deze voor de dwalende essentieel waren. [35]
kern” van de overeenkomst in kwestie betreffen. Daarbij verstaat het hof onder “kern” van de overeenkomst kennelijk de essentialia van die overeenkomst in
objectievezin. [41] Het hof wijst immers op overeenstemming over c.q. bekendheid van [eisers] met het object (‘pand’), de prijs en de voorwaarden van de koopovereenkomst (rov. 3.4.2) respectievelijk de verplichtingen waarvoor zij zich bij akte hoofdelijk aansprakelijk stelden (rov. 3.4.3).
kern’ van de overeenkomst in de door het hof gebruikte (objectieve) zin betreft. Voor een beroep op bedrog geldt immers als criterium of de bedrogen partij door de kunstgreep tot het verrichten van de rechtshandeling is bewogen. Voor een beroep op dwaling is immers vereist (i) dat de omstandigheid waaromtrent wordt gedwaald voor de dwalende (subjectief) van essentieel belang is in die zin dat zij voor hem van doorslaggevend belang is voor het (op deze wijze) sluiten van de overeenkomst, en (ii) dat dit kenbaar was voor de wederpartij. De dwaling (al dan niet veroorzaakt door het bedrog) kán dus betrekking hebben op de ‘kern’ van de overeenkomst, maar is daartoe niet noodzakelijkerwijs beperkt. Het hof lijkt dit te hebben miskend.
“ [verweerster] heeft onrechtmatig gehandeld en hier is sprake van bedrog c.q. dwaling”(MvG nr. 33);
“(onrechtmatig) gezwegen daar waar zij had moeten spreken en (…) bovendien (onrechtmatig) valse informatie (...) verstrekt. [eisers] handhaaft zijn beroep op artt. 3:44 BW, 6:288 BW en art. 6:162 BW Pro dan ook onverkort.”(MvG nr. 67).
onderdeel 2.4(p.i. p. 26) en
subonderdeel 2.4-I(p. 28) vitieert het slagen van een van de vorige klachten ook de aangehaalde rechtsoverwegingen, met name de veroordeling tot betaling van de helft van het openstaande bedrag (rov. 6.5.1 en dictum).
en de vordering van [eisers] op die grondslag berust.” (rov. 6.5.2).
naastdie van bedrog en dwaling. Het oordeel is bovendien onbegrijpelijk omdat het hof in het tussenarrest (rov. 3.4.4) aanneemt dat een eventuele onrechtmatige daad grondslag kan zijn voor de in reconventie op die grond gevorderde schadevergoeding. Voorts blijkt duidelijk uit het petitum en de memorie van grieven [43] alsook de stellingen in eerste aanleg [44] dat [eisers] voor twee separate ankers zijn gaan liggen: enerzijds bedrog en dwaling en anderzijds onrechtmatig handelen, aldus het subonderdeel.
indien het beroep op bedrog wordt toegewezen,sprake is van een onrechtmatige daad (zie CvA/Eis rec. nr. 113-114), maar daar staat tegenover dat [eiser 1] in hun CvD/CvR rec. (nr. 11) uitgaan van onrechtmatig handelen
naastbedrog of dwaling, terwijl ook uit de aangegeven vindplaatsen in appel niet de stelling lijkt te kunnen worden afgeleid dat van onrechtmatig handelen uitsluitend sprake is indien het beroep op bedrog wordt toegewezen.
een grondslag gelegen kan zijn voor (…) de in reconventie op die grond gevorderde schadevergoeding” is de door het hof in rov. 6.5.2 van het eindarrest gegeven uitleg van de stellingen van [eisers] zonder nadere toelichting niet begrijpelijk.