Conclusie
de Gemeente) heeft met vijf omliggende gemeenten een aanbesteding georganiseerd van diensten voor de geestelijke gezondheidszorg voor de jeugd. Gunning vond plaats aan alle inschrijvers die voldeden aan de selectiecriteria (uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen). Gegunde partijen hebben een raamovereenkomst gekregen op grond waarvan zij in alle zes de gemeenten de betrokken jeugdzorg kunnen aanbieden. Deze aanbesteding leidde dus niet tot één winnaar.
Evergreen), een in ggz gespecialiseerde zorginstelling, heeft op de aanbesteding ingeschreven. Zij is voor basis-ggz wel maar voor gespecialiseerde-ggz niet geselecteerd. Volgens de aanbestedende dienst voldeed zij voor gespecialiseerde-ggz niet aan de in de aanbestedingsleidraad gestelde ervaringseis. Evergreen is daartegen in kort geding opgekomen. Zij heeft alleen de Gemeente gedagvaard. Volgens de Gemeente gaat het hier echter om een processueel ondeelbare rechtsverhouding en had Evergreen, op straffe van niet-ontvankelijkheid, alle zes de gemeenten in het geding moeten betrekken. In cassatie is voorts in geschil of Evergreen aan de ervaringseis voldeed.
1.Feiten
de Aanbestedende dienst), een offerteaanvraag onder de naam ‘Jeugd-ggz’ gepubliceerd. De aanbesteding betrof de inkoop van ggz-diensten voor één jaar ingaande op 1 januari 2018. Deze termijn kon driemaal met een jaar worden verlengd, dus ten laatste tot eind 2021. [3]
namens de Regio Gemeente Nijmegen” de raamovereenkomst ondertekende. [11]
het ROB Nijmegen) [13] als referent opgegeven en daarbij de volgende toelichting verstrekt: [14]
2.Procesverloop
zij verwachtte dat de andere 5 gemeenten wel vrijwillig zouden voldoen, nadat Gemeente Nijmegen veroordeeld zou zijn in deze.” [18]
primair: de Gemeente te verbieden de opdracht op basis van de huidige gunningsbeslissing aan enige derde te gunnen en de Gemeente te gebieden de opdracht te gunnen aan Evergreen, voor zover de Gemeente de opdracht nog altijd wenst te gunnen; en
subsidiair: de Gemeente te verbieden de opdracht definitief te gunnen op basis van de huidige gunningsbeslissing aan enige derde, totdat een herbeoordeling heeft plaatsgevonden, de Gemeente te gebieden tot een herbeoordeling over te gaan nadat zij Evergreen de mogelijkheid tot herstel heeft geboden en de Gemeente te gebieden om op basis van die herbeoordeling een nieuwe gunningsbeslissing te nemen.
exceptio plurium litis consortiumopgeworpen en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. Het hof is daar niet in meegegaan, omdat hier geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding:
L]
hebben wij door een systeemfont voor specialistische GGZ voor de periode 2017 tot en met 31 december 2017 alsmede de periode 1 januari tot en met 5 januari 2018 een toewijzing afgegeven. Wij hebben inmiddels de toewijzing voor de periode 1 januari tot en met 5 januari 2018 ingetrokken. Er is op 12 maart 2018 een bedrag betaald € 1.5553,35 aan Evergreen.” Ter zitting is overigens gebleken dat de in de genoemde e-mails vermelde fouten zijn te herleiden tot het geschil tussen partijen of Evergreen de bestaande overeenkomst met ingang van 1 januari 2017 heeft verlengd of niet. Ook al zou de Gemeente gelijk hebben met haar verweer dat deze overeenkomst niet is verlengd, dan neemt dat niet weg dat de door Evergreen in 2017 verrichte behandelingen mogen meetellen als ervaring. Naast deze twee gevallen die ter gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep door Evergreen in het geding zijn gebracht, zijn de drie gevallen die Evergreen in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, tijdens de mondelinge behandeling van dit hof besproken. Van deze drie gevallen is ook voldoende komen vast te staan dat door Evergreen in de relevante periode 2015/2016/2017 specialistische ggz zorg is verleend. In alle vijf de gevallen is ten slotte niet betwist dat het om verlenen van specialistische ggz zorg ging.
3.Het cassatiemiddel – algemene opmerkingen
Onderdeel Ibestrijdt vooral het oordeel van het hof dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding (rov. 4.2, eerste alinea).
Onderdeel IIkomt op tegen het oordeel dat de vervaltermijn in art. 4.5 van de offerteaanvraag niet met zich brengt dat Evergreen alle gemeenten binnen twintig kalenderdagen na de voorlopige gunningsbeslissing had moeten dagvaarden (rov. 4.2, tweede alinea).
Onderdeel IIIziet op het inhoudelijke oordeel van het hof dat, anders dan de voorzieningenrechter had geoordeeld, Evergreen voor specialistische-ggz wél aan de ervaringseis voldoet (rov. 5.3).
Onderdeel IVbestrijdt de uitleg die het hof heeft gegeven aan de vorderingen van Evergreen.
Onderdeel Vbevat een voortbouwklacht.
vrijwilligvoldoen als de Gemeente zou zijn veroordeeld (zie hiervoor, 2.1). Dat idee van vrijwilligheid strookt niet met het concept van een processueel ondeelbare rechtsverhouding omdat daarbij de gedachte is dat een uitspraak noodzakelijkerwijs gevolgen heeft voor andere partijen die deel uitmaken van dezelfde rechtsverhouding.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
gerechtigdis om in alle gemeenten zorg te verlenen noodzakelijkerwijs betekent dat de gemeenten
verplichtzijn om door die inschrijver in hun gemeente verleende zorg te vergoeden. Derhalve ontstaan verplichtingen voor de gemeenten die niet door Evergreen in de procedure zijn betrokken. Volgens de Gemeente is het voorts onbegrijpelijk dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat geen verplichtingen ontstaan voor de andere gemeenten.
conform haar inschrijving” aan Evergreen te gunnen, terwijl de inschrijving van Evergreen zag op dienstverlening in alle gemeenten en niet slechts in de Gemeente.
onder I.Hbetreft denk ik dat de door de Gemeente gesuggereerde spanning tussen rov. 4.2 (slot van de eerste alinea), waar het hof oordeelt dat “
zonder problemen uitvoering kan worden gegeven aan een overeenkomst die alleen tussen de Gemeente en Evergreen geldt”, en het dictum, waar het hof de Gemeente beveelt de opdracht alsnog aan Evergreen “
conform haar inschrijving” te gunnen, bij nauwkeurige beschouwing niet bestaat. Het is juist dat Evergreen had ingeschreven op alle zes de geografische percelen, maar het hof heeft met de woorden “
conform haar inschrijving” mijns inziens bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de inschrijving van Evergreen door de Gemeente moet worden gehonoreerd voor zover de Gemeente dat in haar macht heeft. De omstandigheid dat Evergreen er voor heeft gekozen alleen de Gemeente te dagvaarden kan er niet toe leiden dat het dan aan de Gemeente zou zijn de andere gemeenten te verplichten om Evergreen ook te erkennen (zie hiervoor, 3.10 slot). Overigens is deze discussie in zoverre theoretisch dat het hof naar mijn mening op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat de inschrijving van Evergreen niet ongeldig was (zie hierna bij onderdeel III).
alle bij de aanbestedingsprocedure aanbestedende diensten – in dit geval de[…]
genoemde gemeenten – tezamen gedagvaard moeten worden”.
Subonderdeel I.Bklaagt dat deze weergave onbegrijpelijk is, voor zover het hof van oordeel is dat de Gemeente heeft gesteld dat sprake is van meerdere aanbestedende diensten.
daarom” gaat om “
een gezamenlijke aanbesteding door de zeven[zes; A-G]
gemeenten.”
Subonderdeel I.Abetoogt dat in dit oordeel ligt besloten dat sprake is van meerdere aanbestedende diensten in plaats van één aanbestedende dienst. Het hof zou daardoor buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden in strijd met art. 24 Rv Pro.
subonderdeel I.Dbetoogt de Gemeente dat dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is indien en voor zover daarvoor (mede)dragend is (reeds) het (enkele) feit dat sprake is van een gezamenlijke aanbesteding door meerdere afzonderlijke aanbestedende diensten.
subonderdeel I.Gdat in het oordeel van het hof besloten ligt dat de uitvoerbaarheid van de te sluiten overeenkomst het enige, althans beslissende criterium is bij de beoordeling of sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding.
aan een zorgvrager” (mede)dragend kan of moet zijn voor het oordeel of sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding.
aan een ander bestuursorgaan.
in personamheeft gedagvaard, is duidelijk dat de heer Frings bevoegd was namens de Gemeente, en “
op basis van de daartoe strekkende mandaat-, volmacht en machtigingsbesluiten” tevens namens de andere gemeenten, de raamovereenkomst(en) aan te gaan door daar zijn handtekening onder te zetten. Indien de Gemeente op grond van een rechterlijk gebod om (bilateraal) met Evergreen een raamovereenkomst af te sluiten, zal die overeenkomst vermoedelijk ook door de heer Frings, in dat geval uitsluitend namens de Gemeente, worden ondertekend.
zoals een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver het uit te leggen stuk redelijkerwijs heeft moeten begrijpen.” Dit perspectief ontbreekt in de uitleg van art. 4.5 van de offerteaanvraag.
Succi di Fruttagebruikte bewoordingen (“
behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers”) niet heeft overgenomen en in plaats daarvan het woord ‘objectief’ heeft gebruikt. [30]
Regio Nijmegen zijnde de Gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen”.
-ggz opgenomen: “
In de afgelopen jaren heeft Evergreen cliënten behandeld in uw regio (ook buiten de regio).” In het vak daaronder voor specialistische-ggz had Evergreen niets ingevuld. [35] In een aanvulling op de inschrijving, gedateerd 27 oktober 2017 en kennelijk tijdig, staat bij specialistische-ggz vrijwel hetzelfde ingevuld: “
In de afgelopen jaren heeft Evergreen clienten behandeld in uw regio en (ook buiten uw regio).” [36]
Bewijs ervaring” enkel te vragen om een opgave van een of meer referenties. Dat bergt het risico in zich dat bij het natrekken van die referenties informatie wordt verkregen die de inschrijver mogelijk zal betwisten als hij daarop wordt afgewezen Anderzijds kan de inschrijver discussie voor zijn, door zijn relevante ervaring precies te boekstaven in een track record en dat bij de inschrijving over te leggen. Wat daar ook van zij, het aanbestedingsrecht vereist dat
op het moment van aflopen van de inschrijvingstermijnaan alle in de aanbestedingsdocumentatie gestelde eisen en voorwaarden is voldaan. Herstel is daarna in beginsel niet mogelijk. Met het houden van een gesprek met Evergreen na de voorlopige afwijzing (zie hiervoor, 1.10) is de Aanbestedende dienst mijns inziens al betrekkelijk ver gegaan.
een eenvoudige precisering” nodig is of een “
kennelijk materiële fout” moet worden hersteld, mits dat er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. [39]
ex postkan worden aangevuld of verbeterd. Indien echter uit een samenstel van documenten kan worden afgeleid dat de inschrijver wel voldeed aan een bepaalde inschrijvingseis dan is ongeldigverklaring van de inschrijving in beginsel onevenredig, mits die beslissing kan worden gebaseerd op documenten die de inschrijver bij de inschrijving had overgelegd. [40]
referentieopdracht”, [41] (ii) de nota van inlichtingen vermeldt dat in geval van een ZIN-referentie een contractrelatie ofwel opdrachtgever moet worden opgegeven [42] (zie hiervoor, 1.5) en (iii) een inschrijver het ROB Nijmegen niet als referent mag opgeven als hij niet bij het ROB Nijmegen was gecontracteerd.
via het ROB Nijmegen” aan ten minste vijf patiënten specialistische-ggz heeft verleend, maar het hof is klaarblijkelijk de opvatting toegedaan dat alle behandelingen moeten meetellen wegens het enkele feit dat zij feitelijk zijn verricht en ongeacht of zij op contractuele basis zijn verricht. Daarmee miskent het hof dat de alleen behandelingen die vallen binnen het administratief-financiële kader waarbinnen verleende zorg heeft plaatsgevonden, verifieerbaar zijn en daarom kunnen worden meegeteld. Het hof heeft dat miskend door daar ten onrechte een eigen interpretatie van die eis tegenover te stellen, die erop neerkomt dat iedere in natura behandeling die Evergreen in de relevante periode op het gebied van specialistische-ggz (in de betrokken regio) heeft verricht moet worden meegeteld, ook als die behandeling na verificatie door het bevoegde orgaan niet is erkend.
lijst prestaties”, samen met andere (uitvoerige) stukken op 14 december 2017 kort na 17.00 uur per fax overgelegd voor de zitting bij de voorzieningenrechter de daarop volgende ochtend om 9.00 uur. [44] Bij die zitting is Evergreen niet (kenbaar) ingegaan op deze productie 17. De pleitnota van haar advocaat zwijgt over dit document, maar vermeldt op p. 3 wel, zonder onderbouwing, dat aantoonbaar zijn: “
1 referentie uit Wijchen, 1 uit Druten, 1 uit Nijmegen en 1 uit Berg en Dal”. Vier was overigens niet genoeg.
de patiënten met de nummers 1325, 1375 en 1391 (productie 17 Evergreen in eerste aanleg)”.
hetbewijs vormt van drie van de vijf voor de ervaringseis vereiste behandelingen). Het had voor de hand gelegen dat het hof op zijn minst de Gemeente de gelegenheid had gegeven zich daarover uit te laten, eventueel bij akte. De Gemeente klaagt daarom terecht dat het hof het beginsel van hoor- en wederhoor (art. 19 Rv Pro) heeft geschonden. Dat de Gemeente ter comparitie door het hof in staat is gesteld te reageren op productie 17 leidt niet tot een andere beoordeling. Beslissend is of zij redelijkerwijs geacht moest worden daar op dat moment toe in staat te zijn, gelet op het ontbreken van enige toelichting van Evergreen op productie 17 in de vorige rondes. De Gemeente stelt mijns inziens terecht dat zij daar niet op voorbereid kon zijn (en kennelijk ook geen mensen bij zich had op de zitting die hier iets over konden zeggen).
In alle vijf de gevallen (…) ten slotte niet [is] betwist dat het om verlenen van specialistische ggz zorg ging.” Volgens de Gemeente miskent het hof hiermee dat de Gemeente ten tijde van de comparitie van partijen in hoger beroep niet tot enige actieve, laat staan gemotiveerde betwisting was gehouden, gelet op (i) de wijze waarop Evergreen zich tot dan toe van de op haar rustende stelplicht had gekweten en (ii) haar klachten in subonderdeel III.B.
eerder” had gevorderd, (iv) het hof tijdens de comparitie van partijen op 23 oktober 2018 aan Evergreen heeft gevraagd naar haar belang bij de vordering en (v) de uitleg die het hof aan de verbodsvordering van Evergreen geeft geen andere uitleg toelaat dan dat het verbod geen enkele zelfstandige strekking had, terwijl het hof de vordering in rov. 5.5 wel als een zelfstandige vordering behandelt. Deze omstandigheden, in het licht van een vergelijking tussen petitum en dictum, vitiëren volgens de Gemeente tevens het oordeel van het hof in rov. 5.6 omtrent de proceskostenveroordeling.