Conclusie
eerstherzien. Daarbij is de erfpachtcanon berekend conform het Pachtnormenbesluit 1977 waarin is bepaald dat ingeval de externe productieomstandigheden afwijken van de gemiddelde externe productieomstandigheden een aftrek of een toeslag wordt toegepast (artikel 2 lid Pro 6). Met betrekking tot kavel [002] is een aftrek gegeven van in totaal ƒ 30 wegens de excentrische ligging ten opzichte van de boerderij en de kavelvorm. Op kavel [001] is een aftrek vanwege ‘gerende vorm’ gegeven van ƒ 15. De Staat heeft op basis van voornoemde berekening de canon verhoogd naar (inclusief verrekening waterschapslasten) ƒ 27.394 (afgerond € 12.431) per jaar. Hierna wordt de canon telkens vermeld met inbegrip van verrekening van de waterschapslasten.
tweedemaal herzien. Hij is toen vastgesteld op ƒ 35.129 (afgerond € 15.941).
derdeherzieningsmoment van de canon. Inmiddels was sprake van een andere berekeningssystematiek door de wijziging van het Pachtnormenbesluit in 1992. In het gewijzigde Pachtnormenbesluit werd uitgegaan van optimale externe productieomstandigheden en dus niet meer van gemiddelde productieomstandigheden met toeslag- en aftrekmogelijkheden. Als in de nieuwe systematiek een of meer externe productieomstandigheden van het optimale afweken, diende een aftrek te worden toegepast (artikel 2 lid Pro 5). De Staat heeft bij brief van 29 november 1993 voorgesteld de canon te wijzigen naar ƒ 41.432 per jaar. [betrokkene 1] is hier niet mee akkoord gegaan. Hij stelde in dat verband dat in de berekening onvoldoende rekening was gehouden met de vorm van zijn perceel en de excentrische ligging van kavel [002] ten opzichte van de bedrijfsgebouwen. De canon is vervolgens door deskundigen vastgesteld. In het taxatierapport staat onder meer het volgende vermeld:
e.p’ (externe productieomstandigheden) naar ƒ 105 per hectare. In het advies is niet met zoveel woorden vermeld op basis van welke omstandigheden de deskundigen tot deze aftrek zijn gekomen. De totale hoogte van de canon is bepaald op ƒ 38.663 (afgerond € 17.544,50).
vierdemaal herzien. Conform het in 1998 gewijzigde Pachtnormenbesluit is de canon verhoogd tot ƒ 49.403 (afgerond € 22.418).
vijfdecanonherziening aangekondigd per 1 november 2005. Hiertegen heeft [verweerder] bezwaar gemaakt. De Staat heeft bij brief van 1 februari 2006 aan [verweerder] bericht dat op basis van diens argumentatie tegen de voorgestelde canonherziening is besloten deze herziening niet door te voeren. Tevens is in deze brief het volgende vermeld:
zesdecanonherziening aangekondigd, en wel per 1 november 2011. Voorgesteld werd de canon te verhogen tot € 39.495,58. Hiertegen heeft [verweerder] bezwaar gemaakt. Na een taxatie door deskundigen is de canon vastgesteld op het door Staat voorgestelde bedrag.
Canon’, is het volgende opgenomen:
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1, dat is gericht tegen in rov. 3.2, 3.7, 3.8 en 3.10, komt met zes subonderdelen op tegen het oordeel, kort gezegd, dat in de omstandigheden van dit geval het onevenredig is in de zin van art. 4:84 Awb Pro dat de Staat op grond van het 1997-Beleid geen korting heeft toegepast op de door [verweerder] na heruitgifte van de grond te betalen erfpachtcanon.
Onderdeel 2komt met drie subonderdelen op tegen het een oordeel in rov. 3.11 over de omvang van de korting op de na heruitgifte door [verweerder] te betalen erfpachtcanon.
Onderdeel 3bevat een voortbouwende klacht over de verwerping in rov. 3.13 van het aanbod van de Staat om tegenbewijs te leveren.
de facto) kortingen op de canon toegepast vanwege de excentrische ligging van het woonhuis en/of geren in het perceel. Deze kortingen hebben een cumulatief effect in de zin dat zij (in verlagende zin) hebben doorgewerkt in de daaropvolgende canonherzieningsrondes in 1988, 1999 en 2011 (rov. 3.2).
de facto) kortingen te verlenen voor dergelijke externe omstandigheden (de excentrische ligging en/of de perceelsvorm) in verband met [verweerder] ’s perceel,
de facto) korting op de canon wordt verleend.
In 1997 heeft de toenmalige staatssecretaris (...) de Kamer toegezegd dat na ommekomst van de lopende erfpachttermijn een eenmalige heruitgifte zou plaatsvinden voor 40 jaren tegen de alsdan geldende marktconforme voorwaarden en canon. Op die uitspraak is beleid ingezet inhoudende dat de nieuwe algemene voorwaarden zijn vastgesteld en bepaald is dat de canon voor de cultuurgrond wordt berekend op 125% van de regionorm. (...). Deze marktconforme voorwaarden zijn niet onderhandelbaar omdat onder meer geen sprake kan zijn van rechtsongelijkheid onder erfpachters; de eerste heruitgiften dateren namelijk al van 2012 en zijn door de erfpachters geaccepteerd.”
eerste klachtberust het oordeel op een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof miskent dat met de inwerkingtreding van het Pachtnormenbesluit 1995 de toeslagen en de aftrek op de pachtprijs zijn afgeschaft, waardoor al vanaf de inwerkingtreding daarvan, bij de vaststelling van de canon, geen toeslag of aftrek vanwege externe productieomstandigheden kon worden verkregen. Waar aan het oordeel van het hof ten grondslag ligt dat aftrek op de canon vanwege bijzondere productieomstandigheden ook ná het 1997-Beleid ten aanzien van de heruitgifte mogelijk was, gaat dat dus uit van een onjuiste rechtsopvatting.
tweede klachtgeeft (kennelijk in het verlengde van de hiervoor genoemde onjuiste rechtsopvatting) ook de uitleg door het hof van de doelstelling van het 1997-Beleid blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel. Reeds vóór 1997 was een einde gemaakt aan de mogelijkheid om korting te krijgen op de canon vanwege bijzondere externe omstandigheden, terwijl zowel de wijziging van het Pachtnormenbesluit 1995 als het 1997-Beleid is ingegeven door de wens het gebruik van de grond meer marktconform te bepalen, zodat de doelstelling van het 1997-Beleid geacht moet worden in het verlengde te liggen en/of samen te hangen met het Pachtnormenbesluit 1995 en/of de daaraan ten grondslag liggende doelstelling. Een en ander klemt temeer tegen de achtergrond van de hiermee verband houdende (essentiële) stellingname van de Staat, waarin op de aan de inwerkingtreding van het Pachtnormenbesluit 1995 verbonden gevolgen (afschaffing kortingen) voor de vaststelling van de canon is gewezen. Aan deze stellingname is het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, voorbijgegaan.
subonderdelen 1.2 tot en met 1.5bestrijden onderdelen van rov. 3.8 waarin het hof, kort gezegd, oordeelt dat [verweerder] er gerechtvaardigd op vertrouwde dat ook in de toekomst, na heruitgifte van de grond in erfpacht, bij de bepaling van de erfpachtcanon rekening zou worden gehouden met de excentrische ligging van het woonhuis en de ongunstige perceelsvorm.
subonderdeel 1.5, omdat dit de maatstaf ter beoordeling van de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de orde stelt.
de facto) korting op de canon zou worden verleend, heeft miskend dat een beroep op het vertrouwensbeginsel
enkelkan slagen, als een tot beslissen bevoegd orgaan (het Rijksvastgoedbedrijf) ten aanzien van een belanghebbende ( [verweerder] ) uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan die bij de belanghebbende gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van een dergelijke toezegging is in het onderhavige geval (onmiskenbaar) geen sprake. Op de daartoe strekkende (essentiële) stellingname van de Staat heeft het hof ten onrechte niet, althans niet op voldoende kenbare en/of begrijpelijke wijze gerespondeerd, aldus het subonderdeel.
Helmond/ […], in elk geval het betoog van een gemeente dat enkel sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen als de gemeente een uitdrukkelijke toezegging heeft gedaan, verworpen omdat die stelling in haar algemeenheid te ver ging. Of een betrokkene gerechtvaardigd vertrouwen koestert is, aldus de Hoge Raad in dit arrest, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [11]
enkelkan slagen als aan de door het subonderdeel genoemde maatstaf is voldaan. Het hof behoefde daarom ook niet uitdrukkelijk te reageren op de door het subonderdeel genoemde stellingname van de Staat in feitelijke instanties.
subonderdelen 1.2 tot en met 1.4betreffen de omstandigheden die het hof betrokken heeft bij zijn oordeel in rov. 3.8, dat, kort gezegd, [verweerder] er gerechtvaardigd op vertrouwde dat hij ook na heruitgifte van de grond korting zou krijgen op de canon. Bij de behandeling van deze subonderdelen stel ik voorop dat het antwoord op de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Dit betekent dat de waardering van de verschillende omstandigheden in beginsel van feitelijke aard is en daarom aan het hof is voorbehouden. In cassatie kan de Hoge Raad slechts toetsen of het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en of het oordeel voldoende is gemotiveerd.
subonderdeel 1.2is onjuist en/of onnavolgbaar is dat het hof bij zijn oordeel in rov. 3.8 onder (i) in aanmerking heeft genomen, dat de Staat
onverplichtde bepalingen over de aftrek voor bijzondere externe omstandigheden uit de pachtregelgeving heeft overgenomen, althans valt de relevantie daarvan voor de vraag of de Staat het vertrouwensbeginsel heeft geschonden niet in te zien, althans niet zonder nadere (ontbrekende) motivering. De rechtsverhouding tussen de Staat en [verweerder] wordt immers bepaald door de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden, op grond waarvan de canon wordt bepaald aan de hand van de pacht(prijs)regelgeving, zodat de Staat tegenover [verweerder] gehouden is die regelgeving toe te passen.
onverplichtde bepalingen uit de pachtregelgeving over aftrek wegens bijzondere externe omstandigheden heeft overgenomen, brengt tot uitdrukking dat de Staat in de algemene erfpachtvoorwaarden voor de bepaling van de erfpachtcanon onverplicht aansluiting heeft gezocht bij de pachtregelgeving. Het hof wijst hier al op in rov. 1 onder e. De pachtregelgeving schrijft alleen voor pachtovereenkomsten de pachtprijzen dwingend voor, en niet voor erfpachtverhoudingen. Er bestaat met andere woorden geen verplichting voor de Staat om de pachtprijzenregelgeving door middel van algemene voorwaarden van toepassing te verklaren op zijn rechtsverhouding met de erfpachter. Niettemin heeft de Staat dat wel gedaan. Uiteraard is de Staat dan vervolgens gebonden aan de door hem met de erfpachter overeengekomen algemene voorwaarden. [12]
eerste klachtvan
subonderdeel 1.3valt (zonder nadere motivering, die ontbreekt) niet in te zien hoe de overweging in rov. 3.8 onder (ii) dat de Staat in 1981 en 1993 daadwerkelijk (
de facto) kortingen heeft toegepast voor de excentrische ligging en/of de perceelsvorm, kan bijdragen aan het oordeel dat [verweerder] gerechtvaardigd erop heeft vertrouwd dat ook bij
heruitgiftevan de grond opnieuw een dergelijke korting zou worden verleend. De kortingen uit 1981 en 1993 zijn namelijk verleend op grond van de in de algemene voorwaarden toepasselijk verklaarde, destijds geldende, pacht(prijs)regelgeving die in 1995, aldus is gewijzigd dat kortingen zoals die eerder zijn verleend aan [verweerder] , niet meer mogelijk waren. Dergelijke kortingen zijn nadien dan ook niet meer verleend.
tweede klachtvan subonderdeel 1.3 moet de niet-herziening uit 2005 onderscheiden worden van het toepassen van een korting, omdat van een korting niet zonder meer gesproken kan worden, wat het hof in rov. 3.2 en 3.8 heeft miskend.
eenmaligafzien van canonherziening bezwaarlijk kan worden gezien als een bestendige beleidslijn, waarop het hof niet, althans niet voldoende kenbaar en/of op voldoende begrijpelijke wijze, heeft gerespondeerd.
de factoaftrek of korting op de te betalen canon, mede gezien de door het hof genoemde omstandigheid dat de canon bij andere erfpachters wel is herzien. Het afzien van de verhoging betekent immers dat [verweerder] minder zou betalen dan hij anders zou hebben moeten doen.
eenmaliggegeven was, zoals de Staat aanvoert, behoefde het hof niet van zijn oordeel te weerhouden. Het hof kon hieruit immers afleiden dat, evenals eerder in 1981 en 1993, (maar thans: feitelijk) een korting op de canon werd verleend. Ook het afzien van de in 2005 aangekondigde aanpassing was gebaseerd op de externe omstandigheden (met name de excentrische ligging; zie rov. 1 onder k) die eerder aanleiding hadden gegeven voor een korting op de canon (zie rov. 3.2). Het op deze grond afzien van de in 2005 aangekondigde canonaanpassing, ook na de inwerkingtreding van het Pachtnormenbesluit 1995, kon daarom bijdragen aan het oordeel van het hof dat [verweerder] daaraan vertrouwen kon ontlenen omtrent de gedragslijn van de Staat.
vergissingbetrof en in strijd was met zijn beleid. De Staat heeft (blijkens de vindplaatsen in de procestukken waarnaar in de klacht wordt verwezen) echter niet aangevoerd dat voor [verweerder] kenbaar was dat sprake zou zijn van een vergissing, zodat [verweerder] om die reden aan de brief geen vertrouwen omtrent een door de Staat te volgen gedragslijn kon ontlenen. Het hof behoefde zijn oordeel op dit punt niet nader te motiveren, ook niet in het licht van de in subonderdeel 1.3 nog genoemde omstandigheid dat de Staat [verweerder] in 2013 op de hoogte heeft gesteld van zijn 1997-Beleid.
eerste klachtvan
subonderdeel 1.4herhaalt in wezen de eerste klacht van subonderdeel 1.3, thans gericht tegen de overweging in rov. 3.8, dat de Staat door het verlenen van (mede) de kortingen tot uitdrukking heeft gebracht dat hij gedurende een lange periode het vanuit oogpunt van redelijkheid en evenredigheid geboden achtte om rekening te houden met de excentrische ligging van en ongunstige perceelsvorm. Deze klacht faalt om de in 3.15 gegeven redenen.
tweede klachtvan
subonderdeel 1.4is rov. 3.8 ook onvoldoende navolgbaar, voor zover het hof daarin verwijst naar het verlenen van
kortingen gedurende een lange periode – tenminste ongeveer 25 jaar. Zoals uit de feitenvaststelling van het hof volgt, is de canon gedurende de periode tussen 1972 en 2015 zes maal gewijzigd, in welk kader slechts twee maal overeenkomstig het toenmalige beleid van de Staat kortingen zijn verleend en één keer is afgezien van herziening, aldus de klacht.
de facto) kortingen op de canon heeft toegepast voor de excentrische ligging en/of de geren in het perceel, en dat deze kortingen een cumulatief effect hebben, zodat zij (in verlagende zin) hebben doorgewerkt in de daaropvolgende canonherzieningen. [verweerder] betaalde daarom vanaf 1981 doorlopend een lagere canon, in ieder geval tot en met 2005, dus voor een periode van tenminste ongeveer 25 jaar.
eerste klachtvan het subonderdeel bouwt voort op de subonderdelen 1.1 tot en met 1.4 en dient evenals die subonderdelen te falen.
tweede klacht van subonderdeel 1.6is het oordeel in de eerste volzin van rov. 3.10 onjuist en/of onbegrijpelijk, kort gezegd omdat, mede gezien de essentiële stellingen van de Staat op dit punt, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet valt in te zien (i) dat het niet toepassen van een korting op de canon gevolgen heeft voor [verweerder] die
onevenredigzijn in verhouding tot de met het 1997-Beleid te dienen doelen en (ii) dat de door het hof in rov. 3.7 tot en met 3.9 genoemde omstandigheden een inbreuk rechtvaardigen op de contractsvrijheid van de Staat.
bijzondere omstandighedenen toepassing van de beleidsregel moet, gelet op de bijzondere omstandigheden, voor de belanghebbende gevolgen hebben die
onevenredigzijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het bestuursorgaan dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of zij op zichzelf, dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 4:84 Awb Pro die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding met de tot de beleidsregel te dienen doelen. Bij de vraag of sprake is van onevenredig nadeel staat de relatie tussen de belangen van de belanghebbende met het door de beleidsregel te dienen doel centraal. Daarbij gaat het om het doel in de sfeer van publieke of algemene belangen, die met behulp van de onderliggende bevoegdheid kunnen worden behartigd. [13]
subonderdeel 2.1is onbegrijpelijk dat het hof (in de derde volzin van rov. 3.11) oordeelt dat sprake is van een de blote betwisting van de Staat, omdat de Staat gemotiveerd heeft betoogd dat [verweerder] (i) de omvang van het door hem gestelde nadeel kan beperken door het aanleggen van een kavelpad en (ii) gelet op de kwaliteit van de grond geenszins wordt beperkt in de gebruiksmogelijkheden van het perceel (memorie van antwoord onder 3.57 en 3.63). De strekking van dit geheel aan stellingen van de Staat was dat van matige verkaveling geen sprake is en dat de begroting daarvan in het door [verweerder] overgelegd bedrijfsplan om die reden terzijde dient te worden geschoven. De Staat heeft daarmee het bedrag van € 4.000 voldoende betwist. Voor zover het hof is uitgegaan van een zwaardere betwistingslast, is dat rechtens onjuist, aldus de klacht.