Uitspraak
16 juni 1989.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Helmond en een inwoner over bestuursdwang die werd toegepast voor de sloop van een illegaal gebouwde paardenstal. De betrokkene had de bewoning van de stal gestaakt en een gesprek gevoerd met een wethouder over een mogelijke geoorloofde bestemming, waardoor hij erop mocht vertrouwen dat bestuursdwang niet zonder nader bericht zou plaatsvinden.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de gemeente onzorgvuldig had gehandeld door zonder nadere aanzegging tot sloop over te gaan, ondanks het gewekte vertrouwen van de betrokkene. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de gemeente.
De Hoge Raad benadrukte dat het vertrouwen dat door contacten met gemeenteambtenaren wordt gewekt, ook zonder uitdrukkelijke toezegging, van belang is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van bestuursdwang. De gemeente had de betrokkene moeten informeren over de negatieve uitkomst van het onderzoek naar de bestemmingsmogelijkheid, zodat deze zelf tot sloop had kunnen overgaan.
Het beroep van de gemeente werd verworpen en de gemeente werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee werd het belang van het vertrouwensbeginsel en zorgvuldige communicatie in bestuursrechtelijke procedures bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de gemeente wordt verworpen wegens onzorgvuldig handelen en schending van het vertrouwensbeginsel.