De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het meermalen handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, wederspannigheid en eenvoudige belediging. Het cassatiemiddel richtte zich tegen de bewezenverklaring van het eerste feit, stellende dat de in beslag genomen imitatiepistolen onder de Speelgoedrichtlijn zouden vallen en dus niet strafbaar zijn.
De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. Het hof had geoordeeld dat de imitatiepistolen niet als speelgoed kunnen worden aangemerkt, omdat zij niet ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar te worden gebruikt, hetgeen essentieel is voor de toepassing van de Speelgoedrichtlijn. Dit oordeel was gebaseerd op de expliciete waarschuwingen en verbodsborden op de verpakking, die aangeven dat het geen speelgoed betreft en niet geschikt is voor kinderen onder 14 of 18 jaar.
De Hoge Raad bevestigt dat een CE-markering niet doorslaggevend is voor de kwalificatie als speelgoed en dat de importeur niet eenzijdig kan bepalen dat een product als speelgoed op de markt wordt gebracht. Ook de waarschuwingen van de fabrikant zijn relevant. Zelfs als de imitatiepistolen als speelgoed zouden worden beschouwd, vallen zij onder de uitzonderingscategorie voor verzamelaars, waardoor het bezit strafbaar blijft.
Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte gehandhaafd blijft.