Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Molenbergnatie [4] leidt het Hof af dat een bepaling inzake het tenietgaan van de douaneschuld een materieel voorschrift is. Hieruit volgt dat artikel 124(1)a DWU in beginsel geen toepassing kan vinden op de onderwerpelijke douaneschuld, aangezien deze is ontstaan vóór het van toepassing worden van dit artikel.
3.Het geding in cassatie
Molenbergnatievolgt dat artikel 124(1)a DWU in beginsel geen toepassing kan vinden op de douaneschuld omdat deze is ontstaan vóór het van toepassing worden van dit artikel niet juist. In dit geval is, anders dan in de zaak die ten grondslag ligt aan
Molenbergnatie, ten tijde van de inwerkingtreding van het DWU sprake van een lopende verjaringstermijn. Er is geen sprake van een schuld die reeds is verjaard en tenietgegaan (en met terugwerkende kracht weer invorderbaar wordt). Bovendien wordt de driejaarstermijn opgeschort in verband met het recht van belanghebbende om zich te verdedigen; de reactietermijn is bedoeld om de rechten van de schuldenaar te waarborgen. Artikel 103(3)b DWU is een procedurele bepaling die in samenhang met de procedurele regel van artikel 22(6) DWU dient te worden toegepast op de mededeling van een douaneschuld die is ontstaan vóór 1 mei 2016, maar waarvoor de mededeling heeft plaatsgevonden na die datum.
4.Beschouwing
Transport Maatschappij Traffic [9] heeft het HvJ bepaald dat het ontstaan van de douaneschuld voorafgaat aan de mededeling van het bedrag ervan en dus noodzakelijkerwijs los staat van deze mededeling. De mededeling kan niet van invloed zijn op het bestaan van de douaneschuld.
Wandel [11] overwoog het HvJ dat artikel 201(2) CDW slechts van toepassing is, als het belastbare feit van artikel 201(1)a CDW zich voordoet. Ik citeer:
Transport Maatschappij Trafficdan ook niet.
Molenbergnatieheeft het HvJ beslist dat het verstrijken van de termijn van drie jaar tot gevolg heeft dat de douaneschuld niet meer kan worden ingevorderd. Het HvJ overweegt ter zake:
Molenbergnatie.
Meridionale Industria Salumi e.a. [20] ,ook wel bekend onder de naam
Salumi II:
CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux BV/Commissie [21] ging het om een bepaling waarin een termijn was neergelegd waarbinnen de Commissie moet beslissen bij de behandeling van verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding. De nationale autoriteit die het verzoek aan de Commissie ter beoordeling heeft voorgelegd, was verplicht het verzoek van de betrokkene in te willigen indien de Commissie haar beschikking niet binnen de termijn heeft gegeven. Het HvJ oordeelt dat het hier om procedureregels gaat. [22] De nieuwe regeling, die in een langere termijn voorzag, was daarom van toepassing. Een bepaling die een bepaalde termijn voorschrijft voor het geven van een beschikking moet dus volgens dit arrest als een procedureregel worden gezien.
Tsapalos en Diamantakis [23] ging het om richtlijn 76/308/EEG [24] betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van bepaalde schuldvorderingen. De verwijzende rechter wenste te vernemen of deze richtlijn van toepassing is op schuldvorderingen die zijn ontstaan voordat de richtlijn in werking is getreden. Het HvJ antwoordt dat dit het geval is. De bepalingen van de richtlijn moeten als procedureregels worden aangemerkt, aangezien de richtlijn alleen de erkenning en de executie van bepaalde categorieën van in een andere lidstaat ontstane schuldvorderingen regelt, zonder voorschriften inzake hun ontstaan of omvang vast te stellen (zie punt 20 van het arrest). Met name de laatste zinsnede lijkt mij van belang, omdat het HvJ daarin impliciet aangeeft dat materiële voorschriften betrekking hebben op het ontstaan of de omvang van (schuld)vorderingen.
Ilumitrónica [25] overweegt het HvJ dat artikel 201(3) CDW een nieuwe bepaling vormt die niet kan worden toegepast op invoer die vóór de inwerkingtreding ervan heeft plaatsgevonden (zie punt 27 van het arrest). Het HvJ herinnert daarbij aan zijn vaste rechtspraak over de toepassing van procedureregels en materiële regels (zie punt 29 van het arrest). Daaruit maak ik op dat artikel 201(3) CDW een materiële regel is. [26] In dit artikel is geregeld welke personen schuldenaar van een douaneschuld bij invoer (kunnen) zijn.
Mitsui & Co. Deutschland [27] lag de vraag voor of het gewijzigde artikel 145(2 en 3) Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek [28] (UCDW) van toepassing is op importen waarvoor de douaneaangiften zijn aanvaard voor de datum waarop de bepaling is gewijzigd. Het HvJ komt tot de conclusie dat de bepaling niet van toepassing is op situaties die zijn ontstaan voor het van toepassing worden van de gewijzigde bepaling. Hoewel het HvJ dit niet expliciet overweegt, maak ik uit het arrest op dat deze bepaling kennelijk een materiële bepaling is. [29] In zijn conclusie bij het arrest meent A-G Mazák eveneens dat dit het geval is. Hij overweegt ter zake:
Beemsterboer [30] ging het om de toepassing van Verordening (EG) nr. 2700/2000 [31] die artikel 220(2)b CDW met ingang van 19 december 2000 wijzigde. Gerechtshof Amsterdam heeft de prejudiciële vraag voorgelegd of het gewijzigde artikel toepassing kan vinden in een geval waarin de douaneschuld is ontstaan en de navordering heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van die bepaling. Het HvJ overweegt dat artikel 220(2)b CDW een materieelrechtelijk voorschrift bevat voor zover daarin wordt bepaald onder welke omstandigheden een belastingschuldige van de navordering van invoerrechten kan worden vrijgesteld wanneer de douaneautoriteiten een vergissing hebben gemaakt. Deze bepaling is in beginsel [32] niet van toepassing op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties (zie punt 20 van het arrest). A-G Kokott overweegt dat de bewoordingen en de inhoud van artikel 220 CDW Pro op het eerste gezicht doen vermoeden dat het zwaartepunt van deze bepaling ligt op het procedurele vlak. [33] Zo spreekt het artikel van “boeking”, voorziet het in een termijn en bevat het met betrekking tot de omvang van de douaneschuld geen zelfstandige regelingen, maar verwijst het naar het “wettelijk verschuldigd bedrag”. Toch komt de A-G tot de conclusie dat het artikel
ookeen materieelrechtelijke inhoud heeft. Het artikel dient ertoe te bepalen of een schuldenaar een wettelijk verschuldigd bedrag aan rechten nog moet betalen (nabetalen) of niet (zie punt 24 van de conclusie). Het HvJ heeft zijn A-G op dit punt derhalve gevolgd.
Molenbergnatie. In dit arrest kwam de vraag op of artikel 221(3) CDW een materieelrechtelijke bepaling is. Aangezien deze bepaling een termijn voorschrijft waarbinnen de mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar moet plaatsvinden, ligt het voor de hand aan te nemen dat het hier om een procedurele regel gaat. Het HvJ ziet dit echter anders.
Molenbergnatieafwijken van die bepaling in de geding zijnde periode. Artikel 221(3) CDW luidde destijds:
Molenbergnatiebetoogd dat artikel 221(3) CDW een procedurele bepaling is. Hij gaat daarbij ervan uit dat de douaneschuld niet teniet gaat indien het bedrag aan rechten niet binnen de termijn aan de schuldenaar is meegedeeld, doch dat deze schuld (slechts) niet langer kan worden ingevorderd. [34] De A-G wijst in dit verband onder meer erop dat het HvJ in
Conserchimica [35] de met artikel 221(3) CDW overeenkomstige termijn in verordening nr. 1697/79 als een ‘vervaltermijn’ heeft aangemerkt. Bovendien acht hij redengevend dat in artikel 233 CDW Pro een exhaustieve opsomming is gegeven van de situaties waarin een douaneschuld kan tenietgaan, en het verstrijken van de termijn van artikel 221(3) CDW daarin niet wordt genoemd.
Josef Vosding e.a. [36] uit zij kritiek op het oordeel van het HvJ in
Molenbergnatie. Zij betoogt dat de redenering van het HvJ mank gaat. A-G Sharpston onderbouwt dit door erop te wijzen dat het enkele feit dat een verjaringstermijn is verstreken en de schuldeiser hierdoor niet het hem verschuldigde bedrag kan terugvorderen, noch de schuld zelf, noch de gevolgen ervan teniet doen gaan. Schulden gaan in de regel teniet door hetzij kwijtschelding door de schuldeiser, hetzij betaling door de schuldenaar. Het verstrijken van een verjaringstermijn is met geen van tweeën te vergelijken. In plaats daarvan behoort, aldus A-G Sharpston, een verjaringstermijn strikt genomen tot de procedureregels (zie punt 32 van de conclusie).
Josef Vosding e.a.ging het om een verjaringstermijn voor de terugvordering van als uitvoerrestituties betaalde geldbedragen die op grond van onregelmatigheden moesten worden terugbetaald. De vraag lag voor of deze verjaringstermijn kan worden toegepast op situaties die vóór de inwerkingtreding van de verordening zijn ontstaan. A-G Sharpston concludeerde dat dit het geval was omdat de verjaringstermijn een procedureel voorschrift is. Het HvJ oordeelt eveneens dat de verjaringstermijn kan worden toegepast op vóór de inwerkingtreding van de verordening begane onregelmatigheden (zie punt 34). Uit het arrest wordt echter niet duidelijk wat de precieze reden hiervoor is. Evenmin valt in het arrest te lezen dat het HvJ hier terugkomt van zijn beslissing in
Molenbergnatie.
Josef Vosding e.a.om een andere verordening [37] ging dan in
Molenbergnatie. Bovendien gaat de zaak over een ander rechtsgebied. Het is dus maar zeer de vraag of het HvJ, zoals A-G Sharpston van mening was, ook van oordeel is dat de verjaringstermijnen uit beide zaken voldoende vergelijkbaar zijn. Een belangrijk verschil is mijn inziens dat de verordening in de zaak
Josef Vosding e.a.niet een bepaling kent die vergelijkbaar is met artikel 233 CDW Pro, op grond waarvan het HvJ in
Molenbergnatietot het oordeel kwam dat de verjaringstermijn een materiële regel is.
Josef Vosding e.a.niet is teruggekomen op zijn beslissing uit
Molenbergnatie.
Salumiheeft het HvJ beslist dat de procedureregels van de aan de orde zijnde nieuwe Unieregeling niet toegepast worden op voor de inwerkingtreding van de regeling ontstane gevallen, omdat bij de nieuwe regeling sprake was van een gemengd geheel van materiële en procedureregels die onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Voor de inwerkingtreding van de Unieregeling werd de materie geheel geregeld door het nationale recht. Als de nieuwe Unieregeling op reeds aanhangige gedingen zou worden toegepast, zou dit - afhankelijk van de verschillen tussen de nationale praktijken - tot ongerechtvaardigde verschillen in behandeling van in vergelijkbare omstandigheden verrichte transacties kunnen leiden, wat in strijd zou zijn met het gelijkheids- en billikheidsbeginsel (zie punten 11 tot en met 14).
Beemsterboer. Het HvJ heeft in dit arrest eerst vastgesteld dat artikel 220(2)b CDW een materieel voorschrift bevat, namelijk voor zover daarin is bepaald onder welke omstandigheden een belastingschuldige van de navordering van invoerrechten kan worden vrijgesteld wanneer de douaneautoriteiten een vergissing hebben gemaakt. Vervolgens leidt het HvJ uit de considerans van de verordening waarbij de wijziging van artikel 220(2)b CDW is ingevoerd af dat het artikel geen inhoudelijke wijziging aanbrengt, doch strekt ter verduidelijking van de begrippen, die al in de oorspronkelijke versie van artikel 220 voorkwamen Pro en waren gepreciseerd in de rechtspraak van het HvJ. Het HvJ stelt vast dat de nieuwe tekst van artikel 220(2)b CDW een interpretatieve bepaling is die moet worden toegepast op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties. [40]
Beemsterboerstonden deze beginselen niet in de weg aan het toepassen van de regels op bestaande situaties. De nieuwe tekst van artikel 220(2)b CDW beoogt meer rechtszekerheid te bieden en met deze tekst wordt de bescherming van het vertrouwen van de betrokken marktdeelnemers met betrekking tot vergissingen van de douaneautoriteiten verstrekt. [41]
Molenbergnatie, moet worden opgemaakt dat artikel 103(1) DWU waarin de verjaringstermijn van een douaneschuld is opgenomen, een materieel voorschrift is.
Molenbergnatieging over de ‘oude bewoordingen’ van artikel 221(3) CDW (zie onderdeel 4.41 van deze conclusie). De bepaling was negatief geformuleerd. Daarin was duidelijker sprake van een vervaltermijn. Nu is de bepaling positief geformuleerd. Het lijkt mij dat het HvJ ook bij de huidige tekst zal oordelen dat sprake is van een verjaringstermijn, vooral nu in de titel van artikel 103 DWU Pro ‘verjaringstermijnen’ staat. Nog duidelijker dan voorheen in artikel 233 CDW Pro was opgenomen, schrijft artikel 124 DWU Pro thans uitdrukkelijk voor dat een douaneschuld teniet gaat wanneer deze overeenkomstig artikel 103 DWU Pro niet meer aan de schuldenaar kan worden meegedeeld. Daaruit volgt dat artikel 103(1) DWU materiële werking heeft. Het verstrijken van de termijn heeft tot gevolg dat de douaneschuld teniet gaat.