Conclusie
middelklaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit houder van het voertuig was.
NJ2016/430, m.nt. Van Kempen overwogen dat in bepaalde gevallen waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting — waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht — onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft. De Hoge Raad benadrukt echter ook dat het hier gaat om een onderwerp “waarbij bijzondere voorzichtigheid is geboden”. Wat de onderhavige zaak betreft, kan, denk ik, het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het voorhouden van de (korte) inhoud van de aldaar genoemde stukken, niet leiden tot de slotsom dat de verdachte een rechtens te respecteren belang bij cassatie ontbeert. [1] Ook niet als onder de in hoger beroep voorgehouden stukken het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg moet worden begrepen. Ik noem hier juist dit proces-verbaal, om er op te wijzen dat daarin staat vermeld dat de raadsman op die terechtzitting heeft verklaard: “Hetgeen mijn cliënt in de tenlastelegging wordt verweten is juist”, waarbij hij kennelijk het oog had op het subsidiair tenlastegelegde, [2] maar ook om daarop direct te laten volgen dat deze verklaring van de raadsman niet als wettig bewijsmiddel kan gelden. [3]