Conclusie
middelkeert zich tegen de beslissing van het hof tot – kort gezegd – het in hoger beroep buiten behandeling laten van de vordering tot tenuitvoerlegging.
raadsmanwordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De raadsman geeft aan dat zijn cliënt het niet eens is met de veroordeling ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-036386-17 onder 1 ten laste gelegde en de daaraan gekoppelde straf. Daarnaast voert de raadsman aan dat verdachte zich niet kan verenigen met de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14.
voorzitterconstateert dat uit de in het procesdossier aanwezige stukken omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14, blijkt dat de vordering gekoppeld is aan het onder parketnummer 16-137683-16 ten laste gelegde feit. Dit feit is gezien de inhoud van de akte rechtsmiddel in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hoger beroep is daarin namelijk beperkt tot het in de zaak met parketnummer 16-036386-17 onder 1 ten laste gelegde. In het licht van het bepaalde in artikel 407 van Pro het Wetboek van Strafvordering mag het hof niet oordelen over de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16-659564-14. Deze vordering is immers niet aanhangig nu er geen hoger beroep is ingesteld tegen de daaraan gekoppelde hoofdzaak.
De advocaat-generaal reageert:
De raadsman reageert:
NJ2001/353 deed zich het volgende voor. In eerste aanleg waren twee inleidende dagvaardingen uitgebracht (drie feiten in zaak A en vier feiten in zaak B) en een vordering tot tenuitvoerlegging (zaak C). De vordering tot tenuitvoerlegging vermeldde als grond (door mij samengevat) dat de veroordeelde zich had schuldig gemaakt aan een of meer strafbare feiten zoals tenlastegelegd in zaak A. De rechtbank beval de voeging van de bij afzonderlijke dagvaardingen aangebrachte zaken A en B, veroordeelde de verdachte voor alle feiten in zaak A en twee feiten in zaak B, en gelastte daarnaast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. De verdachte ging in appel en trok daarna het hoger beroep aangaande zaak B in. In hoger beroep nam de advocaat-generaal het volgende standpunt in (ik, AG, citeer uit het arrest van de Hoge Raad): "3(v) Als de grondslag van de vordering tenuitvoerlegging fungeert niet slechts de in eerste aanleg gevoegde zaak A; het gaat erom of de algemene voorwaarden zijn overtreden. (...) De straf voor de feiten in zaak B dient te worden bepaald op drie maanden gevangenisstraf". De raadsman betoogde daarentegen dat een vrijspraak in zaak A meebracht dat tevens de vordering tot tenuitvoerlegging moest worden afgewezen, nu deze vordering uitdrukkelijk naar zaak A verwees, zodat uitsluitend het in zaak A tenlastegelegde als grondslag voor toewijzing kon dienen. Het hof zag dat anders. Weliswaar sprak het de verdachte van alle feiten in zaak A vrij, maar het wees wel de vordering tot tenuitvoerlegging in zaak C toe. Het motiveerde deze beslissing als volgt: “Waar ter terechtzitting in eerste aanleg de voeging van de afzonderlijk aangebrachte zaken A en B is bevolen en de rechtbank bij gelegenheid van een veroordeling ter zake van de aldus gevoegde tenlastegelegde feiten de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf heeft toegewezen, is voldaan aan de vereisten die door artikel 14g van het Wetboek van Strafvordering (bedoeld zal zijn: Strafrecht, AG) aan de toewijzing van een dergelijke vordering worden gesteld. De strekking van artikel 14g in samenhang met artikel 407 van Pro het Wetboek van Strafvordering brengt evenwel niet mee dat in het geval het hoger beroep niet alle gevoegde zaken betreft, de toewijzing van meerbedoelde vordering opnieuw afhankelijk wordt gesteld van veroordeling ter zake van het tenlastegelegde in de zaak waarbij zij aanvankelijk aan de rechter werd voorgelegd. In hoger beroep ziet het hof zich derhalve voor de taak gesteld te bezien of het – in het licht van een inmiddels onherroepelijk geworden veroordeling in eerste aanleg en/of een veroordeling in hoger beroep – termen vindt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te gelasten". De Hoge Raad oordeelde als volgt:
NJ2003/115 zag op twee dagvaardingen (zaken A en B) en een vordering tot tenuitvoerlegging (zaak C). De politierechter voegde de zaken A en B, veroordeelde de verdachte ter zake van de feiten in de (gevoegde) zaken A en B en wees de vordering tot tenuitvoerlegging toe. Namens de verdachte werd hoger beroep ingesteld. Vervolgens werd het hoger beroep ingetrokken voor zover het de zaken A en C betrof. Het hof overwoog onder het hoofd “Omvang van het hoger beroep” dat blijkens mededeling van de raadsman ter ’s hofs terechtzitting het hoger beroep van de verdachte, voor zover dit betrof de zaak A en de van het vonnis waarvan beroep deeluitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak C, voor de aanvang van de terechtzitting was ingetrokken en dat derhalve alleen zaak B aan zijn oordeel was onderworpen. Met dat oordeel had het hof art. 407 Sv Pro niet miskend, aldus de Hoge Raad (ambtshalve), die daarop liet volgen:
NJ2010/73 was het volgende aan de orde. Aanvankelijk was de verdachte bij twee inleidende dagvaardingen – in de zaken B en C – gedagvaard ter terechtzitting van de rechtbank. Ook was hij voor die terechtzitting opgeroepen voor de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging, die (kort gezegd) inhield dat de verdachte (veroordeelde) zich had schuldig gemaakt aan strafbare feiten zoals tenlastegelegd in zaak B. Vervolgens schorste de rechtbank het onderzoek ter voeging en gelijktijdige behandeling van de zaken B en C met een nieuwe zaak, de zaak A. Op de daaropvolgende zitting beval zij de voeging van de zaken A, B en C. De rechtbank sprak de verdachte van zaak B en enkele feiten in de zaken A en C vrij en veroordeelde hem voor de andere feiten in de zaken A en C. Voorts gelastte de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging. In dat verband merkte zij nog op dat de vordering tot tenuitvoerlegging was gevoegd met de behandeling van zaak B, ten aanzien waarvan de verdachte was vrijgesproken, maar dat daarin geen beletsel was gelegen nu op de zitting ook andere feiten waren behandeld ter zake waarvan verdachte wel was veroordeeld. Namens de verdachte werd hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep vorderde de advocaat-generaal: “dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen”. Het hof vatte het hoger beroep als te zijn beperkt tot het in zaak A en in zaak C tenlastegelegde. Vervolgens veroordeelde het hof de verdachte ter zake van die feiten en wees het voorts de vordering tot tenuitvoerlegging toe, daarbij (onder meer) overwegende: