Conclusie
middelkomt met twee motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij inzake feit 1, voor zover dit “liggeld” betreft, kan worden toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.
de voorzitterhet onderzoek ter terechtzitting gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
de voorzitterde uitspraak van het hof mede, inhoudende dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder één en twee tenlastegelegde conform de bewezenverklaring van de politierechter. Dit houdt in dat ter zake van feit één van alle goederen, met uitzondering van de zeilboot, bewezen wordt verklaard dat verdachte deze heeft weggenomen. De goederen zijn door verdachte van de boot gehaald en op het karretje geladen. Daarmee heeft verdachte met deze spullen gedaan wat hem goeddunkt en is de diefstal voltooid.
“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
NJ2008/55, m.nt. Hijma geoordeeld dat tevergeefs gemaakte kosten kunnen gelden als vermogensschade:
NJ2010/579, m.nt. Hijma van belang. In deze zaak moest de koper van een plezierjacht gedurende enige tijd het genot daarvan gedeeltelijk missen vanwege gebreken waarvoor de verkoper aansprakelijk was. De koper vorderde schadevergoeding wegens wanprestatie. Daartoe voerde hij aan dat hij uitgaven had gedaan ter verkrijging van onstoffelijk voordeel (o.a. het betalen van liggeld), maar dat het voordeel was uitgebleven nu hij het jacht onder meer een aantal dagen niet kon gebruiken en minder snel kon varen, zodat de uitgaven hun doel hadden gemist. Het oordeel van het hof dat het genot dat de koper had moeten missen zo gering van omvang was dat de daardoor geleden onstoffelijke schade niet voor vergoeding in aanmerking kwam, achtte de Hoge Raad niet onjuist. De Hoge Raad overwoog daarbij in het bijzonder dat niet kon worden gezegd dat het onstoffelijk voordeel de koper geheel was ontgaan, en dat de uitgaven hun doel geheel hadden gemist.
tevergeefsmoeten zijn, de uitgaven moeten hun doel hebben gemist. Uitgaven die hun doel niet (geheel) missen, zijn immers niet tevergeefs. [7] In de tweede plaats komen alleen de schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een causaal verband staan tot de tevergeefs gemaakte kosten. Daarbij verdient opmerking dat een enkel
condicio sine qua non-verband hier niet volstaat. In overeenstemming met art. 6:98 BW Pro dient ook te worden beoordeeld of de tevergeefs gemaakte kosten in een zodanig verband staan met de tekortkoming dat zij in redelijkheid aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend. [8] Voor beantwoording van de vraag welke schade in redelijkheid aan de schuldenaar kan worden toegerekend, zijn onder meer de voorzienbaarheid van de gevolgen, de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade en de mate van schuld van belang. [9]