Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Gevelbekleding met panelen; eisen voor decoratieve platen gebaseerd op thermohardende hars.” De datum van uitgave van BRL 4101-4, die in de periode van eind 1998 tot medio 2000 werd toegepast, is volgens het deskundigenrapport 15 juli 1996. Volgens de deskundige is deze BRL 4101-4 uitermate geschikt voor het beoordelen van de BAQ-platen van Prodema omdat BRL 4101-4 eisen stelt aan HPL-platen die voor decoratieve doeleinden in buitensituaties worden gebruikt; de testmethodes en de minimum te behalen waarden worden hierin omschreven.
Uit de beantwoording door TNO in opdracht van KIWA blijkt dat de platen o.i.v. UV-stralen te veel verkleuren, te veel glans verliezen en een te grote mate van scheurvorming vertonen. De eerste twee uitkomsten en ook in enige mate de laatstgenoemde uitkomst betreffen het aanzien van de platen en betekenen dat deze ongeschikt waren met het oog op hun toepassing als decoratieve platen voor buitengebruik. De laatste uitkomst heeft ook een negatief effect op de technische kwaliteit en daarmee op de technische levensduur omdat scheuren kunnen leiden tot delaminatie en het in de elementen dringen van vocht, vuil en ongedierte. Ook dit maakt de platen gezien hun toepassing ongeschikt. Het optreden van blazen op het oppervlak, zoals te zien bij de eveneens door TNO uitgevoerde duurzaamheidstest, heeft eveneens een onacceptabel negatieve invloed op het uiterlijk van de BAQ-platen. Bovendien kunnen blazen de aanzet vormen voor [e]en versnelde degradatie.”
De onderzochte materialen voldoen niet aan de eisen gesteld in BRL4101 deel 4 voor wat betreft UV-bestendigheid. De verandering in kleur is na 2000 uur groter dan trap 3, de scheurvorming is groter dan klasse 1 en het glansverlies is groter dan 50%.”
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1, dat uit twee subonderdelen bestaat, richt Prodema zich tegen het oordeel in rov. 4.17. van het 2011-arrest dat de verjaringstermijn van art. 7:23 BW Pro niet van toepassing is.
Subonderdeel 1.1betoogt dat het hof in strijd met het recht heeft geoordeeld dat art. 7:23 lid 2 BW Pro toepassing mist, omdat Bouwfonds haar vorderingen – ook voor zover het de vorderingen van de bewoners betreft – niet baseert op een koopovereenkomst tussen haar c.q. de bewoners en Prodema.
Subonderdeel 1.2betoogt dat de beslissing onbegrijpelijk is, omdat het hof niet kenbaar heeft gerespondeerd op een twaalftal in het subonderdeel opgesomde stellingen die door Prodema zouden zijn ingenomen.
subonderdeel 1.1faalt.
subonderdeel 1.2, nu het subonderdeel niet verwijst naar stellingen die, indien juist bevonden, tot het oordeel zouden (kunnen) leiden dat Bouwfonds zich er wél juridisch of feitelijk op heeft beroepen dat Prodema en/of Mikas als verkoper is/zijn tekortgeschoten in de nakoming van een koopovereenkomst. Het hof behoefde de in het subonderdeel aangehaalde stellingen in dit kader dan ook niet expliciet te bespreken. Het voorgaande geldt niet voor de onder j. genoemde stelling, die inhoudt dat de feitelijke grondslag van de vordering van Bouwfonds is dat de door Prodema geleverde zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, maar het hof heeft deze stelling expliciet verworpen (rov. 4.17. (Prodema) en 4.22. (Mikas) van het 2011-arrest), zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist.
onderdeel 1faalt.
onderdeel 4(Mikas) richten zich tegen de verwerping van het beroep op verjaring ex art. 3:310 lid 1 BW Pro in rov. 4.18.5. (Prodema) en 4.23.4. (Mikas). Beide rechtsoverwegingen zijn, behoudens de aanduiding ‘Prodema’ c.q. ‘Mikas’, gelijkluidend. De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdelen 2.1 ad a. en 4.1, 3e gedachtestreepjerichten zich tegen de overweging in de bestreden rechtsoverwegingen dat de klachten ten aanzien van de BAQ-platen in ieder geval tot 1 december 1999 (Prodema) dan wel 18 november 1999 (Mikas) divers van aard waren. Deze overweging is volgens de subonderdelen onbegrijpelijk, omdat de klachten steeds verkleuring van de platen zouden betreffen en dus niet ‘divers van aard’ zouden zijn. Dit heeft Prodema, zo vermeldt het namens haar ingediende subonderdeel, bij conclusie van dupliek ook aangevoerd. Het hof heeft het oordeel dat sprake was van klachten van diverse aard gebaseerd op de in de bestreden rechtsoverwegingen genoemde stukken. Uit deze stukken volgt dat, naast enkele klachten over verkleuring, ook sprake was van klachten over (onder meer) blaasvorming en een gelige vloeistof die van de platen afkomstig was. [28] De subonderdelen falen derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdelen 2.1 ad b. en 4.2beroepen Prodema c.s. zich erop dat Bouwfonds in een bespreking op 17 december 1999 heeft aangegeven: “Vanuit koper is er tot op heden nog geen formele klacht ingediend. Op dit moment zullen daarom geen verdere stappen worden ondernomen.”. [29] De subonderdelen betogen dat uit deze verklaring volgt dat Bouwfonds zich dus wel bewust was van de mogelijkheid tot het nemen van formele stappen en dat daarom onbegrijpelijk is het oordeel dat Bouwfonds nog geen redelijke zekerheid had dat de oorzaak van de klachten was gelegen in ongeschiktheid van de BAQ-platen. De klachten falen. Nog daargelaten dat uit de enkele mededeling, dat (nog) geen verdere stappen worden ondernomen, nog niet noodzakelijkerwijs hoeft te volgen dat de betreffende partij daadwerkelijk bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon, [30] gaat het hier om een mededeling van Bouwfonds gedaan na 1 december 1999. Het hof heeft vastgesteld dat Bouwfonds de verjaring op 1 december 2004 (Prodema, rov. 4.19. van het 2011-arrest) resp. 18 november 2004 (Mikas, rov. 4.23.5. van het 2011-arrest) heeft gestuit, zodat ook als moet worden aangenomen dat Bouwfonds op 17 december 1999 bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, dit niet noodzakelijkerwijs in de weg hoeft te staan aan het oordeel dat de vorderingen van Bouwfonds niet zijn verjaard. De subonderdelen falen.
subonderdeel 2.2, voor zover het subonderdeel zich (aldus voortbouwend op
subonderdeel 2.1 ad b.) beroept op de uitlating van Bouwfonds van 17 december 1999. Het subonderdeel betoogt verder dat het oordeel in rov. 4.18.5. van het 2011-arrest, dat de oorzaak van de klachten ook in iets anders zou kunnen zijn gelegen dan ongeschiktheid van de BAQ-platen, onbegrijpelijk is, omdat het hof dit niet motiveert. Het subonderdeel faalt in de eerste plaats omdat de klacht een overweging ten overvloede bestrijdt, zodat de klacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. Daarnaast heeft het hof kennelijk het oog op het feit van algemene bekendheid (vgl. art. 149 lid 2 Rv Pro) dat klachten over reeds verwerkte bouwmaterialen niet alleen hun oorzaak kunnen hebben in de (on)geschiktheid van de materialen, maar ook in – onder meer – de wijze van transport, opslag en verwerking van de materialen, welke handelingen niet telkens voor risico van de verkoper hoeven te komen. Onbegrijpelijk is dit oordeel niet en het behoefde evenmin nadere motivering.
onderdeel 2en de
subonderdelen 4.1 en 4.2falen. Dat geldt daarmee ook voor
subonderdeel 4.3(en daarmee voor
onderdeel 4als geheel), dat op de subonderdelen 4.1 en 4.2 voortbouwt en voor
onderdeel 3, dat op de onderdelen 1 en 2 voortbouwt.
onderdeel 5richten Prodema c.s. zich tegen het oordeel dat Prodema c.s. onjuiste en misleidende mededelingen hebben gedaan (rov. 18.2.2-18.2.4 van het 2015-arrest). Dit oordeel houdt in dat Prodema c.s. in hun uitlatingen van 5 mei 1997, 30 oktober 1997 en 3 maart 1999 om drie redenen onjuiste c.q. misleidende mededelingen hebben gedaan. [33] In de eerste plaats is dat, omdat zij hebben nagelaten te vermelden dat het TNO-rapport van 1995 uitsluitend op de onderzochte factoren zag. In de tweede plaats omdat met de mededelingen de suggestie is gewekt dat de platen uitstekend bestand zijn tegen UV-straling, terwijl uit het TNO-rapport van (april) 1997 volgt dat de materialen niet voldoen aan de eisen gesteld in BRL-4101 deel 4 voor wat betreft UV-bestendigheid. Ten slotte rekent het hof Prodema c.s. aan dat zij in bedoelde uitlatingen de suggestie hebben gewekt dat een KOMO-certificaat voor buitengebruik van de BAQ-platen aanstaande was, terwijl een dergelijk certificaat juist niet is verleend vanwege de in het TNO-rapport van 1997 geconstateerde gebrekkige UV-bestendigheid. Het oordeel laat zich, samenvattend, aldus begrijpen dat Prodema c.s. medio 1997 wisten of behoorden te weten dat de BAQ-platen niet (afdoende) bestand waren tegen UV-straling, dat het TNO-rapport van 1995 – dat niet op UV-bestendigheid ziet – in zoverre dus niet adequaat (want onvolledig) [34] is om de geschiktheid van de platen aan te tonen en dat een KOMO-certificaat vanwege de onvoldoende UV-bestendigheid niet zou worden verleend.
subonderdeel 5.1is het oordeel dat sprake was van onjuiste en misleidende mededelingen onbegrijpelijk in het licht van een aantal in het subonderdeel opgenomen stellingen die Prodema in feitelijke instantie heeft ingenomen. Deze stellingen hebben gemeen dat zij zien op de periode vóór het TNO-rapport van 1997 dan wel betrekking hebben op de vraag of het initieel noodzakelijk was de BAQ-platen te testen op UV-bestendigheid. Daarmee doen de stellingen, verondersteld dat zij juist zouden zijn, niet af aan het oordeel dat Prodema c.s. vanaf medio 1997 wetenschap van de onvoldoende UV-bestendigheid en de onvolledigheid van het TNO-rapport uit 1995 hadden of behoorden te hebben en om die reden de – nadien gedane – mededelingen onjuist en misleidend zijn. Hierop stuiten de klachten van het subonderdeel af.
Subonderdeel 5.3faalt.
subonderdeel 5.2, dat het na het beschikbaar komen van het TNO-rapport van 1997 enige tijd zou duren, voordat de testresultaten zouden zijn doorgesijpeld in de organisatie. Ook bij dit subonderdeel laten Prodema c.s. na aan te geven of, en zo ja: waar, deze stelling in feitelijke instanties is ingenomen, zodat het middel in zoverre niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het subonderdeel betoogt verder dat het hof het recht heeft miskend door in rov. 18.3.2 van het 2015-arrest het standpunt te verwerpen dat de vraag of een mededeling al dan niet misleidend is, altijd beoordeeld moet worden naar de stand van de wetenschap ten tijde van het doen van de mededeling. Ik begrijp de bestreden overweging aldus dat het hof overweegt dat de beantwoording van de vraag of een bepaalde mededeling – in dit geval bijvoorbeeld de reclamefolder – misleidend is, door ontwikkelingen door de tijd heen anders kan worden beantwoord. In dit geval heeft het hof bij zijn beoordeling onder meer van belang geacht dat uit het TNO-rapport van 1997 volgt dat de platen onvoldoende UV-bestendig zijn en Prodema c.s. (in elk geval) op dat moment wisten of behoorden te weten dat een ongeclausuleerd beroep op het TNO-rapport van 1995 misleidend was. Dit oordeel brengt met zich dat de beoordeling of een reeds vóór dit moment van wetenschap (medio 1997) vervaardigde promotiefolder (vervaardigd in 1996, rov. 18.2.2 van het 2015-arrest) misleidend is, derhalve niet alleen dient plaats te vinden aan de hand van de stand van de wetenschap ten tijde van het vervaardigen van de promotiefolder, maar tevens aan de hand van de stand van de wetenschap ten tijde van het gebruik van de folder na het gereedkomen van het TNO-rapport van 1997. Het hof heeft met dit oordeel niet het recht miskend, zodat het subonderdeel faalt.
subonderdeel 5.1en faalt daarom in het spoor daarvan. Eén en ander brengt met zich dat
onderdeel 5faalt.
Subonderdeel 6.1bevat uitsluitend een inleiding waarin Prodema c.s. de algemene stelling innemen dat het hof met voornoemd oordeel het recht heeft geschonden, omdat Prodema c.s. voldoende omstandigheden zouden hebben gesteld – het subonderdeel licht niet toe welke – die objectieve twijfel over de onpartijdigheid van de deskundige zouden rechtvaardigen, dan wel doordat het hof zijn beslissingen in voornoemde rechtsoverwegingen onvoldoende zou hebben gemotiveerd. [35] Prodema c.s. hebben deze stellingen uitgewerkt in klachten in de
subonderdelen 6.2 en 6.3.
subonderdeel 6.3, dat betoogt dat het hof heeft miskend dat het had moeten beoordelen of de bezwaren twijfel over de deskundige en zijn rapport rechtvaardigden, althans dat het hof zijn oordeel dat de bezwaren geen twijfel rechtvaardigden onvoldoende heeft gemotiveerd.
subonderdeel 6.3vervatte rechtsklacht faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 6.3faalt. Daarmee faalt
onderdeel 6.
onderdeel 7faalt.
Subonderdeel 8.1bevat een inleiding op de klacht en in
subonderdeel 8.2worden de betreffende bezwaren opgesomd. De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdeel 8.2onder b. (het oordeel van de deskundige ten aanzien van de duurzaamheid van de lijmverbinding) en c. (het oordeel van de deskundige dat sprake was van onacceptabele en ernstige scheurvorming als gevolg van weersinvloeden). De in
subonderdeel 8.2onder a. genoemde klacht dat de deskundige heeft miskend dat slechts relevant is wat Prodema ten aanzien van verkleuring en glansverlies heeft gegarandeerd, stuit af op het feit dat het hof in rov. 4.27. van het 2011-arrest het beroep van Bouwfonds op een garantieverplichting aan de zijde van Prodema heeft verworpen.
subonderdeel 8.2onder d. genoemde bezwaar dat de deskundige het TNO-rapport uit 1998 veelvuldig gebruikt ter onderbouwing van zijn conclusies, terwijl dit een rapport is op basis van een zeer specifieke onderzoeksvraag waaruit geen algemene conclusies kunnen worden getrokken, kwalificeert niet als een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. De deskundige heeft zich immers niet uitsluitend op het TNO-rapport uit 1998 gebaseerd en het (gestelde) feit dat het TNO-onderzoek uit 1998 een beperkte onderzoeksvraag kende, maakt nog niet dat de deskundige zich in het geheel niet op het rapport kon baseren. In het in de memorie na deskundigenbericht van Prodema opgenomen bezwaar waar de klacht naar verwijst, [45] wordt niet toegelicht in hoeverre de deskundige in zijn rapport algemene conclusies heeft getrokken die de onderzoeksvraag van het TNO-rapport uit 1998 overstijgen en desalniettemin uitsluitend op dit rapport zijn gebaseerd.
subonderdeel 8.2onder e. genoemde bezwaar houdt, kort gezegd, in dat de deskundige aan in twee (in 1995 en 1998) door TNO uitgevoerde onderzoeken waarin blaasvorming is geconstateerd de conclusie koppelt dat de platen onvoldoende UV-bestendig zijn, terwijl die onderzoeken geen betrekking hadden op UV-bestendigheid, en de deskundige een onderzoek uit 1997, waarin UV-bestendigheid wel is onderzocht, buiten beschouwing laat. Met het bezwaar wordt kennelijk gedoeld op een passage in het deskundigenrapport bij het antwoord op de vraag waaruit de ongeschiktheid van de BAQ-platen bestaat (vraag 5). In de alinea’s voor en na de passage waar het bezwaar op doelt, heeft de deskundige, juist onder verwijzing naar het TNO-rapport uit 1997, aangegeven dat de ongeschiktheid vooral bestaat uit de onderzochte prestaties onder UV-belasting. Ook in het antwoord op vraag 7(c), die eveneens ziet op de UV-bestendigheid, heeft de deskundige naar het TNO-rapport uit 1997 verwezen. Voor zover de deskundige in de gewraakte passage – waarin hij inderdaad naar de onderzoeken uit 1995 en 1998 verwijst – een link legt tussen de in die passage genoemde delaminatie en de sterkte van de lijmverbinding en de – niet in de passage genoemde – UV-bestendigheid van de BAQ-platen, [46] volgt uit de gehele beantwoording van de vraag duidelijk dat de deskundige zich ten aanzien van de UV-bestendigheid in het bijzonder op het rapport uit 1997 baseert. Het in
subonderdeel 8.2onder e. genoemde bezwaar kwalificeert in dat licht niet als een voldoende gemotiveerde betwisting zoals hiervoor in randnummer 3.38 bedoeld.
subonderdeel 8.2onder f. genoemde bezwaar van Mikas dat de deskundige geen antwoord heeft gegeven op de vraag waarom de in het antwoord op de tweede vraag genoemde NEN- en NEN-EN-normen een geschikt beoordelingskader vormen, nu de deskundige de ongeschiktheid van de BAQ-platen op het gebied van UV-bestendigheid, waar het hof zijn oordeel op grondt, heeft beoordeeld aan de hand van de BRL 4101-4. [47] Om dezelfde reden hoefde het hof ook niet in te gaan op het in
subonderdeel 8.2onder g. genoemde bezwaar, dat eveneens ziet op de hiervoor bedoelde NEN- en NEN-EN-normen. De onder randnummers 17-19 in de door Mikas genomen antwoordmemorie na deskundigenbericht opgenomen bezwaren, waar in het
subonderdeel 8.2onder f. eveneens naar wordt verwezen, veronderstellen dat de BRL 4101-4 als secundaire norm moet worden opgevat. Dit standpunt is in rov. 18.1.5 van het 2015-arrest verworpen (zie ook hiervoor randnummer 3.32), zodat het hof het bezwaar niet verder hoefde te bespreken.
nietgeschikt waren voor buitengebruik, mist de klacht, dat het hof niet op deze stelling heeft gerespondeerd, feitelijke grondslag. [48]
onderdeel 8faalt.
onderdelen 9 (Prodema) en 10 (Mikas)betogen, samengevat, dat het hof ten onrechte niet heeft beslist over het beroep van Prodema c.s. op derdenwerking van het door Prodema met haar afnemers overeengekomen exoneratiebeding. Hoewel de onderdelen terecht constateren dat het hof niet op het beroep op derdenwerking heeft beslist, is de klacht prematuur. Kennelijk heeft het hof gemeend het beroep op derdenwerking van het exoneratiebeding te behandelen bij of na het oordeel over de hoogte van de schade. Die vrijheid heeft het hof als feitenrechter, zodat niet kan worden geoordeeld dat het hof
ten onrechteniet op het beroep op derdenwerking heeft beslist. [49]
onderdelen 9 en 10falen.
onderdeel 11, dat in
subonderdeel 11.1betoogt dat juist wel vereist is dat het bedrijf dat schade lijdt door toedoen van misleidende reclame
zelfde betrokken reclame-uiting onder ogen moet hebben gehad.
World Online-arrest [50] heeft Uw Raad overwogen dat art. 6:194 BW Pro (oud) [51] de gewone regels betreffende stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de misleidende mededeling en de schade onverlet laat. In die, door twee belangenorganisaties aanhangig gemaakte, zaak staat centraal de positie van beleggers van wie de belangenverenigingen stelden dat zij bij hun beleggingsbeslissing waren afgegaan op misleidende mededelingen. Uw Raad stelde in dit verband vast dat de belegger de stelplicht en bewijslast draagt ter zake van het
condicio sine qua non-verband. Vervolgens heeft Uw Raad als volgt overwogen in rov. 4.11.1 van het arrest:
subonderdelen 11.2 en 11.3die op
subonderdeel 11.1voortbouwen.
Onderdeel 11faalt derhalve.
onderdelen 13 en 14wijzen erop dat uit rov. 18.2.2 en 18.2.3 [55] van het 2015-arrest volgt dat het hof de door Prodema c.s. gedane mededelingen op drie “gronden in hun onderlinge samenhang bezien” onjuist of misleidend acht. De eerste grond betreft het oordeel dat Prodema, door (i) in de brieven het TNO-onderzoek met conclusie te vermelden, zonder te vermelden dat deze conclusie alleen de door TNO onderzochte factoren betrof, en (ii) tegelijk een promotiefolder mee te zenden waarin staat vermeld dat de platen uitstekend bestand zijn tegen UV-straling, op zijn minst de suggestie heeft gewekt dat de UV-bestendigheid van de BAQ-platen tot de door TNO onderzochte factoren behoorde en mede heeft bijgedragen aan de positieve conclusie van TNO omtrent de geschiktheid van de BAQ-platen voor buitengebruik. De onderdelen betogen dat het hof, gelet op de bewoordingen “in hun onderlinge samenhang bezien”, de drie genoemde elementen cumulatief als misleidend heeft bestempeld.
onderdelen 13 en 14falen.
subonderdeel 12.1faalt.
Subonderdeel 12.2betoogt dat het hof daarmee onvoldoende (begrijpelijk) heeft gerespondeerd op het betoog van Prodema c.s. dat uit de getuigenverklaringen van twee (voormalig) medewerkers van Mikas, kort gezegd, zou volgen dat de architecten voor de BAQ-platen hebben gekozen vanwege de uitstraling van het product, het feit dat iedereen destijds lyrisch over het product was en zij het product kenden van andere (bekende) projecten waar het was toegepast. Dit zou, volgens het subonderdeel, in de weg staan aan het causaal verband tussen de misleidende informatie en de beslissing de platen toe te passen.
Subonderdeel 12.2faalt derhalve.
nietop grond van de folders en of brieven zijn genomen, verworpen zodat
subonderdeel 12.3bij gebrek aan feitelijke grondslag faalt.
onderdeel 12faalt.
onderdeel 15richten Prodema c.s. zich tegen rov. 24.3 van het 2017-arrest. Het onderdeel betoogt ten eerste dat onbegrijpelijk is dat het hof het onder b) van het probandum bepaalde [57] bewezen acht, nu getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij niet meer weet of hij de informatie inzake de BAQ-platen heeft opgevraagd ten behoeve van het project Oosterhout of het (eerdere) project Huizen en het hof in rov 18.2.5 van het 2015-arrest de stelling van Bouwfonds heeft verworpen dat ook causaal verband bestaat als een op een geheel andere grond genomen beslissing om de BAQ-platen voor te schrijven niet is teruggedraaid, maar juist gehandhaafd, op grond van de onjuiste c.q. misleidende informatie. De klacht faalt. Met het oordeel in het 2015-arrest heeft het hof geoordeeld dat voor causaal verband vereist is dat de voorschrijfbeslissing op grond van de misleidende informatie is genomen (in plaats van: ‘niet teruggedraaid’). Het oordeel houdt echter niet in dat de misleidende informatie moet zijn opgevraagd of verkregen met het oog op het project in het kader waarvan schadevergoeding wordt gevorderd. Ook als getuige [getuige 1] de informatie in het kader van het project Huizen zou hebben verkregen, staat het aangehaalde oordeel in het 2015-arrest derhalve niet in de weg aan het bewezen verklaren van causaal verband.
beslissen, nadere informatie nodig achtte en daartoe informatie bij Mikas heeft opgevraagd. Hieruit volgt dat er naar het oordeel van het hof dus nog geen beslissing was, zodat ook geen sprake kan zijn van het ‘niet terugdraaien’ van een beslising.
onderdeel 15.
4.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel
onderdelen 11 tot en met 15van het principale cassatieberoep slaagt. Hiervoor is geconcludeerd dat aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, zodat het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep in zoverre geen bespreking behoeft. Voor het geval Uw Raad inzake het principale cassatieberoep anders zou oordelen, bespreek ik het incidentele cassatieberoep volledigheidshalve, zij het kort.
Subonderdeel 1.2.betoogt dat het oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat Bouwfonds heeft aangevoerd dat Prodema c.s. in de hypothetische situatie dat de misleidende mededelingen niet waren gedaan Bouwfonds (in dezelfde brieven en promotiefolder) “naar behoren hadden geïnformeerd en hadden moeten informeren over de aan het gebruik van de BAQ-platen verbonden risico’s”.
subonderdelen 1.1. en 1.2.falen derhalve.
Subonderdeel 1.3.mist derhalve feitelijke grondslag en faalt.
subonderdeel 1.4.Nu alle subonderdelen doel missen, dient het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep, zo Uw Raad daaraan zou toekomen, te worden verworpen.