Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Aansprakelijkheidheeft betrekking op de persoon van de schuldenaar en zijn gehoudenheid ten opzichte van een schuldeiser om aan een bepaalde verbintenis te voldoen. Het
verhaalsrechtricht zich op het vermogen van de schuldenaar en niet op persoon. Bij de
draagplichtgaat het om de vraag wie uiteindelijk in de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten opdraait voor de aangegane verbintenis. Tijdens het huwelijk zijn beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk voor de door hen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen (art. 1:85 BW Pro). Daarnaast is iedere echtgenoot aansprakelijk voor de overige schulden die door hem zijn aangegaan buiten de gewone gang van de huishouding. Na ontbinding van de wettelijke gemeenschap van goederen blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is hij op grond van art. 1:102 BW Pro [3] hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 3:190 lid 1 en 3:191 lid 1 BW. Vóór 1 januari 2012 bepaalde art. 1:102 BW Pro dat na ontbinding van de gemeenschap ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk blijft voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was en dat hij voor de andere schulden van de gemeenschap
voor de helftaansprakelijk is en voorts dat hij
voor dat gedeelte van de schuldhoofdelijk met de andere echtgenoot is verbonden.
punt 1geen klacht. De klacht in
punt 2is gericht tegen rov. 4.5, hiervoor weergegeven in 1.18. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat [verweerders] aan hun vordering de geldleningsovereenkomst van 10 november 2008 [4] en de daarna gesloten vaststellingsovereenkomst van 13 augustus 2010 [5] ten grondslag hebben gelegd. [6] Het onderdeel stelt dat deze overeenkomsten, gesloten tussen [verweerders] en [betrokkene 1] , dateren van
nade ontbinding van het huwelijk tussen [betrokkene 1] en [eiseres] op 4 april 2008 en dat [verweerders] en [betrokkene 1] vervolgens op 2 mei 2015 [7] een nieuwe vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Het onderdeel stelt dat [eiseres] in hoger beroep heeft aangevoerd (i) dat zij en [betrokkene 1] op 3 maart 2008 hun huwelijk hebben omgezet in een geregistreerd partnerschap, (ii) dat de participatie op 10 november 2008 door [betrokkene 1] is omgezet in een geldlening, (iii) dat [betrokkene 1] en [verweerders] nadien een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten en (iv) dat [eiseres] bij deze overeenkomsten niet was betrokken. [8] Het onderdeel klaagt dat het hof in rov. 4.5 ten onrechte aan dit verweer voorbij is gegaan, althans ten onrechte heeft verworpen. Ter toelichting stelt het onderdeel dat het hof in rov. 4.5 uitsluitend “de bedoelingen van [verweerders] en [betrokkene 1] ” onderzoekt, doch niet ingaat op de essentiële stellingen van [eiseres] “dat de rechtsverhouding naderhand is omgezet in een geldlening en/of dat zij geen partij was bij deze na ontbinding van het huwelijk (opnieuw) gesloten geldlening en de opvolgende vaststellingsovereenkomst”.
voor zover gericht tegen [eiseres], hebben gebaseerd op art. 1:102 BW Pro en dat zij aan die vordering ten grondslag hebben gelegd dat [betrokkene 1] in 2006 en 2007, derhalve
tijdenshet huwelijk van partijen, een bedrag van in totaal € 93.000,- heeft geleend van [verweerders] en dat [betrokkene 1] en [verweerders] nadien, na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap,
nadereafspraken over deze lening op papier hebben gezet. De klacht dat het hof heeft miskend dat [verweerders] aan hun vordering jegens [eiseres] de geldleningsovereenkomst van 10 november 2008 en de daarna gesloten vaststellingsovereenkomst van 13 augustus 2010 ten grondslag hebben gelegd, mist derhalve feitelijk grondslag in de processtukken.
punt 3dat het hof heeft miskend dat de overeenkomst van geldlening van 10 november 2008 en de vaststellingsovereenkomst van 13 augustus 2010 rechtens kwalificeren als een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW Pro. Het onderdeel stelt dat door het sluiten van beide overeenkomsten, althans de overeenkomst van 13 augustus 2010, “een nieuwe rechtstoestand tot stand is gekomen” die enkel geldt tussen [betrokkene 1] en [verweerders] en op grond waarvan [eiseres] niet uit hoofde van art 1:102 BW Pro hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden, nu de overeenkomsten zijn gesloten
naontbinding van het geregistreerd partnerschap. Het onderdeel klaagt dat het hof dit heeft miskend, althans heeft nagelaten te onderzoeken wat de bedoelingen van partijen (lees: [betrokkene 1] en [verweerders] ) waren bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening en de vaststellingsovereenkomst.
geleendop een moment dat hij was gehuwd met [eiseres] , en dat zij met [betrokkene 1] na de omzetting van het huwelijk en de ontbinding van het geregistreerd partnerschap
nadereafspraken over deze lening op papier hebben gezet. Het hof heeft in rov. 4.4, in cassatie niet bestreden, de stellingen van [eiseres] met betrekking tot het bedrag van € 75.000,- weergegeven. Deze stellingen komen er in de kern op neer dat dit bedrag
geenlening betrof doch geld waarvoor verweerder in cassatie onder 1 wenste te participeren in een onderneming van [betrokkene 1] , en dat deze participatie na het huwelijk tussen [betrokkene 1] en [eiseres] is
omgezetin een geldlening. Het hof heeft in rov. 4.5 gemotiveerd overwogen dat dit verweer iedere feitelijke onderbouwing mist op grond waarvan het moet worden verworpen. Zodoende is de stelling van [verweerders] dat het bedrag van € 75.000,- (eveneens) een lening betrof waarover [verweerders] en [betrokkene 1] nadien
nadereafspraken hebben gemaakt, in de appelprocedure komen vast te staan. Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof niet miskend dat door het sluiten van de overeenkomsten van 10 november 2008 en 13 augustus 2010, althans de overeenkomst van 13 augustus 2010, een (in de woorden van het onderdeel) “nieuwe rechtstoestand tot stand is gekomen”. Het bestreden oordeel komt er immers op neer dat [eiseres] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken de stelling dat er met betrekking tot het bedrag van € 75.000,-
steeds sprake is geweestvan een overeenkomst van geldlening. Daarmee is van een “omzetting” of “nieuwe rechtstoestand” derhalve geen sprake.
punt 4dat het hof heeft miskend dat de geldleningsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst tevens kunnen worden aangemerkt als onderhandse akten in de zin van art. 157 lid 2 Rv Pro en dat dergelijke akten dwingend bewijs opleveren van de waarheid ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen. Nu in de overeenkomsten is verklaard dat [verweerders] en [betrokkene 1] op 10 november 2008 een geldlening zijn aangegaan en beide overeenkomsten slechts betalingsverplichtingen van [betrokkene 1] bevatten, levert dat volgens het onderdeel “dwingend bewijs op van de stelling dat de geldlening pas is aangegaan of dat de schuld is vernieuwd na omzetting van het huwelijk en de ontbinding van het geregistreerd partnerschap”. Tevens levert de verklaring in de vaststellingsovereenkomst dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst volgens het onderdeel “dwingend bewijs op van het feit dat [betrokkene 1] en [verweerders] een nieuwe, althans van de tevoren bestaande afwijkende, rechtstoestand tot stand wilden brengen.”
nadere afsprakenmet betrekking tot eerder gesloten leenovereenkomsten. Voorts miskent het onderdeel dat de dwingende bewijskracht van een onderhandse akte alleen betrekking heeft op hetgeen de akte bestemd is
ten behoeve van de wederpartijte bewijzen. Zoals gezegd was [eiseres] bij de overeenkomsten in kwestie geen partij.
punt 5dat, voor zover in de overwegingen van het hof besloten ligt dat het dwingend bewijs is ontzenuwd door [verweerders] , het hof heeft miskend dat [eiseres] een bewijsaanbod [10] heeft gedaan zodat zij tot het leveren van tegenbewijs had moeten worden toegelaten. Deze klacht faalt op grond van het voorgaande.
punt 6bouwt uitsluitend voort op de voorgaande klachten en dient daarvan het lot te delen.
punt 8tot uitgangspunt dat het hof in zijn arrest is uitgegaan van het huidige art. 1:102 BW Pro, aangezien het [eiseres] hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 93.000,- in hoofdsom, welk bedrag door het hof is aangemerkt als gemeenschapsschuld. Het onderdeel klaagt dat het hof in het dictum is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het heeft nagelaten de beperking van art. 1:102 BW Pro daarin op te nemen. Het onderdeel betoogt dat het hof, mede ter voorkoming van executiegeschillen en problemen bij de uitleg van het arrest, bij de veroordeling tot betaling had behoren toe te voegen de volgende - in art. 1:102 BW Pro opgenomen - passage: “(…), met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen zij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191 eerste lid, van Boek 3.”
nietde door het onderdeel aangehaalde passage heeft opgenomen kan evenwel een aanwijzing vormen voor het standpunt dat het hof het huidige art. 1:102 BW Pro
nietheeft toegepast. In dat geval heeft het hof, zoals het hierna te bespreken onderdeel 3 met juistheid betoogt, art. 1:102 (oud) BW op onjuiste wijze toegepast. Omdat in de onderhavige zaak art. 1:102 (oud) van toepassing is, ben ik geneigd om tot de conclusie te komen dat het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, waar het tot uitgangspunt neemt dat het hof toepassing heeft gegeven aan het huidige art. 1:102 BW Pro.
punt 10dat het hof in zijn overwegingen en in het dictum heeft miskend dat art. 1:102 BW Pro, zoals dat luidde vóór 1 januari 2012, in deze zaak van toepassing was en dat dit betekent dat [eiseres] slechts voor de helft van de gemeenschapsschuld in kwestie (de hoofdsom) aansprakelijk is. [verweerders] hebben zich met betrekking tot deze klacht gerefereerd aan het oordeel van Uw Raad.
nade ontbinding van de huwelijksgemeenschap voor de helft daarvan aansprakelijk is en voor dat gedeelte hoofdelijk met [betrokkene 1] is verbonden. Het hof heeft dit miskend. Indien het bestreden arrest op dit punt wordt vernietigd, dan meen ik dat Uw Raad de zaak zelf aldus kan afdoen dat wordt bepaald dat [eiseres] voor een bedrag van € 46.500,- hoofdelijk aansprakelijk is jegens [verweerders] en dat zij wordt veroordeeld dat betaling van dit bedrag aan [verweerders] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2016.