Conclusie
f45.000,-. Uit de notariële akte van 12 juli 1978 blijkt dat de vader een lening heeft afgesloten bij de gemeente [plaats 2] voor een bedrag van
f160.000,- “voor het stichten van een woning aan de [a-straat] te [woonplaats] ”, waarbij de vader een recht van hypotheek heeft verleend aan de gemeente [plaats 2] op voornoemd perceel grond. Deze hypothecaire geldlening is door de vader op 30 maart 1983 volledig afgelost met de opbrengst uit de verkoop van een andere onroerende zaak.
2.Partijen in de cassatieprocedure
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 4is gericht tegen de daaraan verbonden consequentie in rov. 6.10.2, te weten dat het hof [eiser] niet de gelegenheid zal geven om de niet in de procedure betrokken partijen bij de ondeelbare rechtsverhouding alsnog op te roepen.
Voorzitter:
onderdeel 2, dat – voor zover de klachten van onderdeel 1 niet zouden slagen – klachten richt tegen het oordeel van het hof in rov. 6.13 dat uit de intrekking van de vorderingen van [eiser] voortvloeit dat de toewijzing van de vorderingen in conventie van [verweerders] in stand blijft.
onderdeel 3is komen te vervallen doordat het hof het proces-verbaal alsnog heeft verstrekt [27] .