Conclusie
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat (i) het niet kunnen horen van aangeefster niet resulteert in een schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder d, EVRM en dat (ii) bovendien voldoende compensatie zou zijn geweest voor het nadeel dat de verdachte ondervindt voor het niet kunnen (doen) horen van aangeefster en dat daarom haar verklaring wordt gebezigd tot het bewijs.
2.Een geschrift inhoudende medische informatie met betrekking tot [slachtoffer] d.d. 5 februari 2013, opgesteld door [betrokkene 1] , huisarts te Venlo, en ondertekend door R.H. Garming, forensisch geneeskundige, voor zover inhoudende:
3.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2012 (proces-verbaalnummer PL233C 2011103992-22), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
5.Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 april 2012 (proces-verbaalnummer PL233R 2011103992-8), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
(het hof begrijpt: verdachte en [slachtoffer] )een heftige ruzie gehad in mijn woning aan de [a straat] te Roermond. [slachtoffer] had een sjaal om toen ze binnenkwam.”
NJ2017/294 m.nt. B.E.P. Myjer) houdt daaromtrent onder meer het volgende in:
Al-Khawaja and Taheryjudgment, it is necessary to examine in three steps the compatibility with Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention of proceedings in which statements made by a witness who had not been present and questioned at the trial were used as evidence (ibid., § 152). The Court must examine
whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to compensate for the handicaps caused to the defence as a result of the admission of the untested evidence and to ensure that the trial, judged as a whole, was fair (ibid., § 147).
Al-Khawaja and Taheryin its subsequent case-law discloses a need to clarify the relationship between the above-mentioned three steps of the
Al-Khawajatest when it comes to the examination of the compliance with the Convention of a trial in which untested incriminating witness evidence was admitted.
Al-Khawajajudgment it took an overall approach to the examination of the fairness of the trial, having regard to all three steps of the
Al-Khawajatest (...). However, in other cases, the lack of a good reason for a prosecution witness's absence alone was considered sufficient to find a breach of Article 6 §§ 1 and 3 (d) (...). In yet other cases a differentiated approach was taken: the lack of good reason for a prosecution witness's absence was considered conclusive of the unfairness of the trial unless the witness testimony was manifestly irrelevant for the outcome of the case (...). The Grand Chamber, in the light of the foregoing (see paragraphs 111-112), considers that the absence of good reason for the non-attendance of a witness cannot of itself be conclusive of the unfairness of a trial. This being said, the lack of a good reason for a prosecution witness's absence is a very important factor to be weighed in the balance when assessing the overall fairness of a trial, and one which may tip the balance in favour of finding a breach of Article 6 §§ 1 and 3 (d).
tweede middelklaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij. In het middel zijn drie deelklachten te onderscheiden. De eerste houdt in dat de vordering ten onrechte is toegewezen omdat de vordering was gebaseerd op het primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag) terwijl de verdachte daarvan is vrijgesproken terwijl het “een aanzienlijk verschil [maakt] of er sprake is van immateriële schade veroorzaakt door een poging doodslag dan door een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel”. De tweede deelklacht houdt in dat de door het hof toegewezen vordering ten onrechte immateriële schade omvat omdat de benadeelde partij inmiddels is overleden en erfgenamen “in beginsel geen recht hebben op vergoeding van immateriële schade voor – kort gezegd – het verdriet van anderen, behalve misschien in het geval de aansprakelijke persoon het oogmerk had om deze immateriële schade toe te brengen.” Ten derde zou de verdachte ten onrechte de schadevergoeding moeten betalen aan de benadeelde partij terwijl dat “aan de erfgename(n) van [slachtoffer] ” moet zijn.
Feit 1:
De verschijnselen van verstikking waren het gevolg van een hevige ademnood tijdens de mishandeling en verstoring van de bloedtoevoer naar haar hoofd.
in de hals waren rode striemen ten gevolge van het krachtig aandraaien van de sjaal.
Zeker twee weken heeft zij last en pijn gehad aan keel en neus. De striemen in de hals zijn enkele weken zichtbaar geweest. Heel even heeft zij het bewustzijn verloren.
Aanvankelijk had zij veel last van angstaanvallen. Deze aanvallen kwamen spontaan tijdens de dag en zij raakte daardoor vaak in paniek. Zij was dan bang dat haar iets zou overkomen en dat ze werd aangevallen. De angstaanvallen deden zich vooral voor als zij alleen was.
Benadeelde durfde niet van huis. Enerzijds vanwege de angstaanvallen anderzijds vanwege het feit dat de verdachte haar plukken hoofdhaar had afgeschoren hetgeen niet om aan te zien was.
Zij heeft drie weken niet kunnen werken en in die periode heel slecht geslapen. Zij had daarbij veel last van nachtmerries en last van herbeleving.
Benadeelde voelt zich vernederd en in haar eer als vrouw zijnde aangetast.
Voor het verwerken van de geestelijke gevolgen van o.a. deze mishandeling is zij een half jaar opgenomen geweest in het Regionaal Centrum van de GGZ en heeft daar hulp gehad van een Psychiater [….].
De angst voor de verdachte is er nog steeds. Ook heeft zij nog steeds psychische hulp van een psycholoog.”