De zaak betreft een verdachte die op 16 november 2015 te Utrecht het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebracht door hem met kracht te slaan, waarbij onder meer gebitsschade ontstond. Het hof heeft het letsel, bestaande uit gebroken en scheve voortanden en een gekneusde schouder, als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt.
De medische verklaringen van artsen en tandarts toonden aan dat het slachtoffer meerdere voortanden had die gebroken waren, waarbij kronen moesten worden geplaatst en mogelijk toekomstige wortelkanaalbehandelingen en implantaten nodig zijn. Daarnaast had het slachtoffer langdurige pijnklachten, fysieke beperkingen en moest hij fysiotherapie ondergaan.
De verdediging voerde aan dat het bewijs voor zwaar lichamelijk letsel ontoereikend was, met verwijzing naar eerdere jurisprudentie waarin gebitsschade niet automatisch als zwaar lichamelijk letsel werd aangemerkt. De Hoge Raad overwoog dat gebitsschade niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel is, maar dat het hof terecht heeft gekeken naar de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel.
Gezien de combinatie van letsel, de langdurige herstelperiode, pijn en fysieke beperkingen was het oordeel van het hof dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel niet onbegrijpelijk. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen.