Conclusie
f [4] 27 miljoen per 1 januari 2000 onder de voorwaarde dat de achtergestelde leningen aan Fa-med van
f3,65 miljoen door [verweerster 1] en Frelan moesten worden afgelost.
f31,5 miljoen (rov. 4.16). Voor het geval [betrokkene 4] op 6 augustus 2001 nog niet met de verkoop had ingestemd, heeft [verweerder 2] persoonlijk onrechtmatig jegens Igvo gehandeld, aldus de rechtbank (rov. 4.18) [15] . Verder heeft de rechtbank overwogen, kort weergegeven, dat [verweerster 1] c.s. de door Igvo gestelde schade gemotiveerd heeft betwist en dat de rechtbank – om redenen van proceseconomie – eerst [verweerster 1] c.s. in de gelegenheid zal stellen dat rapport in het geding te brengen en zal beoordelen of de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is geworden (rov. 4.20-4.22) [16] .
f30,4 miljoen en
f32,2 miljoen gesteld.
f31,5 miljoen zich binnen die bandbreedte bevindt en geconcludeerd dat Igvo geen schade heeft geleden (rov. 3.21) [19] .
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
het peilmoment van de schade
f35 miljoen zou moeten zijn, waarmee zij, naar [verweerster 1] redelijkerwijs mocht begrijpen, heeft aangegeven in te stemmen met verkoop voor zodanig bedrag (plus dividend tot 19 oktober 2001). Igvo heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit [verweerster 1] c.s. redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat ( [betrokkene 1] van) Igvo niet wilde meewerken aan een verkoop vóór 2004.
f35 miljoen (plus dividend tot 19 oktober 2001) het meer gevorderde zal moeten worden afgewezen. ( [betrokkene 1] van) Igvo heeft zich immers bij brief van 6 augustus 2001 bereid getoond om voor die prijs in te stemmen met de verkoop.
subonderdeel 3. Daarin wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel dat [verweerster 1] mocht begrijpen dat Igvo met haar faxbericht van 6 augustus 2001 te kennen gaf in te stemmen met een verkoop van Fa-med voor
f35 miljoen ook art. 24 Rv Pro heeft geschonden, althans buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Volgens het subonderdeel hebben [verweerster 1] c.s. aan hun verweer tegen de omvang van de schade niet, vóórdat het hof deze grondslag ambtshalve bijbracht, ten grondslag gelegd dat zij destijds uit de faxbrief van Igvo van 6 augustus 2001 heeft begrepen dat Igvo wél instemde met een verkoop van Fa-med voor
f35 miljoen.
f31,5 miljoen en de waarde die Fa-med in 2004 bleek.
f35 miljoen zou moeten zijn, zo uitgelegd dat Igvo daarmee, naar [verweerster 1] redelijkerwijs mocht begrijpen, heeft aangegeven in te stemmen met verkoop voor zodanig bedrag (plus dividend tot 19 oktober 2001 [39] ).
f35 miljoen [40] en in dat verband o.m. betoogd dat de faxbrief van 6 augustus 2001 van Igvo tegen een andere achtergrond en met een andere bedoeling moet worden begrepen. Volgens Igvo wilde ( [betrokkene 1] van) Igvo met de opmerking dat de vraagprijs toch minimaal
f35 miljoen zou moeten zijn slechts duidelijk maken dat een bod onder de
f35 miljoen logischerwijs al helemaal niet aan de orde kon zijn.
“Nu zou de vraagprijs toch minimaal 35 mio moeten zijn”) gebaseerde aannemelijkheidsoordeel van het hof, hebben ingestemd met een onmiddellijke (niet tot 2004 of 2005 uitgestelde) verkoop van de aandelen voor
“Ik heb het gevoel dat het minimaal 35 mio zou moeten zijn.”Voor terugkomen van de bindende eindbeslissing sub e., zoals Frelan c.s. voorstaan, bestaat derhalve geen grond. (…) En bovendien hebben [verweerster 1] c.s. zich niet eerder op de van na 6 augustus 2001 daterende correspondentie beroepen (essentieel:) in het kader van de bestrijding van de omvang van de schade. Hun nieuwe verweer komt derhalve tevens in strijd met de zogenaamde twee conclusie regel.”
f35 miljoen zou moeten zijn, zo uitgelegd dat [verweerster 1] redelijkerwijs mocht begrijpen, dat Igvo daarmee heeft aangegeven in te stemmen met verkoop voor zodanig bedrag (plus dividend tot 19 oktober 2001).
f10 miljoen winst na belasting zou maken, wat in 2001 nog lang niet het geval was [41] , en dat Igvo in haar faxbericht van 6 augustus 2001 (daarom) uitdrukkelijk vermeldde dat het haar te vroeg leek om Fa-med te verkopen, dat het beter was om nog een paar jaar te wachten en dat geen overhaaste beslissingen dienden te worden genomen [42] . Igvo heeft bij brief van dezelfde datum [betrokkene 4] , die voor Igvo een oogje in het zeil moest houden bij Fa-med , eraan herinnerd dat het er niet om ging Fa-med snel van de hand te doen [43] .
f35 miljoen plus dividend tot 19 oktober 2001, alsmede de beslissingen van het hof om bij dit oordeel te blijven [47] , gelet op de gedingstukken niet zonder meer begrijpelijk [48] zijn, in het licht van de onder3 van de procesinleiding genoemde stellingen, alsmede vijf in het subonderdeel genoemde stellingen. Ik behandel deze vijf stellingen hierna achtereenvolgens.
f35 miljoen. Zoals hiervoor al aan de orde geweest, betreft dit een aan het hof voorbehouden uitleg van een gedingstuk.
f10 miljoen na belasting, wat in de zomer van 2001 nog geenszins zo was [50] , gaat opnieuw over het moment van verkoop. Ik verwijs in zoverre kortheidshalve naar hetgeen ik hiervoor onder 2.21 heb opgemerkt.
f35 miljoen euro tot verkoop over te gaan.
f35 miljoen refereerde omdat [verweerster 1] Fa-med een jaar eerder niet voor minder dan
f33 miljoen had willen verkopen en Fa-med inmiddels
f2 miljoen winst had gemaakt, zodat een vraagprijs onder
f35 miljoen sowieso niet aan de orde kon zijn.
f33 miljoen die een jaar eerder was gesteld en het gegeven dat sindsdien
f2 miljoen winst was gemaakt [52] , maakt de uitleg door het hof van de faxbrief niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Zoals blijkt uit rov. 2.8 van het eindarrest heeft het hof het bedrag van
f35 miljoen in de faxbrief van 6 augustus 2001 ook als ‘laatprijs’ [53] beschouwd.
nahet eerste tussenarrest op het standpunt heeft gesteld dat het hof ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de mededeling van Igvo dat zij nog een aantal jaren met de verkoop wilde wachten en dat veertig tot vijftig miljoen toch haalbaar geacht moest worden, doet aan de begrijpelijkheid van de uitleg
inhet eerste tussenarrest niet af [54] .
f35 miljoen als uitgangspunt voor de schadeberekening te hanteren, heeft miskend dat het uitgangspunt bij de schadebepaling is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven, zodat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Het subonderdeel klaagt dat het hof gelet op deze rechtsregel ten onrechte in het midden heeft gelaten wat er naar verwachting daadwerkelijk met Fa-med zou zijn gebeurd als [verweerster 1] Fa-med niet zonder de vereiste instemming van Igvo aan USN had verkocht en Igvo , zoals het hof aanneemt, slechts wilde verkopen voor minimaal
f35 miljoen.
f35 miljoen. Het eerste uitgangspunt van het hof bij de schadeberekening is daarom een veronderstelde verkoop van de aandelen op 19 oktober 2001. Het tweede uitgangspunt is daarmee dat het bedrag van
f35 miljoen het maximale bij de bepaling van de schadevergoeding in aanmerking te nemen bedrag is.
f37.933.000,- gesteld [56] .
f35 miljoen, en in aanmerking genomen de (werkelijke) verkoopprijs van
f31,5 miljoen, heeft het hof de door de tekortkoming van [verweerster 1] en onrechtmatige daad van [verweerder 2] bij Igvo veroorzaakte schade op grond van haar aandeelhouderschap in Frelan vastgesteld op 45% van het verschil tussen
f35 miljoen en het bedrag waarvoor de aandelen per 19 oktober 2001 zijn verkocht [57] .
f31,5 miljoen en de ‘werkelijke’ waarde als schade worden aangemerkt, maar (ten hoogste, ingeval de werkelijke waarde hoger is dan
f35 miljoen) het verschil tussen de verkoopprijs en het bedrag van
f35 miljoen, waarvoor Igvo naar het oordeel van het hof haar instemming zou hebben gegeven. Anders gezegd: naar het oordeel van het hof kan, voor zover de werkelijke waarde hoger is dan
f35 miljoen, dit verlies van het ‘meerdere’ niet worden gezien als een gevolg van de tekortkoming van [verweerster 1] (en de onrechtmatige daad van [verweerder 2] ) en daarmee niet als voor vergoeding in aanmerking komende schade. Dat verlies zou zich immers ook hebben voorgedaan als [verweerster 1] Fa-med mét instemming van Igvo op 19 oktober 2001 had verkocht. Het hof heeft met de hypothetische bovengrens van
f35 miljoen het beginsel van volledige schadevergoeding dan ook geen geweld aangedaan.
f35 miljoen aan USN zou zijn verkocht en dat Fa-med , de normschending weggedacht, alsnog zonder relevant tijdverloop voor
f35 miljoen aan een andere partij zou zijn verkocht. Het subonderdeel koppelt vervolgens aan elk van beide lezingen een aantal klachten.
f35 miljoen aan USN of – alsnog zonder relevant tijdverloop – aan een andere partij zou zijn verkocht. Het hof heeft vastgesteld hoeveel de verkoopprijs van
f31,5 miljoen lager was dan de werkelijke waarde van de aandelen op 19 oktober 2001 en geoordeeld dat van dit bedrag een gedeelte (het meerdere boven
f35 miljoen) niet als schade van Igvo is aan te merken.
subonderdeel 6veronderstelt een bepaalde lezing van het oordeel van het hof. Onder A wordt geklaagd dat, voor zover het hof met het hanteren van het plafond van
f35 miljoen voor de schadeberekening zou hebben bedoeld dat schade die is gebaseerd op een hogere verkoopprijs redelijkerwijs niet aan [verweerster 1] kan worden toegerekend, het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat [verweerster 1] c.s. weliswaar een toerekeningsverweer hebben gevoerd, maar ook in dat verband hun verweer tegen de omvang van de schade niet hebben gebaseerd op instemming van Igvo met een verkoop tegen
f35 miljoen.
f35 miljoen het maximale bij de bepaling van de schadevergoeding in aanmerking te nemen bedrag is in de sleutel van het causaal verband in de vestigingsfase van de aansprakelijkheid (condicio sine qua non). Het subonderdeel gaat er m.i. dan ook ten onrechte van uit dat het hof zou hebben geoordeeld dat schade die is gebaseerd op een hogere verkoopprijs redelijkerwijs niet aan [verweerster 1] kan worden toegerekend (art. 6:98 BW Pro). Subonderdeel 6 faalt daarom in zijn geheel.
f35 miljoen [58] . Het subonderdeel richt zich daarnaast tegen rov. 2.9 van het eindarrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat het niet terugkomt van de bindende eindbeslissing in rov. 2.10 van het tweede tussenarrest ‘over de invloed van het memorandum van directeur [betrokkene 2] van juni 2000’ [59] .
f35 miljoen (plus dividend tot 19 oktober 2001).”
f35 miljoen in haar faxbericht van 6 augustus 2001 is uitgegaan van het Quick Scan rapport van [betrokkene 5] van augustus 2000 (hierna: het rapport van [betrokkene 5] ) in haar memorie na deskundigenbericht van 26 april 2016 nader heeft toegelicht door erop te wijzen dat zij ervan uitging dat de DCF-waardeberekening van Fa-med in het rapport van [betrokkene 5] was gebaseerd op de prognoses die [betrokkene 2] in het najaar van 2000 had besproken met BDO – dat toen namens Achmea een due diligence onderzoek uitvoerde – die zeer aanzienlijk positiever waren dan de prognoses in het memo van juni 2000 die [betrokkene 5] in werkelijkheid bleek te hebben gebruikt. Dat de waardebepaling van Fa-med door [betrokkene 5] in augustus 2000 in werkelijkheid was gebaseerd op de inmiddels al aanzienlijk te negatief gebleken prognoses van juni 2000, bleek Igvo volgens het subonderdeel pas in 2006. Toen pas kreeg zij de DCF-berekening die [betrokkene 5] in augustus 2000 in werkelijkheid bleek te hebben gemaakt voor het eerst onder ogen [60] ; de onderliggende DCF-berekening van de waarde van Fa-med maakte namelijk geen deel uit van het rapport van [betrokkene 5] waarvan Igvo destijds kennis had genomen [61] . Volgens het subonderdeel is in het licht van dit betoog niet zonder meer begrijpelijk dat het onaannemelijk zou zijn dat Igvo zich in augustus 2001 nog zou hebben gebaseerd op de waardebepaling van [betrokkene 5] een jaar eerder. Het subonderdeel acht daarbij van belang dat (i) [betrokkene 5] in augustus 2000 de waarde (“Fair price”) van Fa-med had bepaald op
f31 miljoen en [verweerster 1] op die waardebepaling een jaar later een minimale verkoopprijs voor Fa-med (aan Achmea ) van
f33 miljoen had gebaseerd, waarna Fa-med over het eerste half jaar van 2001 alweer twee miljoen winst had gemaakt [62] ; (ii) gesteld noch gebleken is dat er naast het rapport van [betrokkene 5] enige andere voor Igvo beschikbare bron was met een waardebepaling van Fa-med ; (iii) Igvo niet in staat was om op basis van de door het hof genoemde nadere cumulatieve omzetgegevens zelf een waardebepaling te maken [63] ; en (iv) Igvo , nadat zij op 6 augustus 2001 had vernomen van het (volgens Igvo nog slechts) voornemen van [verweerster 1] om Fa-med te verkopen, nog diezelfde dag heeft gereageerd [64] , zodat zij ook geen tijd had om een waardebepaling te (laten) maken.
f35 miljoen is gebaseerd op het rapport van [betrokkene 5] , dat voortbouwt op een – op instigatie van [verweerster 1] c.s. tot stand gekomen en lang voor Igvo verborgen gebleven – memo van [betrokkene 2] van juni 2000 waarin de prognoses voor 2001 en 2002 veel lager uitkwamen dan de bedrijfsprognoses uit april 2000. Volgens Igvo is [betrokkene 5] en daardoor ook ( [betrokkene 1] van) Igvo door dat bedrieglijke memo misleid.
f35 miljoen m.i. in stand dient te blijven, kan een hogere waarde van de aandelen – die ook bij toepassing van de in onderdeel 2 bestreden uitgangspunten voor de waardebepaling naar het oordeel van het hof dit plafond al overschreed [68] – niet tot een voor Igvo gunstiger resultaat leiden. Aan de klachten van onderdeel 2 is daarmee m.i. het belang komen te ontvallen.
f35.000.000 nog eens het dividend tot 19 oktober 2001 heeft toegevoegd. Die toevoeging kwam pas voor in de brieven vanaf 9 oktober 2001. Het oordeel van het hof in rov. 4.13 van het eerste tussenarrest dat de verkoopprijs van
f35.000.000 moest worden vermeerder[d] met dividend berust dan ook op een kennelijke misslag. Verder heeft de verkoop en levering van de aandelen plaatsgevonden op 19 oktober 2001 per effectieve datum van 1 januari 2001 (economische overdracht), zoals ook volgens Frelan c.s. betoogd. Dit betekent dat een wijziging in de waarde van de onderneming en de aandelen van Fa-med vanaf 1 januari 2001 niet langer aan de verkoper maar aan de koper toekwam. Daartegenover staat wel dat de koopprijs na de economische overdracht pas op 19 oktober 2001 werd voldaan, waaraan de deskundige, zoals hierna zal blijken, terecht een rente- en risicovergoeding (conform de disconteringsvoet ad 12%) heeft verbonden. Op grond van het voorgaande is aan het hof gebleken dat zijn eerdere eindbeslissing in rov. 4.13 van het eerste tussenarrest berust op een onjuiste (juridische en of feitelijke) grondslag en dat dit dividendoordeel bij handhaving zou leiden tot een einduitspraak waarvan het hof overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn. Daarom moet van deze bindende eindbeslissing onder d. worden teruggekomen en is de hypothetische situatie begrensd door een verkoopprijs van
f35.000.000, dus zonder toevoeging van het dividend.
f35 miljoen zonder dividend moet worden genomen onbegrijpelijk is. Het wijst erop dat Igvo onweersproken heeft gesteld dat zij het bedrag van
f35 miljoen in de faxbrief van 6 augustus 2001 baseerde op de minimale verkoopprijs van Fa-med van
f33 miljoen aan Achmea in 2000 [69] en dat Fa-med inmiddels over het eerste half jaar van 2001 alweer twee miljoen winst na belasting had gemaakt [70] . Nu het hof op grond van het eerste deskundigenrapport aanneemt dat Fa-med over 2001 tot aan 19 oktober een winst van
f4 miljoen had gemaakt, is volgens het subonderdeel onnavolgbaar dat het hof de winst die volgens de stellingen van Igvo nog níet was begrepen in het door haar genoemde bedrag van
f35 miljoen (
f2 miljoen) kennelijk toch begrepen acht in het bedrag van
f35 miljoen waarvoor Igvo bereid zou zijn geweest Fa-med te verkopen. Met die meerdere winst, die moet zijn gemaakt tussen 1 juli 2001 en 19 oktober 2001, had Igvo volgens haar onweersproken stelling nog geen rekening gehouden, wat voor zich spreekt voor de periode tussen 6 augustus 2001 en 19 oktober 2001, aangezien Igvo op 6 augustus 2001 niet kon weten dat de winst vanaf die datum tot 19 oktober 2001 nog
f2 miljoen zou bedragen. In ieder geval wat deze periode betreft is onvoorstelbaar dat [verweerster 1] erop zou hebben vertrouwd dat de verwijzing van Igvo op 6 augustus 2001 naar een vraagprijs van
f35 miljoen zou zijn bedoeld als mede omvattende het resultaat van Fa-med , aldus het subonderdeel.
f35 miljoen is gebaseerd op uitleg van de faxbrief van 6 augustus 2001, waarin dit bedrag – zonder nadere toelichting over componenten waaruit het is opgebouwd – is genoemd. Naar het oordeel van het hof in rov. 4.13 van het eerste tussenarrest, dat m.i. in cassatie tevergeefs is bestreden, mocht [verweerster 1] uit de opmerking in die faxbrief dat de vraagprijs toch minimaal
f35 miljoen zou moeten zijn, redelijkerwijs begrijpen dat Igvo heeft aangegeven in te stemmen met verkoop voor zodanig bedrag (plus dividend tot 19 oktober 2001). Van de toevoeging dat ook het dividend deel uitmaakt van de laatprijs van Igvo , komt het hof in het bestreden oordeel in rov. 2.8 van het eindarrest terug. Daartoe overweegt het hof dat deze toevoeging niet in de faxbrief van 6 augustus 2001 staat.
f35 miljoen (alleen) winst over de eerste helft van 2001 van
f2 miljoen was begrepen en het hof heeft aangenomen dat de winst in 2001 tot 19 oktober in totaal
f4 miljoen bedroeg, [verweerster 1] er niet op kon vertrouwen dat in het bedrag van
f35 miljoen ook het resultaat (over de periode juli tot 19 oktober 2001) was begrepen. Het ziet er daarmee echter aan voorbij dat in de faxbrief van 6 augustus 2001 het bedrag van
f35 miljoen niet was gespecificeerd – en dus ook niet van bovenstaande toelichting was voorzien – en dat in het oordeel van het hof ligt besloten dat Igvo , als zij aan [verweerster 1] duidelijk had willen maken dat in de vraagprijs ook rekening moest worden gehouden met dividend over de periode van juli 2001 tot aan de datum van levering, op dit punt in haar faxbrief van 6 augustus 2001 een voorbehoud had moeten maken.
f35 miljoen moest worden vermeerderd met dividend berust op een kennelijke misslag, in stand blijft. Eerstgenoemd oordeel kan de conclusie dat van laatstgenoemd oordeel wordt teruggekomen en dat ‘de hypothetische situatie [is] begrensd door een verkoopprijs van
f35.000.000, dus zonder toevoeging van het dividend’, zelfstandig dragen.
f4 miljoen over de periode 1 januari tot 19 oktober 2001.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
f35 miljoen. Tot slot bevat onderdeel VI een voortbouwklacht.
Staleman/Van de Ven [74] het volgende overwogen:
[…] /NOM [75] heeft Timmerman ervoor gepleit dat in geval een (indirect) bestuurder door een aandeelhouder op grond van onrechtmatige daad wordt aangesproken – een geval waarop art. 2:9 BW Pro niet rechtstreeks van toepassing is – “de ernstige verwijtbaarheid die is geïnspireerd door art. 2:9 BW Pro de onrechtmatigheid inkleurt.”
is [verweerder 2] daarvoor als bestuurder van [verweerster 1] jegens Igvo aansprakelijk?” als volgt overwogen:
in te stemmen met verkoop voor een zodanig bedrag(curs. A-G). Dit staat niet haaks op de vaststelling in rov. 4.10 dat er geen instemming was.
f31,5 miljoen, zie rov. 4.10 en rov. 4.13 van het eerste tussenarrest).
f31,5 miljoen, onvoldoende feitelijk is onderbouwd. In dit verband heeft het hof in rov. 4.7, 4.8 en 4.10 het volgende overwogen:
Verkoop Famed aan USG" vermeldt niet dat partijen al voor of op de bespreking van 25 juli 2001 overeenstemming hadden bereikt over de prijs en andere essentiële voorwaarden noch dat die bespreking slechts de uitvoering van de koop betrof. (…)
f31,5 miljoen.
f31,5 miljoen niet gebaseerd op de overweging dat, nu de getuigenverklaring van [getuige 3] niet op tegenspraak van de wederpartij tot stand is gekomen, daarmee niet is gebleken van een onjuiste juridische of feitelijke misslag. Het hof heeft in het tweede tussenarrest en in het eindarrest overwogen dat niet wordt toegekomen aan bewijs van deze stelling en het (herhaalde) bewijsaanbod daarom wordt gepasseerd. Het subonderdeel berust derhalve op een onjuiste lezing van het arrest.
f31,5 miljoen, zoals gezegd, in zijn eerste tussenarrest gebaseerd op het gebrek aan feitelijke onderbouwing hetgeen meebrengt dat er niet wordt toegekomen aan bewijs van deze stelling. In het tweede tussenarrest alsmede in het eindarrest oordeelt het hof dat er geen aanleiding bestaat om [verweerster 1] c.s. in dit stadium van de procedure in hoger beroep alsnog toe te laten tot het door hen bij hun akte van 11 maart 2014 aangeboden getuigenbewijs. De overgelegde getuigenverklaring van [getuige 3] dateert van 21 februari 2014 en is eveneens pas bij akte van 11 maart 2014 overgelegd, derhalve na het eerste tussenarrest [77] . Het oordeel van het hof komt er derhalve op neer dat de eisen van een goede procesorde verhinderen om een nadere onderbouwing in het stadium waarin de procedure zich bevond op het moment dat de verklaring werd overgelegd, alsnog te betrekken in de uit te voeren beoordeling. Dit oordeel geeft, gelet op onder meer het arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2015 [78] , niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
f31,5 miljoen de notitie van [betrokkene 6] betrokken en geoordeeld dat deze notitie niet vermeldt dat partijen al voor of op de essentiële bespreking van 25 juli 2001 overeenstemming hadden bereikt over de prijs (zie rov. 4.8 van het eerste tussenarrest). Waarom uit de notitie zou volgen dat er in dit kader wel sprake zou zijn van gemotiveerde betwisting, legt het subonderdeel niet uit. Met betrekking tot de na het eerste tussenarrest overgelegde verklaring van [getuige 3] volsta ik met verwijzing naar de behandeling van de voorgaande onderdelen. Dat [verweerster 1] c.s. in de memorie van antwoord (par. 27) hebben aangevoerd dat de vertegenwoordiging van [betrokkene 4] de periode van 21 mei 2001 tot 10 oktober 2001 heeft beslagen, maakt het bestreden oordeel evenmin onjuist omdat hiermee niet wordt geconcretiseerd wanneer wilsovereenstemming over de verkoopprijs van
f31,5 miljoen was bereikt.
f31,5 miljoen omdat ( [betrokkene 1] van) Igvo volgens het hof in de faxbrief van 6 augustus 2001 uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen een verkoop van Fa-med voor een prijs lager dan
f35 miljoen. Het noemen (in rov. 4.7) en het bespreken (in rov. 4.8) van een notitie betreffende een bespreking van 25 juli 2001 en de conclusie van het hof dat partijen niet al voor of op die datum overeenstemming hadden bereikt over de verkoopprijs, maakt de door het hof genoemde peildatum van 6 augustus 2001 allesbehalve onbegrijpelijk.
f35 miljoen bedraagt” (rov. 4.13 van het eerste tussenarrest, rov. 2.10 van het tweede tussenarrest, alsmede rov. 2.8 en 2.15 van het eindarrest). Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd omdat [verweerster 1] c.s. aan de hand van hun akte van 2 oktober 2017 [80] waarbij een fax van de advocaat van Igvo van 16 oktober 2001 is overgelegd, alsmede van de faxbrief van Igvo van 9 oktober 2001 [81] , gemotiveerd verweer hebben gevoerd dat de waarde van de aandelen van Fa-med op maximaal
f33,5 miljoen konden worden gewaardeerd [82] .