Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
zodra vaststaat dat het verkochte geheel of gedeeltelijk wordt betrokken in een planontwikkeling waarbij woningbouw en utiliteitsbouw zal plaatsvinden". [eiseres] heeft deze vordering bestreden, waarbij zij zich beroept op artikel 16 onder Pro e van de koopovereenkomst. In artikel 16 onder Pro e is opgenomen: "
Uitbetaling van de bijbetaling zal geschieden voordat met bebouwing in het betreffende plangebied zal worden aangevangen en heeft tot gevolg dat het verbod tot bebouwing van het verkochte komt te vervallen." [eiseres] betoogt dat het exploitatieplan bebouwing pas in 2018 mogelijk maakt (…), zodat betaling pas in 2018 moet geschieden, gelet op artikel 2.10 onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin staat dal de bouwvergunning wordt geweigerd ingeval van strijd met een exploitatieplan.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1), over het oordeel dat bepaalde omstandigheden die zich hebben voorgedaan na 2009 de invulling van de leemte in een overeenkomst uit 1999 bepalen (
onderdeel 2) en over het moment waarop de wettelijke rente verschuldigd wordt (
onderdeel 3).
Onderdeel 4bevat een louter voortbouwende veegklacht.
subonderdeel 1.1, samengevat, kon het hof
ten eerste,gezien zijn oordeel in rov. 3.12 TA dat tussen partijen (wils)overeenstemming bestond over de tekst van artikel 16 sub Pro f, in rov. 3.19-3.22 TA niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, beslissen dat wilsovereenstemming kennelijk toch ontbrak. Als wilsovereenstemming kennelijk ontbrak (en bovendien de door elk van partijen voorgestane uitleg van art. 16 onder Pro f niet met elkaar te verenigen is), dan is er geen leemte.
ten tweede, eveneens onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd, indien het hof in rov. 3.12 TA heeft geoordeeld dat partijen wel overeenstemming hebben bereikt over de tekst van artikel 16 sub Pro f, maar over en weer moesten begrijpen dat de door hen voorgestane uitleg daarvan door de wederpartij niet werd geaccepteerd. Dan valt niet (zonder meer) in te zien hoe partijen het eens kunnen zijn over de tekst (ook nu de door elk van partijen voorgestane uitleg van art. 16 onder Pro f niet met elkaar te verenigen is).
subonderdeel 1.2heeft het hof binnen de Haviltex-maatstaf niet de vrijheid om een leemte aan te nemen op basis van de vaststelling dat partijen over en weer moesten begrijpen dat de door hen voorgestane uitleg van artikel 16 sub f niet Pro door de wederpartij werd geaccepteerd. Het hof had daartoe slechts kunnen komen als beide partijen hadden moeten begrijpen dat een andere (door geen van hen voorgestane) uitleg aan het artikel diende te worden gegeven. Het hof laat na deze andere uitleg te expliciteren, aldus het middel.
ten eerste, ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een leemte die moet worden aangevuld, omdat in een dergelijk geval sprake is van een onvoorziene omstandigheid die slechts op voet van art. 6:258 BW Pro tot aanvulling, aanpassing of wijziging van artikel 16 sub f zou Pro kunnen leiden.
Ten tweedebetoogt het subonderdeel dat het hof op grond van art. 6:258 lid 2 BW Pro diende te toetsen of deze onvoorziene omstandigheid voor rekening van [verweerders] zou moeten komen en had het eerst daarna kunnen komen tot een wijziging/aanpassing/aanvulling van de overeenkomst, althans is het oordeel in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
lex specialismoet worden toegepast en derogeert aan de toepassing van art. 6:248 lid 1 BW Pro, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en dient het te falen. Anders dan [eiseres] (s.t. nrs. 3.26-3.27) betoogt, kon het hof naar mijn mening in dit geval aan de hand van uitleg en aanvulling van de overeenkomst oordelen over de rechtsgevolgen van de overeenkomst voor de situatie die zich eind 2009 voordeed.
subonderdeel 1.5dat het hof, alvorens daartoe over te gaan eerst had moeten onderzoeken en/of nader had moeten motiveren of de in rov. 3.14 en 3.18 TA bedoelde onvoorziene omstandigheid voor rekening van [verweerders] zou moeten komen.
de eerste klachtvan
subonderdeel 1.10is de overweging in rov. 6.3 EA dat de besluitvorming van de gemeente in 2009 betrekking had op de kortere termijn en niet op een lijn kon worden gesteld met de keuze voor een andere bestemming dan bebouwing, onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet heeft gereageerd op de stelling van [eiseres] dat het bestemmingsplan uit 2009 in beginsel voor een periode van 10 jaar wordt gehandhaafd indien het, zoals in dit geval, geen wijzigingsmogelijkheden bevatte.
tweede klachtvan het subonderdeel − dat het hof de uitleg van artikel 16 sub f die Pro door [verweerders] werd verdedigd heeft laten prevaleren − gaat uit van een onjuiste lezing van rov. 6.3 EA. Het hof oordeelt daarin immers dat het niet terugkomt van zijn tussenarrest waarin is geoordeeld dat de overeenkomst een leemte bevat ten aanzien van de situatie eind 2009.
subonderdelen 1.6, 1.8, 1.11 en 1.12niet slagen.
subonderdeel 2.1heeft het hof in deze overwegingen miskend dat bepaalde daarin genoemde omstandigheden die zich hebben voorgedaan na 2009 niet relevant zijn voor de invulling van een leemte die al in de overeenkomst van 1999 bestond.
subonderdeel 2.3is onjuist of onbegrijpelijk de overweging in rov. 6.13 EA dat niets is gesteld waaruit volgt dat [verweerders] met de door [eiseres] genoemde rendementseisen rekening heeft moeten houden, omdat niet zonder meer valt in te zien waarom [verweerders] niet had hoeven begrijpen dat [eiseres] een zeker rendement op haar investering had willen maken en haar ondernemersrisico, als gesteld, ook in die zin wilde beperken.
subonderdeel 3.1dient te falen.
subonderdeel 3.2is rov. 6.18 onjuist althans onbegrijpelijk omdat bij aanvulling van de overeenkomst naar aanleiding van onvoorziene omstandigheden zoals in onderhavig geval, de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de wettelijke rente slechts kan worden toegekend per datum van het eindarrest althans op het moment dat [eiseres] met de bebouwing kon beginnen.
subonderdeel 3.3is het oordeel dat [verweerders] redelijkerwijs had mogen aannemen dat in art. 16 onder Pro a de bijbetaling wordt geregeld en derhalve een fatale termijn is overeengekomen, ook in het onderhavige geval waarin zich een onvoorziene omstandigheid heeft voorgedaan, onbegrijpelijk. Art. 16 onder Pro a hangt onverbrekelijk samen met art. 16 onder Pro f; het hof kon daarom niet enerzijds artikel 16 sub f aanvullen Pro omdat het een leemte bevatte, terwijl het anderzijds besliste dat deze leemte geen invloed had op de met de bijbetalingsverplichting samenhangende fatale termijn van art. 16 onder Pro a.