Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
persoonlijkde verklaring moet ondertekenen [6] ; een stempelhandtekening is niet toereikend. Deze rechtspraak houdt verband met de taak van de geneesheer-directeur binnen het ziekenhuis (heel kort gezegd: kwaliteitsbewaking en consistentie van beleid op geneeskundig gebied). Zij heeft betrekking op de vraag wie de verklaring ondertekent, niet op de vraag hoe (met welk schrijfmateriaal) de verklaring is ondertekend. Het model van de geneeskundige verklaring is vastgesteld in bijlage 2 van de ministeriële Regeling vaststelling modellen Wet Bopz [7] , op grond van art. 14 Wet Pro Bopz in verbinding met art. 3 Besluit Pro administratieve bepalingen Bopz. Het model voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van het digitaal/elektronisch plaatsen van zijn of haar handtekening door de geneesheer-directeur.
eIDAS-Regulation) [10] . Het begrip ‘elektronische handtekening’ omvat “gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere gegevens in elektronische vorm en die door de ondertekenaar worden gebruikt om te ondertekenen” [11] . Art. 3:15a BW onderscheidt drie categorieën van elektronische handtekeningen:
voor het verkeer tussen burgers en bestuursorganen.Art. 2:16 lid 1 Awb Pro bepaalt dat aan het vereiste van ondertekening is voldaan door een elektronische handtekening indien de methode die daarbij voor ondertekening is gebruikt voldoende betrouwbaar is, gelet op de aard en inhoud van het elektronisch bericht en het doel waarvoor het is gebruikt. Via art. 8:40a Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard op het verkeer met de bestuursrechter in de gevallen waarin nog geen wettelijke verplichting tot digitaal procederen bestaat. Naar de letter is deze bepaling niet van toepassing in Bopz-machtigingszaken, hoewel de geneesheer-directeur bij het uitoefenen van deze taak te beschouwen is als een ‘bestuursorgaan’ in de zin van art. 1:1 lid 1 Awb Pro [15] . Hoofdstuk 8 Awb is immers niet van toepassing op machtigingsprocedures op grond van de Wet Bopz [16] .
kanworden gelijkgesteld met een handgeschreven handtekening. De klacht faalt ook voor zover betrokkene hiermee de betrouwbaarheid van de hier gebruikte methode van elektronische ondertekening in cassatie alsnog ter discussie heeft willen stellen. Zonder een daarop gericht verweer van de zijde van betrokkene, behoefde de rechtbank in haar beschikking niet uitdrukkelijk te verantwoorden waarom zij van oordeel was dat de methode van ondertekening ‘voldoende betrouwbaar’ is. Die vraag kan niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld, reeds omdat de beantwoording daarvan een onderzoek naar de feiten vergt [17] . Voor het gebruik van de elektronische handtekening op zich is een wettelijke basis aan te wijzen. Dit neemt niet weg, dat de regelgever mijns inziens er goed aan zou doen, naast de privacywetgeving, voor alle duidelijkheid (ook) in de Regeling vaststelling modellen Wet Bopz – en te zijner tijd in de Besluiten ter uitvoering van de Wet verplichte ggz en de Wet zorg en dwang – op te nemen dat, en onder welke voorwaarden, het gebruik van een elektronische handtekening in een geneeskundige verklaring is toegestaan.
Onderdeel IVhoudt in dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij het verweer heeft verworpen dat kan worden volstaan met het verlenen van een voorwaardelijke machtiging (als bedoeld in art. 14a Wet Bopz) en waarom zij die mogelijkheid ook niet aan de officier van justitie heeft voorgelegd op de voet van art. 8a Wet Bopz.