ECLI:NL:PHR:2019:363

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2019
Publicatiedatum
10 april 2019
Zaaknummer
18/02407
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verbeteringsbeschikking ondernemingskamer wegens schending hoor en wederhoor

In deze zaak heeft de ondernemingskamer van het Hof Amsterdam bij beschikking van 6 februari 2018 wanbeleid vastgesteld van een naamloze vennootschap en haar verantwoordelijken. De ondernemingskamer verbeterde deze beschikking op 6 april 2018 op grond van art. 31 Rv Pro. De verzoeker stelde cassatieberoep in tegen zowel de oorspronkelijke beschikking als de verbeteringsbeschikking.

De Procureur-Generaal concludeert dat de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 niet in stand kan blijven, omdat de ondernemingskamer bij de verbetering buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv Pro is getreden en de verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Dit betreft essentiële procesvormen.

De conclusie strekt tot vernietiging van de verbeteringsbeschikking en verwijzing van de zaak. De Procureur-Generaal acht het niet vereist om afzonderlijk cassatieberoep in te stellen tegen de verbeteringsbeschikking. De zaak hangt samen met andere zaken waarin soortgelijke klachten zijn behandeld.

Uitkomst: De verbeteringsbeschikking van de ondernemingskamer wordt vernietigd wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en buiten toepassing treden van art. 31 Rv.

Conclusie

Zitting: 29 maart 2019 Conclusie inzake:
Zaaknr: 18/02407 mr. L. Timmerman
[verzoeker]
tegen
1. [verweerster 1] B.V.
2. [verweerster 2] N.V.
3. [verweerder 3]
4. [verweerder 4]
5. [verweerder 5]
6. En 12 anderen
Deze zaak hangt samen met de zaken 18/01935 en 18/01950.

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
Voor de feiten en het procesverloop in deze zaak verwijs ik naar mijn conclusie in de samenhangende zaak 18/01935 tussen dezelfde partijen, waarin ik vandaag ook concludeer.
1.2.
In de zaak 18/01935 heeft [verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) bij op 7 mei bij de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 6 februari 2018. [1] Het cassatieverzoekschrift bevat de onderdelen (a), (b) en (c).
1.3.
Bij aanvullend cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 heeft [verzoeker] zijn gronden van cassatie tegen de beschikking van de ondernemingskamer van 6 februari 2018, zoals op de voet van art. 31 Rv Pro verbeterd bij de beschikking van 6 april 2018 [2] , aangevuld met de onderdelen (d) en (e).
1.4.
In de onderhavige zaak heeft [verzoeker] in zoverre als vereist tevens bij afzonderlijk cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 cassatieberoep ingesteld tegen de verbeteringsbeschikking van de ondernemingskamer van 6 april 2018. [3] Het cassatieverzoekschrift in deze zaak bestaat uit de onderdelen (a) en (b), die inhoudelijk overeenkomen met de onderdelen (d) en (e) uit het aanvullende cassatieverzoekschrift in de zaak 18/01935.
1.5.
In de zaak 18/01935 heb ik geconcludeerd tot ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn aanvullende cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 (nr. 3.9-3.15 van de conclusie in de zaak 18/01935).
1.6.
In de zaak 18/01935 heb ik geconcludeerd tot vernietiging van de beschikkingen van de ondernemingkamer van 6 februari 2018 en 6 april 2018. De onderdelen (d) en (e) die gericht zijn tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 zijn behandeld in nr. 3.29-3.41 van de conclusie. Mijns inziens slagen beide onderdelen. De verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 kan volgens mij niet in stand blijven omdat de ondernemingskamer bij de verbetering buiten het toepassingsbied van art. 31 Rv Pro is getreden (onderdeel (d)) en omdat verbetering is aangebracht zonder [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten in de zin van art. 31 lid 1 Rv Pro, waardoor essentiële vormen zijn verzuimd (onderdeel (e)).

2.De bespreking van het cassatiemiddel

2.1.
Gelet op het voorgaande kom ik in de onderhavige zaak aan bespreking van het cassatiemiddel niet meer toe. Het is mijns inziens niet vereist afzonderlijk cassatieberoep in te stellen tegen de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 (zie ook nr. 3.14 van de conclusie in de zaak 18/01935). Voor de bespreking van de – volgens mij slagende – klachten tegen de verbeteringsbeschikking verwijs ik naar nr. 3.29-3.41 van de conclusie in de zaak 18/01935.

3.De conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de verbeteringsbeschikking van 6 april 2018 en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 6 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:377,
2.Hof Amsterdam (ondernemingskamer) 6 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1609,
3.Cassatieverzoekschrift van 31 mei 2018 in de zaak 18/02407, onder 12.