Conclusie
hind sight bias’. Verder klaagt zij dat het oordeel dat de aanvaring voorkomen had kunnen worden indien de ‘ Vlieland ’ het bedoelde marifooncontact had gemaakt, berust op ongeoorloofde ‘
wishful thinking’. Ten slotte wordt geklaagd over het passeren van het aanbod tot (tegen)bewijs.
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
hind sight bias’ (
onderdeel 1). Verder wordt geklaagd dat het oordeel in rov. 2.12 dat de aanvaring voorkomen had kunnen worden indien de ‘ Vlieland ’ het bedoelde marifooncontact had gemaakt, berust op een ongeoorloofde ‘
wishful thinking’ van het hof, en dat het hof het bewijsaanbod van [eiseres] ten onrechte heeft gepasseerd (
onderdeel 2). Het middel bevat tot slot enkele ‘voortbouwende’ klachten tegen de oordelen van het hof in rov. 2.13, 2.14 en 2.16 (
onderdelen 3 t/m 5).
en hoofdelijk voor alle overige schade”. De eerste situatie wordt vervolgens uitgewerkt in het tweede lid van art. 8:545 BW Pro en de tweede situatie in het derde lid. Art. 8:545, tweede lid, BW bepaalt dat de eigenaren van de schepen, die gezamenlijk door hun schuld de aanvaring hebben veroorzaakt, tegenover de benadeelden in beginsel aansprakelijk zijn in de verhouding tot het gewicht van de schuld van hun schepen. Art. 8:545, derde lid, bepaalt dat, in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid, elk der aansprakelijke eigenaren zijn door het tweede lid van art. 8:545 BW Pro vastgestelde aandeel in de betaling aan de schuldeiser voor zijn rekening moet nemen (de interne draagplicht). De eigenaar die meer dan zijn aandeel aan de schuldeiser(s) heeft betaald, heeft voor het overschot in beginsel verhaal op zijn medeschuldenaren, die minder dan hun aandeel hebben betaald (derde lid, tweede volzin). Indien het oordeel van het hof dat sprake is van ‘medeschuld’ stand houdt, zijn op grond van art. 8:545, eerste lid, BW dus zowel [eiseres] als [verweerster] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die de Staat, als schuldloze derde, als gevolg van de aanvaring heeft geleden (vgl. ook het rechtbankvonnis van 30 september 2015, rov. 3.10).
Casuele/de Toekomstheeft de Hoge Raad een uitleg gegeven aan het begrip ‘schuld van het schip’ als bedoeld in de huidige artikelen 8:544-545 BW (ten aanzien van een zeeschip) en 8:1004-8:1005 BW (ten aanzien van een binnenschip). [16] De Hoge Raad overwoog het volgende (mijn onderstreping): [17]
moet in[sic]
worden vooropgesteld dat volgens art. 8:1004 lid 1 en Pro art. 8:546 geen Pro wettelijk vermoeden van schuld bestaat. Daaruit valt af te leiden dat op de eigenaar van het schip niet in het algemeen risicoaansprakelijkheid rust met betrekking tot door of met het schip aan personen of zaken toegebrachte schade (in deze zin ook Kamer van beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, 13 oktober 1976, Schip en Schade 1977, 49). Daar staat echter tegenover dat volgens art. 6:173 lid 1 de Pro bezitter van een roerende zaak aansprakelijk is indien zich een bijzonder gevaar voor personen of zaken verwezenlijkt dat in het leven is geroepen doordat de zaak niet aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen voldoet. Ofschoon deze bepaling volgens het derde lid uitdrukkelijk niet op schepen van toepassing is, dient een daarmee overeenstemmende regel ook te gelden met betrekking tot de aansprakelijkheid van de eigenaar van een schip volgens de art. 8:544–8:545 en 8:1004–8:1005.Dit een en ander leidt tot de conclusie dat sprake is van schuld van een schip indien de schade het gevolg is van: (a) een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de art. 6:169–6:171; (b) een fout van een persoon of van personen die ten behoeve van het schip of van de lading arbeid verricht/verrichten of heeft/hebben verricht, begaan in de uitoefening van hun werkzaamheden; (c) de verwezenlijking van een bijzonder gevaar voor personen of zaken dat in het leven is geroepen doordat het schip niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden eraan mocht stellen.”
Speculatief/Condor. [18]
Deze bepaling die vrijwel overeenkomt met het RPR en het Vaarreglement vormt de grondslag voor het gedrag in het verkeer. De ruime begrippen ‘goede zeemanschap’ en ‘de omstandigheden waarin het schip zich bevindt’ dekken de grote verscheidenheid van situaties die zich in de scheepvaart kunnen voordoen. Zie ‘Goede zeemanschap op de binnenwateren’ van Mr. W.A.C. van Dam (uitg. Born 1961). De onderhavige bepaling vindt in de eerste plaats toepassing, wanneer voor een bepaalde situatie voorschriften in het reglement ontbreken. Voorts echter voorziet zij er in, hoe in een bepaalde situatie de onderscheidene voorschriften van het reglement behoren te worden uitgevoerd.
Als men voorrang moet verlenen moet men dat op tijd duidelijk laten zien (duidelijk vaart verminderen of koers wijzigen).
Als men geen voorrang hoeft te verlenen*[in de bijbehorende voetnoot is vermeld: “
Uitdrukkelijk wordt hier niet gesproken van ‘voorrang hebben’, omdat dat niet bestaat” – A-G]
moet men koers en snelheid behouden.
Als de handelingen van het schip dat voorrang moet verlenen onvoldoende zijn om een aanvaring te voorkomen, moet ook het schip dat in eerste instantie verplicht was koers en snelheid te behouden alle mogelijke acties ondernemen om alsnog een aanvaring te vermijden. Dit lijkt in theorie gemakkelijk, maar is in de praktijk juist een van de moeilijkere beslissingen. Gaat men te vroeg, dan kan het verwijt zijn dat men koers en snelheid moest behouden. Gaat men te laat, dan kan het verwijt zijn niet alles te hebben gedaan wat mogelijk was. Hier is inzicht en vakmanschap van groot belang.Als het toch tot een aanvaring komt moet men met steekhoudende argumenten van goed zeemanschap kunnen aangeven hoe en waarom men zo heeft gehandeld.
(…)”
4.Bespreking van de klachten
de ‘ Vlieland ’, met een lengte van ongeveer 100 meter, een breedte van 11,30 meter, een maximaal geladen diepgang en beladen met ongeveer 2.794 ton zware stookolie, voer met een snelheid van ongeveer 13 km per uur in oostelijke richting via het Noordzeekanaal en het Binnen IJ;
achter de ‘ Vlieland ’, ook in oostelijke richting, voer het binnenschip de ‘ Grendel ’;
rond 19:12 uur – dus ongeveer twaalf minuten nadat de ‘ Vlieland ’ zich via kanaal 68 had gemeld en was begonnen kanaal 68 uit te luisteren – heeft de ‘ Kevin S ’ zich gemeld op kanaal 68;
uit het kanaal 68-gesprek van 19:25:50 uur, dat om ongeveer 19:26:12 uur eindigde, volgt – en heeft de ‘ Vlieland ’ begrepen, zoals ook uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt – dat een de ‘ Vlieland ’ tegemoetkomend schip (de ‘ Caspara ’; het schip in de afvaart) de Mercuriushaven wilde invaren en dat in de monding van de Mercuriushaven een voor de zeevaart bestemd schip (de ‘ Kevin S ’; de coaster) voer dat voornemens was het Noordzeekanaal op te draaien, onderweg naar de sluizen in IJmuiden, en dus komend van de stuurboordzijde van de ‘ Vlieland ’;
op het moment van het gesprek van 19:25:50 uur voer de ‘ Vlieland ’ op 200 à 300 meter voor de monding van de Mercuriushaven;
het was toen al donker;
vanaf de ‘ Vlieland ’ kon men wegens de bebouwing op de hoek van de Mercuriushaven niet de Mercuriushaven in kijken;
door de positie van het aan de noordwestzijde van de Mercuriushaven afgemeerde schip de ‘ Saligna ’ werd het zicht achter dat schip, vanuit de positie van de ‘ Vlieland ’, belemmerd en werd ook het radarzicht vanuit het Noordzeekanaal richting de Mercuriushaven verhinderd;
vanuit de Mercuriushaven was een goed radar of visueel zicht op het scheepvaartverkeer niet mogelijk.
onder 1) dat deze oordelen getuigen van een rechtens onjuiste, althans onbegrijpelijke dan wel ontoereikend gemotiveerde ‘
hind sight bias’ ten nadele van de ‘ Vlieland ’ respectievelijk [eiseres] . Volgens [eiseres] zou het hof met deze oordelen hebben miskend dat er om 19:26:12 uur (het einde van het marifoongesprek van de ‘ Caspara ’ met de ‘PA6’, tevens het moment waarop volgens het hof de ‘ Vlieland ’ “in elk/ieder geval” de andere verkeersdeelnemers via de marifoon en/of anderszins had moeten waarschuwen) en zelfs nog kort daarop tot 19:27:22 uur (het begin van het marifoongesprek van de ‘PA6’ met de
achterde ‘ Vlieland ’ varende ‘ Grendel ’), voor (de kapitein van) de ‘ Vlieland ’ redelijkerwijs nog geen enkele serieuze aanleiding was om bedacht te zijn op een zich mogelijkerwijs ontwikkelende gevaarsituatie, met name ook niet op een dreiging van een aanvaring met de ‘ Kevin S ’ en een daardoor geïndiceerde waarschuwingsplicht en/of andere voorzorgsmaatregel van de ‘ Vlieland ’ (in de zin van art. 4.05, lid 4, tweede volzin, in verbinding met de artikelen 1.04, 6.03 lid 5 en/of 6.16 lid 2 BPR) jegens de andere verkeersdeelnemers. [29]
onder 2):
- i) de ‘ Vlieland ’ voorrangsgerechtigd was (art. 6.16 lid 1 BPR);
- ii) dit voorrangsrecht impliceerde dat zij verplicht was haar koers en snelheid te behouden (art. 6.03 lid 5, eerste volzin, BPR);
- iii) de ‘ Vlieland ’ er, zeker tot enig voor haar kenbaar blijk van het (mogelijke) tegendeel, rechtens vanuit mocht gaan dat alle uit de Mercuriushaven komende schepen met de onder (i) en (ii) bedoelde regels bekend zouden zijn en zich ook daarnaar zouden gedragen.
- iv) de ‘ Vlieland ’ uit het door haar naar behoren (art. 4.05 lid 4 BPR) ‘uitgeluisterde’ marifoongesprek van 19.25.50 tot 19.26.12 uur tussen de ‘ Caspara ’ en de ‘PA6’ niet meer of anders kon afleiden dan dat binnen enige tijd een (haar nog niet bij naam, locatie of snelheid bekend) schip de Mercuriushaven zou uitvaren om het Noordzeekanaal over te steken en daarover in de tegenovergestelde richting zeewaarts te gaan varen;
- v) in het eerste daaropvolgende marifoongesprek, beginnend om 19:26:24 uur, de ‘ Kevin S ’ er bovendien door de ‘PA6’ rechtstreeks en ondubbelzinnig op is gewezen dat er twee schepen, die op dat moment nog slechts ca. 300 meter van de monding van de Mercuriushaven verwijderd waren, die monding vrijwel dadelijk zouden passeren en níet voor haar zouden wachten (anders dan de aan de oostelijke zijde van de monding op haar wachtende ‘ Caspara ’); en
- vi) een herhaling van diezelfde melding kort daarop door de ‘ Vlieland ’ op hetzelfde marifoonkanaal daarom geen toegevoegde waarde zou hebben gehad. Hiervan (en dus ook van de afwezigheid van een mogelijke aanvaringsdreiging) mocht de ‘ Vlieland ’ redelijkerwijs uitgaan, nu de ‘ Kevin S ’ deze eveneens door de ‘ Vlieland ’ gehoorde melding van de ‘PA 6’ met een “
in onderling verband en samenhangheeft bezien. Op grond van die feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat voorafgaand aan de aanvaring – kort samengevat – sprake was van een onoverzichtelijke situatie (vgl. 2.13). Daarbij heeft het hof ook de hiervoor
onder (i) t/m (iii)genoemde omstandigheden betrokken, maar geoordeeld dat de onoverzichtelijke situatie voorafgaand aan de aanvaring meebracht de ‘ Vlieland ’ als voorrangsgerechtigd schip diende te anticiperen op het vaargedrag van de ‘ Kevin S ’ dat haar voorrang diende te verlenen en dat de ‘ Vlieland ’ voorzorgsmaatregelen diende te nemen met het oog op de veiligheid van het scheepvaartverkeer en ter voorkoming van een aanvaring. Dit geldt temeer – zo ligt in ’s hofs oordeel besloten – nu de ‘ Kevin S ’ zich via de marifoon
nietuitdrukkelijk over haar snelheid en koers had uitgelaten en de ‘ Vlieland ’ tot kort voor de aanvaring ook geen visueel zicht had op de ‘ Kevin S ’, zodat zij de snelheid en koers van de ‘ Kevin S ’ niet, althans niet tijdig, zelf kon inschatten en evenmin kon verifiëren of de ‘ Kevin S ’ zich voldoende bewust was van haar aanwezigheid en haar gebruik van haar voorrangsrecht (vgl. rov. 2.10, 2.11 en 2.13). Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.9-3.14 is opgemerkt over de (strekking van de) artikelen 1.04, 4.05 lid 4, 6.03 lid 5 en 9.07 BPR zijn deze oordelen van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk.
onder (iv)vermelde omstandigheid dat de ‘ Vlieland ’ op grond van het marifoongesprek van 19:25:50 uur tussen de ‘ Caspara ’ en de ‘PA 6’ niet meer of anders kon en behoefde af te leiden dan dat binnen enige tijd een (haar nog niet bij naam, locatie of snelheid bekend) schip de Mercuriushaven zou uitvaren om het Noordzeekanaal over te steken en daarover in de tegenovergestelde richting zeewaarts te gaan varen, stuit af op het voorgaande. Gelet op de onoverzichtelijkheid van de situatie en
juistnu de locatie en snelheid van de ‘ Kevin S ’ voor de ‘ Vlieland ’ niet duidelijk waren, had het volgens het hof op de weg van de ‘ Vlieland ’ gelegen om met het oog op de veiligheid voor de scheepvaart voorzorgsmaatregelen te nemen door zich na het marifoongesprek van 19:25:50 uur actief in het marifoonverkeer te mengen en haar locatie, koers en snelheid door te geven. Uit dat marifoongesprek heeft de ‘ Vlieland ’ immers begrepen dat in de monding van de Mercuriushaven een voor de zeevaart bestemd schip voer dat voornemens was het Noordzeekanaal op te draaien, onderweg naar de sluizen in IJmuiden, en dus komend van de stuurboordzijde van de ‘ Vlieland ’ (vgl. rov. 2.11 onder d). Dat het hof gelet op deze omstandigheden heeft geoordeeld dat er vanaf 19:25:50 uur voor de ‘ Vlieland ’ redelijkerwijs aanleiding was om bedacht te zijn op een zich mogelijkerwijs ontwikkelende gevaarsituatie, is niet onbegrijpelijk.
onder (v) en (vi)genoemde omstandigheden kunnen evenmin afdoen aan de oordelen van het hof in rov. 2.11. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat het hof – anders dan
onder (v)wordt gesteld –
nietheeft geoordeeld dat de mededeling van de ‘PA 6’ aan de ‘ Kevin S ’ “
ondubbelzinnig” was. Verder blijkt uit de feitenvaststelling en het proces-verbaal 201100426 dat de mededeling van de ‘PA 6’
nietinhield – zoals
onder (v)wordt gesteld – dat de twee schepen (in tegenstelling tot de ‘ Caspara ’) “
níetop de ‘ Kevin S ’ zouden wachten”. Het hof heeft slechts vastgesteld dat de betreffende mededeling van de ‘PA 6’ luidde: “
We have two vessels inbound eh about 300 metre from the Westside Mercuriushaven and one inbound barge from the East and he is waiting for you to leave Mercuriushaven”. [32] Daarbij is nog op te merken dat de rechtbank aan dit citaat tussen de woorden “
he” en “
is” heeft toegevoegd “[
matig verstaanbaar].” [33] In zoverre mist het in de procesinleiding
onder (v)gestelde dus feitelijke grondslag.
Okay, thank you’. Bovendien heeft het hof van belang geacht dat de schipper van de ‘ Vlieland ’ de ‘PA 6’ niet als een gezaghebbende bron van (verkeersbegeleidende) berichten heeft aangemerkt, aangezien hij de ‘PA 6’ in zijn verklaring heeft aangeduid als “
het kleine bootje, waarvan ik niet weet wat voor bootje het was” (vgl. rov. 2.13 en 2.16). Hiermee heeft het hof de stellingen van [eiseres] dat er na het gesprek van 19:25:50 uur voor de ‘ Vlieland ’ geen enkele aanleiding bestond om zich in het marifoonverkeer te mengen en dat zij er – zonder meer dan wel vanwege de berichten van de ‘PA 6’– op mocht vertrouwen dat de ‘ Kevin S ’ zou wachten met de Mercuriushaven uitvaren tot de ‘ Vlieland ’ en de ‘ Grendel ’ de monding waren gepasseerd, voldoende gemotiveerd verworpen.
onder 2 onder (vii)) kan daarnaast nog de klacht worden gelezen dat onbegrijpelijk is op welke “
andere verkeersdeelnemers” respectievelijk “
anderen” dan alleen de ‘ Kevin S ’ het hof het oog heeft gehad met zijn overwegingen in rov. 2.11:
de andere verkeersdeelnemersdaarop werden geattendeerd en daarmee rekening zouden houden; en
anderenop haar aanwezigheid had moeten attenderen.
onder 2 onder (viii)) dat onbegrijpelijk is wat het hof in rov. 2.11, zoals hiervoor weergegeven onder 4.2 onder a en b, – net als in de eerste volzin van rov. 2.12 – heeft bedoeld met de woorden “
in elk/ieder geval”, nu er vóór het vanaf 19:25:50 uur begonnen marifoongesprek tussen de ‘PA6’ en de ‘ Caspara ’
a fortiorigeen enkele aanleiding voor de ‘ Vlieland ’ bestond om zich actief in dit marifoonverkeer te mengen. [35]
in elk geval” en “
in ieder geval” te gebruiken, laat het hof dit verder in het midden en motiveert het waarom dát
“in elk/ieder geval”gold na de reactie van de ‘PA6’ op de melding van de ‘ Caspara ’ om 19:25:50 uur. Onbegrijpelijk is dit oordeel niet.
onder 4 (i) en (ii)genoemde omstandigheden niet af aan het oordeel van het hof dat de ‘ Vlieland ’ – gelet op de feiten en omstandigheden voorafgaand aan de aanvaring – te lichtvaardig heeft aangenomen dat zij met gebruikmaking van haar voorrangsrecht de monding van de Mercuriushaven veilig kon passeren. Daarbij is nog op te merken dat de rechtbank de omstandigheid dat de ‘ Kevin S ’ zonder vaart te verminderen de Mercuriushaven uit en het Noordzeekanaal op is gevaren, heeft betrokken in zijn oordeel dat dat schip 4/5 schuld heeft aan de aanvaring (rov. 3.11; in hoger beroep niet bestreden). Dit geldt ook voor de omstandigheid dat, anders dan de kapitein van de ‘ Kevin S ’ heeft verklaard, uit het marifoonverkeer
nietwas af te leiden dat de ‘ Kevin S ’ (van de ‘PA 6’ of enig ander schip) toestemming had gekregen om vóór de Vlieland over te steken (rov. 3.11; in hoger beroep niet bestreden).
op.
error in extremis” oplevert.
hypothetischdoor de ‘ Vlieland ’ aan de ‘ Kevin S ’ binnen circa 1 minuut gedane, meer uitvoerige mededeling met een meerkeuzeverzoek tot een dadelijke en adequate reactie van de ‘ Kevin S ’ zou hebben geleid – onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd zijn in het licht van de omstandigheden dat:
- i) de ‘ Kevin S ’ rond 19:26:24 uur direct en ondubbelzinnig door de ‘PA 6’ erop is gewezen dat er twee over het Noordzeekanaal varende en dus voorrangsgerechtigde schepen (de ‘ Vlieland ’ en de ‘ Grendel ’) vanuit westelijke richting bijna op het punt stonden de monding van de Mercuriushaven te kruisen, zonder daarbij op haar (de ‘ Kevin S ’) te zullen wachten;
- ii) die door de ‘ Kevin S ’ voor ontvangst bevestigde mededeling (“
ondubbelzinnig” erop is gewezen dat er twee over het Noordzeekanaal varende “
en dus voorrangsgerechtigde schepen” vanuit westelijke richting bijna op het punt stonden de monding van de Mercuriushaven te kruisen, “
zonder daarbij op haar (de ‘ Kevin S ’) te zullen wachten” (zie onder 4.7). Daarmee missen de klachten feitelijke grondslag.
no time’ verlangde mededeling met verzoek/voorstel te doen aan de slechts Engelssprekende kapitein van de ‘ Kevin S ’. [40] Aldus zou het hof in strijd art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van de vorderingen van de Staat en [verweerster] hebben aangevuld, mede gelet op de op de Staat en [verweerster] rustende bewijslast ter zake (art. 150 Rv Pro).
Vervolgens hoor ik het kleine bootje, waarvan ik niet weet wat voor een bootje het was, zeggen tegen de Coaster: “er zijn nog twee schepen in de opvaart richting het Centraal Station op 200 meter en 300 meter voor de monding”. [42] Deze verklaring van de kapitein van de ‘ Vlieland ’ ziet onmiskenbaar op het marifoongesprek dat vanaf 19:26:24 uur tussen de ‘PA 6’ en de ‘ Kevin S ’ in de Engelse taal heeft plaatsgevonden. Voor zover het hof hieraan vervolgens de conclusie heeft verbonden dat de kapitein van de ‘ Vlieland ’ ook in staat was om de in rov. 2.12 bedoelde mededelingen – die van vrij eenvoudige aard zijn, zoals het doorgeven van de locatie, koers en snelheid – in het Engels te doen, is dit oordeel van het hof niet onjuist of ontoereikend gemotiveerd. Van strijd met art. 149 lid 1 Rv Pro is geen sprake. Evenmin heeft het hof hiermee in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van de vorderingen van de Staat en [verweerster] aangevuld.
Daar merkt de Staat nog bij op dat het hier niet alleen gaat om de handelingen die de ‘ Vlieland ’ had kunnen verrichten om een aanvaring te voorkomen, maar ook die de ‘ Kevin S ’ had kunnen verrichten – al dan niet in gezamenlijkheid – indien laatstgenoemd schip op de hoogte was geweest van de zich ontwikkelende gevaarsituatie. Dan hadden de ‘ Vlieland ’ en de ‘ Kevin S ’ elkaars bedoelingen kunnen verifiëren en een passeerafspraak kunnen maken.”
[eiseres] neemt in haar grieven het standpunt in dat de VLIELAND niets meer had kunnen doen om de aanvaring te voorkomen. Dat standpunt kan niet worden gevolgd. Het gaat er in de visie van de Reder (en met haar de rechtbank) echter niet alleen om wat de VLIELAND nog actief had kunnen doen, maar ook om wat de andere deelnemers (als mogelijk gevolg daarvan) hadden kunnen doen indien de schipper van de VLIELAND zich actief met de situatie had bemoeid, zowel in communicatie als in actie. (…)”
De Staat betoogt in dit verband terecht dat het ook gaat om de handelingen die de ‘ Kevin S ’ had kunnen verrichten, al dan niet in gezamenlijkheid met de ‘ Vlieland ’, indien de ‘ Kevin S ’ op de hoogte was geweest van de zich ontwikkelende gevaarsituatie. De ‘ Vlieland ’ en de ‘ Kevin S ’ hadden elkaars bedoelingen kunnen verifiëren en een passeerafspraak kunnen maken. In dezelfde geest voert [verweerster] aan dat de ‘ Vlieland ’ via de marifoon haar positie had moeten doorgeven om te waarschuwen en daarna nadere afspraken had moeten maken met de ‘ Kevin S ’(…)”
‘ Vlieland ’om, binnen de resterende tijd en afstand, een aanvaring met de ‘ Kevin S ’ te voorkomen. [46] [eiseres] is in het kader van haar betwisting van het causaal verband dus
nietingegaan op het mogelijke handelen van het overige scheepvaartverkeer en, in het bijzonder op de manoeuvreermogelijkheden van de ‘ Kevin S ’.
om die redenvan oordeel is dat [eiseres] de stellingen van de Staat en [verweerster] – die – zoals gezegd – mede betrekking hadden op het mogelijke handelen van de ‘ Kevin S ’, al dan niet gezamenlijk met de ‘ Vlieland ’ – onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dit is overigens ook de reden waarom het hof in rov. 2.14 (i) het verzoek van [eiseres] om een deskundigenonderzoek naar de nautische en technische mogelijkheden van de ‘ Vlieland ’ om een aanvaring te voorkomen, heeft afgewezen en (ii) heeft overwogen dat zijn oordelen en overwegingen
niet zijn gebaseerdop het door de Staat bij de memorie van antwoord overgelegde deskundigenrapport van mevr. P. Kluytenaar. De conclusie van dat rapport (dat is opgesteld in opdracht van de advocaat van de Staat) hield in, kort weergegeven, dat de ‘ Vlieland ’ meerdere mogelijkheden had om de aanvaring met de ‘ Kevin S ’ te voorkomen, waarvan de meest voor de hand liggende manoeuvre was geweest om achter de ‘ Kevin S ’ langs te varen.
38 Voor zover vereist biedt [eiseres] uitdrukkelijk aan [betrokkene 1] van de VLIELAND te horen over de feiten rond de aanvaring en in het bijzonder over de gesprekken die gevoerd zijn over de marifoon.”
64 Hoewel [eiseres] zich tot geen bewijsstelling c.q. bewijslevering gehouden acht, biedt zij aan, onder voorbehoud van alle rechten, haar vorderingen met alle middelen rechtens te bewijzen. [eiseres] denkt met name aan het horen van [betrokkene 1] van de VLIELAND , die zou kunnen verklaren over de toedracht van de aanvaring, en eventueel nader op te geven getuigen. [eiseres] behoudt zich het recht voor om nadere stellingen en bewijzen aan te voeren indien uit de verweren van eiseressen nadere en nieuwe feiten bekend zouden worden, die verweerder tot op heden onbekend zijn.”
32 [eiseres] biedt aan al haar stellingen met alle middelen rechtens te bewijzen, met dien verstande dat zij niet beoogt om met dit bewijsaanbod verplicht enige bewijslast naar zich toe te halen. Aangeboden wordt om in hoger beroep als getuige te doen horen beambten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] van de Havendienst alsmede [betrokkene 1] van de VLIELAND en nader te noemen getuigen.”
33 Mocht uw hof al niet op grond van het bij bovenstaande grieven aangevoerde beslissen dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en de VLIELAND schuldloos verklaren verzoekt [eiseres] het hof op de voet van artikel 194 Rv Pro. een bericht of verhoor van deskundigen te bevelen. Dit, gezien de technische aard van een deel van de stellingen van [eiseres] , met name waar het gaat om de mogelijkheden die de VLIELAND feitelijk en technisch had binnen het bijzonder korte tijdsbestek van 1 minuut en 48 seconden om een aanvaring te voorkomen door middel van een zogenaamde “crash stop”, dan wel een roermanoeuvre. De aan de te benoemen deskundige te stellen vragen dienen zich toe te spitsen op de mogelijkheden die [betrokkene 1] met de VLIELAND zowel nautisch als technisch (niet) had om een aanvaring met de KEVIN S te voorkomen. [eiseres] geeft uw hof in overweging om in het kader van een deskundigenbericht het maritiem onderzoeksbureau MARIN in Wageningen te benoemen.”
Voor zover uw hof aanleiding zou zien om het verzoek van [eiseres][om op grond van art. 194 Rv Pro een bericht of verhoor van deskundigen te bevelen – A-G]
te passeren, verzoekt [eiseres] subsidiair uw hof te bepalen dat [eiseres] in de gelegenheid wordt gesteld om op grind van het beginsel van hoor en wederhoor een rapport in het geding te brengen van een door [eiseres] benoemde partij-deskundige.”
- i) [eiseres] heeft nalaten voldoende concreet te vermelden op welke van haar stellingen haar bewijsaanbod betrekking heeft; en
- ii) niet gebleken is dat zij bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.
gespecificeerdis. Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad. [51]
Een partij die feiten betwist waarvan de wederpartij bewijs in het geding heeft gebracht, en (tegen)bewijs aanbiedt, dient dus feiten te stellen die voorwerp van (tegen)bewijslevering kunnen zijn (…) en die tot een (ander) oordeel kunnen leiden over de feiten waarvan de wederpartij de bewijslast draagt.” [53] Ook voor een aanbod tot tegenbewijs geldt derhalve dat een partij feiten moet hebben gesteld die zich lenen voor bewijslevering en die tot een ander oordeel kunnen leiden.
niet gebleken is dat zij bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden’), sluit aan bij deze maatstaf en is dus rechtens juist. Inhoudelijk is dit oordeel, gelet op het gevoerde partijdebat, ook zeker niet onbegrijpelijk.
error in extremis” oplevert. Nu de klachten tegen de oordelen van het hof in rov. 2.11 en 2.12 niet tot cassatie kunnen leiden, faalt ook deze klacht.