Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatieberoep
Het verzoek tot vernietiging moet worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen.
De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd.
termijnwaarbinnen een verzoek tot vernietiging moet worden ingediend als het
aanvangsmomentvan die termijn.
hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd” [7] , dient op grond van art. 5:130 lid 2 BW Pro een verzoek tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars te zijn ingediend binnen een maand na de dag waarop verzoeker van het besluit “
heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen”.
l, eerste lid (oud) BW bepaalde daartoe:
kan hij binnen de tijd van één maand na het tijdstip, waarop hij van het besluit kennis heeft kunnen nemen, aan de kantonrechter, binnen wiens rechtsgebied het gebouw is gelegen, verzoeken de nietigheid van het besluit uit te spreken. (…)” (cursivering A-G)
Artikel 638l. Op welke wijze meent de Regering, dat een eigenaar van een besluit, als hier bedoeld, ,,
kennis heeft kunnen nemen”? Stel het geval, dat deze naar Indonesië of Amerika vertrekt (voor zaken) zonder een gemachtigde te stellen. Wat dan? In elk geval ware het wenselijk geweest hier ,,
redelijkerwijs” in de voegen. (…)” [9] (cursivering A-G)
Art. 638l. De Regering acht het ook zonder de invoeging, bepleit door de hier aan het woord zijnde leden, duidelijk, dat de in het eerste lid gestelde termijn van een maand aanvangt op het tijdstip waarop de verzoeker van het besluit
redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen. (…)” [10] (cursivering A-G)
llid 1 (oud) BW kreeg een plaats in art. 876
d(oud) BW, voor zover hier van belang luidend:
binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen.
Art. 876d tweede lid. Ook hier zijn enkele verbeteringen aangebracht in de tekst van art. 638l, eerste lid. Men vergelijke Asser-Beekhuis, Bijzonder deel p. 113 en 114.” [12]
l, eerste lid, opgemerkt:
d(oud) BW “
heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen” aldus aangesloten bij de uitleg die eerder in Asser-Beekhuis was gegeven aan de woorden “
kennis heeft kunnen nemen” uit art. 638
l(oud) BW.
d(oud) BW opgegaan in art. 5.10.2.1
d. In dit artikel was, voor zover van belang, het volgende bepaald:
d. 1. Een besluit van de vergadering van eigenaars kan op verzoek van iedere appartementseigenaar of andere stemgerechtigde door de boedelrechter binnen wiens rechtsgebied het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen, worden vernietigd:
heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen.
Artikelen 5.10.2.1ca en 5.10.2.1d. 1. Het nieuwe artikel 5.10.2.1
caen de wijziging van artikel 5.10.2.1
dhouden verband met Boek 2, zoals dit bij het zesde gedeelte van de Invoeringswet zal worden gewijzigd
(a). Ter toelichting van de voormelde bepalingen moet worden vooropgesteld dat ingevolge het nieuwe artikel 5.10.2.0 lid 2 de artikelen 14, 15 en 16 van Boek 2 in beginsel ook op de vereniging van eigenaars van toepassing zijn, en dat het niet wenselijk is om in titel 5.10 onnodig van de daarin gegeven algemene regels betreffende de nietigheid en vernietigbaarheid van besluiten af te wijken.
d, dat voor de vernietigbaarheid van de besluiten van de vergadering van eigenaars een eigen afgrenzing bevatte, geschrapt. Het is vervangen door een nieuw lid 1 van een geheel ander karakter, waarop hieronder wordt teruggekomen. De voormelde schrapping heeft tot gevolg dat voor het antwoord op de vraag wanneer een besluit van de vergadering van eigenaars nietig c.q. vernietigbaar is, de regels van de artikelen 14 en 15 van Boek 2 beslissend zijn. Daarmee is tevens aan de door de commissie bij dit artikel gemaakte opmerking voldaan.
vorderingdie voor de
rechtbankmoet worden ingesteld. In overeenstemming met andere in titel 5.10 opgenomen bepalingen (bijv. de artikelen 5.10.1.1 lid 6, 5.10.1.13 lid 3, 5.10.1.15 leden 1 en 3) is daarom in het nieuwe eerste lid van artikel 5.10.2.l
dbepaald dat de vernietiging in afwijking van artikel 15 lid 3 van Pro Boek 2 geschiedt door een uitspraak van de
kantonrechteren
op verzoekvan degene die krachtens dit lid de vernietiging kan vorderen. Tevens wordt daarbij uitdrukkelijk aangegeven welke kantonrechter te dezer zake bevoegd is. De verwijzing naar de verzoekschriftprocedure brengt in verband met artikel I lid 2 van Hoofdstuk IV (slotbepalingen) van het eerste gedeelte van de Invoeringswet mee, dat de artikelen 429a-429r Rv. van toepassing zijn.
dlid 2 is gehandhaafd. Dit brengt mee dat het verzoek in afwijking van artikel 15 lid 5 van Pro Boek 2 binnen een maand moet worden gedaan. Aldus wordt ook in de nieuwe regeling rekening gehouden met het belang van de eigenaars om zo spoedig mogelijk te weten of het besluit geldig is of niet.
dlid 2 (thans art. 5:130 lid 2 BW Pro) bewust heeft gehandhaafd.
alid 3 (oud) BW als vastgesteld bij wet van 12 mei 1960 [22] – welk artikel bij de invoering van Boek 2 in 1976 is opgegaan in art. 11 lid Pro 3 (oud) BW [23] – is over de ‘aanvangsmomenten’ wel iets opgemerkt. Men zie:
alid 3, toev. A-G] bevat derhalve slechts een regeling van de aanvang van de gewone verjaringstermijn van een jaar voor de vernietigingsgronden van lid 1, welk aanvangstijdstip afwijkt van de hier niet bruikbare bepaling van artikel 3.2.17 lid 1 sub d. (…)
b)) niet alleen ten aanzien van leden of aandeelhouders, maar ook ten aanzien van derden-belanghebbenden werking kan hebben, zullen een verslag in het verenigingsorgaan of een rondschrijven aan de leden in het algemeen slechts werken ten aanzien van de leden.
Is het juist en billijk het risico van het onbekend zijn met een besluit, zoals in lid 3 van artikel 2.1.8a wordt bepaald, ook dan steeds voor rekening te laten komen van degene, die het besluit na verloop van de termijn wil aanvechten, indien deze van het besluit is verwittigd, maar dit niet was gepubliceerd?
alid 3 van Boek 2 BW bij wet van 12 mei 1960. [27]
l(oud) BW, waarin als volgt werd overwogen:
dlid 2 is gehandhaafd. Dit brengt mee dat het verzoek in afwijking van artikel 15 lid 5 van Pro Boek 2 binnen een maand moet worden gedaan.
Aldus wordt ook in de nieuwe regeling rekening gehouden met het belang van de eigenaars om zo spoedig mogelijk te weten of het besluit geldig is of niet(…)” [29] (cursivering A-G).
de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen” een aanvang neemt, steeds met inachtneming van de omstandigheden van het geval – en dus feitelijk – ingevuld.
een eigenaartot vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars is – op één uitspraak na – bij de beantwoording van de vraag wanneer de in art. 5:130 lid 2 BW Pro bedoelde termijn gaat lopen, steeds bepalend geacht of de eigenaar wist dat het desbetreffende besluit ter vergadering van de vereniging van eigenaars aan de orde was en wanneer hij aldus kon nagaan (m.a.w. “zich ervan kon vergewissen”) wat de inhoud daarvan was.
kunnen kennis nemen’. Niet gesteld immers is dat [verzoekster] van die besluiten vóór het moment waarop zij ervan had kunnen kennis nemen feitelijk reeds kennis had genomen. Volgens [verzoekster] is, zo begrijpt het hof, van ‘
kunnen kennis nemen’harerzijds sprake vanaf de datum van plaatsing van de notulen van de genoemde vergadering op de webstek van VVE DIENSTEN NEDERLAND op 10 december 2015 en toezending ervan per e-mailbericht op die dag om 10:00 uur (…), omdat zij eerst toen zekerheid had omtrent hetgeen ter vergadering was besproken en besloten.
kunnen kennis nemen’, waarna het hof de standpunten van partijen op dat punt heeft vastgesteld.
heeft kunnen kennis nemen” moet worden verstaan “heeft
redelijkerwijskunnen kennis nemen” (zie onder 2.9-2.10). Dit criterium verzet zich er niet tegen dat, gelijk het hof heeft gedaan, tot uitgangspunt wordt genomen dat een eigenaar zich op de dag van of daags na de vergadering van het besluit kan vergewissen, en dat van “redelijkerwijs kennis kunnen nemen” slechts geen sprake is indien de verzoeker aannemelijk maakt dat hij die mogelijkheid in de concrete omstandigheden van het geval niet had.
redelijkerwijs kunnen kennis nemen” van een besluit is bedoeld (het moment) dat een eigenaar
zelfkennis kon nemen van een besluit, doordat bijvoorbeeld (het bestuur/de beheerder van) de VvE de notulen van de vergadering aan hem heeft toegezonden.
hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd” (zie onder 2.7). In art. 2:15 lid 5 BW Pro wordt derhalve, indien er geen sprake is van daadwerkelijke bekendheid van belanghebbende met het besluit, de aanvang van de vervaltermijn afhankelijk gesteld van een handeling van de rechtspersoon: het geven van voldoende bekendheid aan het besluit of het verwittigen van de belanghebbende. Uit de tekst van en/of de parlementaire geschiedenis bij (de voorlopers van) art. 5:130 lid 2 BW Pro kan echter niet worden afgeleid dat, indien er geen sprake is van daadwerkelijke kennis van het besluit, het aanvangen van de in die bepaling bedoelde termijn afhankelijk is van het handelen van de vereniging van eigenaars.
gedeeltelijkin overeenstemming is gebracht met art. 2:15 BW Pro (zie onder 2.19), maar de wetgever er destijds bewust voor heeft gekozen art. 5.1.10.1
dlid 2 (thans art. 5:130 lid 2 BW Pro) te handhaven (zie onder 2.20). Dat de wetgever in dat verband (enkel) heeft overwogen dat “
dit [mee]brengt[ ] dat het verzoek in afwijking van artikel 15 lid 5 van Pro Boek 2 binnen een maand moet worden gedaan” (zie onder 2.19) betekent naar mijn mening nog niet dat de wetgever voor het aanvangsmoment van die termijn heeft willen aansluiten bij art. 2:15 lid 5 BW Pro. Dit klemt temeer nu het expliciet gehandhaafde criterium van art. 5:130 lid Pro 2 (“kennis hebben kunnen nemen”) al dateert van de vaststelling art. 638
llid 1 (oud) BW in 1951 (zie onder 2.8), terwijl de ‘aanvangsmomenten’ van de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW Pro eerst hun intrede hebben gedaan met de vaststelling van art. 2.1.8
alid 3 (oud) BW in 1960 (zie onder 2.26).