Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verweer dat de ten laste gelegde uitlating niet de ‘telastlegging van een bepaald feit’ oplevert onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, althans dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Het
tweede middelbevat de klacht dat het verweer dat aan de verdachte een beroep toekomt op art. 261, derde lid, Sr en/of op het in art. 10 EVRM Pro neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting onvoldoende gemotiveerd is verworpen.
Het eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de ten laste gelegde uitlating niet de ‘telastlegging van een bepaald feit’ inhoudt. Het hof heeft overwogen dat de aard en combinatie van de woorden op de posters zonder meer smadelijk zijn voor [A] B.V. omdat de woorden een verband leggen tussen het – in opdracht van de overheid – bouwen en de gestelde deportaties, waarop het bedrijf trots zou zijn en waarbij wordt benadrukt dat het bedrijf hierbij een duurzame partner is. Het hof heeft in dat verband voorts overwogen dat de woorden zijn bedoeld om het bedrijf in zijn goede naam te raken en dat deze het bedrijf in een zeer negatief daglicht zetten, terwijl de posters de indrukken wekken dat het bedrijf zelf enige betrokkenheid zou hebben bij de zogenoemde deportaties, althans bij het gevoerde overheidsbeleid aangaande de uitzetting van vluchtelingen.
Het tweede middelbevat klachten over de verwerping door het hof van het beroep op art. 10 EVRM Pro en art. 261, derde lid, Sr.