De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk, wegens medeplegen van twee inbraken in Friesland. De verdachte had de auto geleend waarin hij samen met drie medeverdachten werd aangehouden met de buit van de inbraken. Het hof achtte de nauwe en bewuste samenwerking voldoende bewezen op grond van de gezamenlijke reis, aanwezigheid in de auto, en de vondst van de buit en inbraakwerktuigen.
In cassatie stelde de advocaat-generaal dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om medeplegen aan te nemen, aangezien niet was vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk had deelgenomen aan de voorbereiding of uitvoering van de inbraken. De Hoge Raad bevestigde dat voor medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist is, waarbij een bijdrage van voldoende gewicht moet worden geleverd. De enkele aanwezigheid in de auto en het lenen van de auto zijn onvoldoende om medeplegen aan te nemen zonder nadere motivering.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en wees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het hof moet expliciet motiveren waarom de bijdrage van de verdachte voldoende zwaar weegt voor medeplegen, rekening houdend met jurisprudentie waarin het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid wordt benadrukt. De strafoplegging door het hof werd niet bekritiseerd en bleef in stand.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij medeplegen, vooral wanneer de verdachte geen directe handelingen bij de inbraak heeft verricht, en bevestigt dat aanwezigheid en gebruik van een voertuig alleen niet automatisch tot medeplegen leiden.