Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
überhauptgeen overweging was bij de (vormgeving van de) transactie.
binneneen concern wilde faciliteren en niet de verkoop van ondernemingen of delen daarvan aan derden, en (iii) de medewetgever desgevraagd expliciet verklaarde dat de splitsingsfaciliteit niet bedoeld is voor een geval van opsplitsing in vier divisies waarna volgens een voorafgaand plan één divisie wordt verkocht aan derden, en
altijdcommerciële redenen bestaan en dat afsplitsing van een groot aantal tankstations en een centrale tankstationsorganisatie naar één aparte rechtspersoon gevolgd door aandelenverkoop
altijdmakkelijker is dan een groot aantal activa- en passivatransacties en contractovernemingen; als dat voldoende zakelijke reden zou zijn, zouden de tweede en derde volzin van art. 5c van het Besluit zinloos zijn, en
nietvan plan was geweest om die onderneming af te stoten aan een derde. Om te ontsnappen aan het bewijsvermoeden, moet de wens tot verkoop van de aandelen in de afgesplitste rechtspersoon mijns inziens zijn ontstaan los van die afsplitsing en dus in beginsel pas ná die afsplitsing, die om andere redenen dan de wens om een onderneming te verkopen zakelijk moet zijn. Dat heeft het Hof niet onderzocht.
voor de vennootschapsbelasting‘denkbaar’ achtte dat ook een verkoop van juridisch afgesplitste activiteiten aan een derde via aandelenoverdracht voldoende zakelijk kan zijn
naastaandeelhoudersmotieven voor een dergelijke afsplitsing en overdracht, nl. bij ‘afslankingsoperaties’ en ruziesplitsingen, en (ii) ook het
voor de vennootschapsbelastinggewezen
Bulkgasarrestsuggereert dat als er urgerende niet-fiscale redenen zijn voor afstoting van een deel van de onderneming aan een derde en een andere vorm dan afsplitsing gevolgd door aandelenverkoop onpraktisch is, voldoende tegenbewijs is geleverd, dus dat het in bepaalde bijzondere gevallen niet om een
internereorganisatie hoeft te gaan, maar ook vrijgesteld kan zijn een indirecte ondernemingsverkoop aan een derde die al vaststond vóór afsplitsing van die onderneming naar een separate rechtspersoon juist met het oog op die verkoop aan een derde.
Bulkgasarrest– althans voor de overdrachtsbelasting – mogelijk onjuist is geweest.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
defaultis in belanghebbendes situatie: ‘belast, tenzij’, of ‘vrijgesteld, tenzij’?
NTFR2018/1287. Ik merk op dat het proces-verbaal van de zitting bij het Hof vermeldt dat op die zitting ‘namens belanghebbende’ onder meer is verschenen ‘mr. D.C. Simonis’:
NLF2018/1104:
NLF2019/0416 bekritiseerd:
NTFR2019/605:
3.Het geding in cassatie
tweedevolzin van art. 5c(1) Uitv.Besl. BvR toegepast, terwijl hij ook de
derdevolzin had moeten toepassen. Hij had de splitsing mede in het licht van de meteen daarop volgende verkoop moeten beoordelen, nu de splitsing en de verkoop onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. De afsplitsing van het vermogen in de belanghebbende is louter terug te voeren op de daaraan voorafgaand al overeengekomen verkoop van dat afgesplitste vermogen aan [A] BV in de vorm van aandelenoverdracht en moet dus aan die verkoop worden gerelateerd. Heeft het Hof wél bedoeld die toets aan te leggen, dan is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Volgens de Staatssecretaris is belanghebbendes geval een schoolvoorbeeld van door de wetgever expliciet
nietgewenst gebruik van de vrijstelling voor andere doeleinden (nl. verkoop aan een derde) dan interne reorganisatie (dus binnen een concern). Uit het Bulkgasarrest HR
BNB2006/282 [4] volgt zijns inzien dat het gaat om het
overallhoofdmotief van het samenstel van transacties; dat is in casu niet een reorganisatie binnen concern in de vorm van een splitsing, maar de verkoop van de tankstations(onderneming) aan een derde.
verweerdat het Hof de drietrapsbeoordeling voor de toepassing van de splitsingsfaciliteit ex art. 5c Uitv.Besl. BvR correct heeft toegepast: (i) de vrijstelling is van toepassing, tenzij de splitsing in overwegende mate gericht is op het ontgaan van belastingheffing; (ii) de splitsing wordt geacht in overwegende mate gericht te zijn op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing als zakelijke overwegingen ontbreken, behoudens tegenbewijs; (iii) zakelijke overwegingen worden geacht te ontbreken als binnen drie jaar na de splitsing de aandelen in een bij de splitsing betrokken entiteit worden vervreemd, behoudens tegenbewijs. Het Hof heeft de splitsing wel degelijk mede in het licht van de daarop volgende verkoop bezien. Dat volgt expliciet uit r.o. 5.2, waaruit ook volgt dat de belanghebbende aan haar bewijsplicht heeft voldaan. Uit de wetssystematiek volgt volgens de belanghebbende art. 5c(1)(3e volzin) Uitv.Besl. BvR geen afzonderlijke toets inhoudt, maar terugkeert naar de primaire toets van de zakelijkheid van de overwegingen in de tweede volzin. Gezien r.o. 5.2 heeft het Hof de splitsing beoordeeld mede in het licht van de overdracht en haar daarom als zakelijk aangemerkt. De belanghebbende acht onbegrijpelijk de stelling dat ‘s Hofs oordeel onvoldoende zou zijn gemotiveerd nu het Hof zowel het al dan niet ontgaan of uitstellen van belastingheffing heeft onderzocht als de zakelijkheid van de overwegingen heeft getoetst. Gezien die bewezen zakelijkheid is art. 5c(1)(3e volzin) Uitv. Besl. BvR niet van toepassing. Uit de parlementaire stukken en de jurisprudentie blijkt volgens haar niet dat de faciliteit alleen zou zijn bedoeld voor reorganisaties binnen concern. Zij verwijst behalve naar het Bulkgasarrest ook naar een uitspraak van Rb. Noord-Holland van 31 januari 2018 [5] (zie 6.7 hieronder). Zij acht haar geval geenszins een schoolvoorbeeld van hetgeen de wetgever niet wilde vrijstellen, nu in haar geval immers geen sprake is van verkoop van losse tankstations aan derden (dat was om zakelijke redenen niet mogelijk) maar juist om de verkoop van een tankstationsonderneming
going concernmet alle bijhorende leveranciers- en exploitatie-contracten, activa, personeel, etc.
4.De splitsingsvrijstelling van overdrachtsbelasting
onderstrepingPJW): [6]
3.1. De faciliteiten bij inbreng, reorganisatie en fusie
transacties binnen concerndie niet aan die voorwaarden voldoen, vrij te stellen.
alle transacties binnen een concernzijn vrijgesteld. (…). Daarbij zullen in het besluit BR echter wel nadere voorwaarden dienen te worden gesteld om oneigenlijk gebruik van de vrijstelling te voorkomen. Te denken valt aan een voorwaarde die ziet op de termijn dat het onderdeel van het concern dat het onroerende goed verkrijgt,
deel moet blijven uitmaken van het concern.
Artikel I, onderdeel C (overdrachtsbelasting)
Zwijnenburg [13] volgt dat als een fusie of splitsing als (een) hoofddoel heeft de ontwijking van
overdrachtsbelasting, dat op zichzelf geen rechtvaardiging is voor de weigering van de Richtlijnvoordelen in de
vennootschapsbelasting of de
inkomstenbelasting. [14]
5.De splitsingsvrijstelling in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969
4. Zakelijke overwegingen
3. Zakelijke overwegingen
6.Rechtspraak
BNB2006/282 [23] ging over de vraag of de splitsingsfaciliteit ex art. 14a(6) Wet Vpb (destijds lid 5), dus voor de vennootschapsbelasting, van toepassing was hoewel de aandelen in de afgesplitste vennootschap meteen na de afsplitsing werden vervreemd, volgens een vóór de afsplitsing al overeengekomen plan. Het betrokken concern wilde een ander bedrijf overnemen, maar kreeg daarvoor alleen toestemming van de Europese Commissie als het in verband met zijn dreigende dominante marktpositie bulkgasactiviteiten zou afstoten. Het koos daarvoor de weg van inbreng van die activiteiten in een afgesplitste vennootschap en verkoop van de aandelen in die vennootschap. Het hof had de vrijstelling van toepassing geacht omdat hij aannemelijk achtte dat commercieel geen reële andere routes open stonden. U overwoog als volgt op het cassatieberoep van de Staatssecretaris:
BNB2009/28 [24] betrof een aandelen
fusiegevolgd door verkoop van de ingebrachte aandelen. U achtte voor de vraag of belastingfraude of –ontwijking een hoofddoel is doorslaggevend de bedoeling van de betrokkenen bij de totstandkoming van de obligatoire overeenkomst die aan de aandelenfusie ten grondslag ligt. In dat geval werd de faciliteit toegepast omdat de fusie-overeenkomst gesloten was vóór de verkoopovereenkomst. U oordeelde verder dat zelfs als vóór het sluiten van de aandelenfusie-overeenkomst een voornemen tot verkoop van de in te brengen aandelen zou hebben bestaan, dit op zichzelf niet het vermoeden wettigt dat belastingontwijking het hoofddoel of een van de hoofddoelen van de aandelenfusie was.
BNB2012/261 [25] volgt dat geen zakelijke overwegingen aan een ‘ruziesplitsing’ ten grondslag liggen als in feite geen sprake is van conflicten, maar de splitsing onderdeel is van de uitkoop van een aandeelhouder (zoals ook de medewetgever stelde in het citaat in 5.3 hierboven). De zaak betrof een vastgoedvennootschap waarin twee broers elk 50% van de aandelen hielden. Het vastgoed zou bij een splitsing geheel overgaan op een nieuwe vennootschap terwijl de andere nieuwe vennootschap enkel liquiditeiten zou verkrijgen. U zag daarin evenmin als de feitenrechter zakelijke (bedrijfseconomische) overwegingen voor de toepassing van de vennootschapsbelastingfaciliteit, maar veeleer een uitkoop van een broer:
NTFR2019/423 deze uitspraak van het Hof Den Bosch vergeleken met de thans te beoordelen, tegengestelde uitspraak van het Hof Den Haag; ik herhaal dat het proces-verbaal van de zitting van het Hof vermeldt dat ‘namens belanghebbende’ verschenen zijn, onder meer, ‘mr. D.C. Simonis’:
BNB2012/261:
7.Literatuur
FED1998/350) en één toegespitst op de overdrachts-belasting (J.H. Elink Schuurman, ‘De splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting: tijd voor een revisie!’,
WPNR2015/7060). Enige van de in onderdeel 6 hierboven geciteerde rechterlijke uitspraken worden besproken door A. Rozendal, ‘Recente rechtspraak inzake de fusie- en splitsingsfaciliteit in de overdrachtsbelasting’,
FBN2018/5.
FBN2016/10, en P.H.M. Simonis, ‘Juridische fusie en overdrachtsbelasting: art. 5bis’,
MBB2012/3. Wel specifiek over de overdrachtsbelasting bij splitsing, maar alleen over de ruziesplitsing gaat: A. Rozendal, 'Fiscale aspecten van ruziesplitsing',
FBN2016/45.
8.Beoordeling van het middel
überhauptvan de toepassing van de antimisbruikbepalingen in de vennootschapsbelasting en de overdrachtsbelasting, gezien de zeer van elkaar verschillende belastbare feiten van die beide belastingen en de daardoor verschillende ontwijkingsmogelijkheden (zie 4.9 e.v. hierboven). Het synchronisatie-idee is aardig, maar de praktijk en het recht lijkt mij andere eisen te stellen.
A-Brauerei, [31] als volgt overwoog over de Duitse vijf-jaar-aandelen-vasthouden-voorwaarde voor vrijstelling van overdrachtsbelasting bij intra-concern omzettingen van vennootschappen met onroerende zaken:
überhauptgeen overweging was bij de (vormgeving van de) transactie.
binneneen concern wilde faciliteren en niet de verkoop van ondernemingen of delen daarvan aan derden, hoe rationeel en bedrijfseconomisch verantwoord wellicht ook, en (iii) de citaten in 5.3 en 5.4 waarin de medewetgever desgevraagd tweemaal expliciet verklaart dat de splitsingsfaciliteit – in de vennootschapsbelasting -
nietbedoeld is voor een geval van opsplitsing in vier divisies waarna volgens een voorafgaand plan één divisie wordt verkocht aan derden en
altijdcommerciële redenen bestaan en dat afsplitsing van een groot aantal tankstations en een centrale tankstationsorganisatie naar één aparte rechtspersoon gevolgd door aandelenverkoop
altijdmakkelijker is dan een groot aantal activa- en passivatransacties en contractovernemingen; als dat voldoende zou zijn, zouden de tweede en derde volzin van art. 5c van het Besluit zinloos zijn of alleen zien op nauwelijks verzinbare bijzondere gevallen, en
nietdaaraan voorafgaand al van plan was geweest om die onderneming te verkopen aan een derde, maar van plan was geweest om die na herstructurering of rationalisering binnen het [B] -concern voort te zetten. Om te ontsnappen aan het bewijsvermoeden, moet de wens tot verkoop van de aandelen in de afgesplitste rechtspersoon (tot indirecte verkoop van de onderneming) mijns inziens zijn ontstaan los van die afsplitsing en dus in beginsel pas ná die afsplitsing, die om andere redenen dan de wens om een onderneming te verkopen zakelijk moet zijn geweest, waarna gewijzigde niet-fiscale omstandigheden nader de wens tot verkoop deden ontstaan, bijvoorbeeld na twee jaar een onverwacht en aantrekkelijk bod op de aandelen door een derde. Dat heeft het Hof niet onderzocht.
voor de vennootschapsbelasting‘denkbaar’ achtte dat ook een verkoop van juridisch afgesplitste activiteiten aan een derde via aandelenoverdracht voldoende zakelijk kan zijn
naastaandeelhoudersmotieven voor een dergelijke afsplitsing en overdracht, nl. bij ‘afslankingsoperaties’ en ruziesplitsingen (zie het citaat in 5.3, waarin de medewetgever overigens niet ingaat op de door de Tweede Kamer gesuggereerde ‘afslankingsoperaties’, maar alleen op ruziesplitsingen), zij het dat de motieven in dergelijke gevallen volgens hem ‘kritisch’ moeten worden bezien, en (ii) ook het
voor de vennootschapsbelastinggewezen
Bulkgasarrestsuggereert dat als er urgerende niet-fiscale redenen zijn voor afstoting van een deel van de onderneming aan een derde en een andere vorm dan afsplitsing gevolgd door aandelenverkoop onpraktisch is, voldoende tegenbewijs is geleverd, dus dat het in bepaalde bijzondere gevallen niet om een
internereorganisatie hoeft te gaan, maar ook vrijgesteld kan zijn een indirecte bedrijfsverkoop aan een derde die al vaststond vóór afsplitsing van het bedrijf naar een separate rechtspersoon juist met het oog op die verkoop aan een derde.
Bulkgasarrest– althans voor de overdrachtsbelasting – mogelijk onjuist is geweest: dat de Europese Commissie voor de door het concern gewenste overname van een concurrent als voorwaarde stelde dat bulkgasactiviteiten zouden worden afgestoten, is mijns inziens geen grond om de aan die afstoting vast zittende vervreemding van onroerende zaken vrij te stellen van overdrachtsbelasting, tenzij het concern in verband met zijn continuïteit geen reële andere keuze had, ook niet bij de vorm (afsplitsing en aandelenverkoop) van de afstoting.