Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iklaagt dat de rechtbank een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling of bij betrokkene sprake is van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 2 lid 3 aanhef Pro en onder a, in verbinding met artikel 2 lid 4 Wet Pro Bopz. Als de rechtbank wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, dan is haar oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
“Betrokkene is erg psychotisch en neemt medicatie (antipsychoticum). Ik zie de gestelde diagnose bij betrokkene terug en dan vooral de psychotische kwetsbaarheid. De psychose is zonder drugs aanwezig en is nog niet verbleekt.” [4]
“omdat ik geen keuze heb. Anders moet ik namelijk naar het huis van bewaring. Ik wil hier niet verblijven.” [5]
“moet worden gevreesd dat betrokkene zich aan de behandeling zal onttrekken en de instelling zal verlaten” [7] indien de machtiging niet wordt verleend. Gelet op de hiervoor reeds geciteerde opmerking van betrokkene
“Ik neem de medicatie in, maar de haat loopt op”en voorts de mededeling van de psychiater ter zitting
“de kans dat wij maatregelen gaan inzetten in het kader van de Wet Bopz is vrij groot” [8] ,is dit oordeel ook niet onbegrijpelijk.
“Dat hij thans in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft in het kader van zijn schorsingsvoorwaarden kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een verblijf op vrijwillige basis worden aangemerkt” [9] .
14. De stelling van het middel dat verzoekster zich ‘in voormeld ziekenhuis’ bevindt ‘op basis van een schorsing van haar voorlopige hechtenis’ is onjuist. De basis, of titel, van verzoeksters verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis te Santpoort is (in de onder 12 genoemde periode) haar bereidverklaring, in dat ziekenhuis te verblijven.
.dan verliest het uit het oog dat de voorlopige hechtenis – op verzoek van betrokkene – is geschorst. Artikel 15 Pbw Pro kon derhalve niet meer van toepassing zijn op betrokkene.