Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nietin de weg staat aan voortzetting van de procedure in cassatie.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
punt 2.6stelt het middel dat [eiser] heeft aangevoerd dat de reparatie aan zijn auto niet naar behoren is uitgevoerd. [3] Nu het hof in het midden laat of de reparatiewerkzaamheden (waarop de overeenkomst tot aanneming van werk ziet) door Luiken naar behoren zijn verricht, moet volgens het middel daarom voor de beoordeling van de klachten veronderstellenderwijs van de juistheid van die stelling worden uitgegaan. Het hof overweegt in rov. 4.9 dat, nu Luiken niet in verzuim is komen te verkeren, niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de vraag of Luiken toerekenbaar tekort is geschoten (in de nakoming van de reparatieovereenkomst) en op die grond tot voldoening van de schade van [eiser] gehouden is. Luiken heeft in de feitelijke instanties betwist dat de reparatie gebrekkig is uitgevoerd. [4] In het licht hiervan faalt het betoog dat thans in cassatie bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag van de juistheid van de stelling van [eiser] moet worden uitgegaan.
punt 2.7dat [eiser] heeft aangevoerd dat Luiken hem gelet op de gebrekkigheid en lange duur van de reparatie en de aan Luiken destijds voorgehouden
second opinionvan een Renault dealer “waaruit de reparatie als ondeugdelijk naar voren komt”, met de factuur ter hoogte van € 3.114,01 [5] geen redelijke prijs als bedoeld in art. 7:752 BW Pro in rekening brengt. [6] Het middel neemt hier klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat Luiken [eiser]
terzake de reparatiekostengenoemd bedrag in rekening heeft gebracht. Dit uitgangspunt mist evenwel feitelijke grondslag, nu het hof in rov. 2.4, in cassatie niet bestreden, heeft overwogen dat van het bedrag van € 3.141,- een bedrag van € 2.477,64 samenhangt met de reparatie en het restant, een bedrag van € 663,37, betrekking heeft op de aanschaf van nieuwe banden. Voor zover de hierna te bespreken onderdelen betogen dat Luiken aan [eiser] terzake de reparatiewerkzaamheden een bedrag van € 3.141,- in rekening heeft gebracht, faalt dat betoog derhalve.
punt 3.2tot uitgangspunt dat partijen voor de reparatiewerkzaamheden aan de auto van [eiser] geen prijs zijn overeengekomen en dat dit betekent dat [eiser] op grond van art. 7:752 BW Pro hooguit een redelijk loon verschuldigd is. [7] Het onderdeel stelt dat Luiken heeft aangevoerd dat het door haar gefactureerde loon redelijk is in de zin van dat artikel [8] , dat [eiser] heeft aangevoerd dat dit niet zo is [9] en dat hij Luiken in dat verband onder verwijzing naar een
second opinionheeft gewezen op de ondeugdelijkheid van de reparatie. [10] Het onderdeel klaagt vervolgens in
punt 3.3dat het oordeel van het hof dat het aan de opdrachtgever ( [eiser] ) is te stellen en zo nodig te bewijzen dat het hem in rekening gebrachte loon niet redelijk is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu het miskent dat, nu een prijsafspraak tussen partijen ontbreekt, de opdrachtnemer (Luiken) de stelplicht en bewijslast draagt met betrekking tot de vraag of het in rekening gebrachte loon redelijk is.
second opinion, heeft beargumenteerd waarom de reparatie aan de auto ondeugdelijk is en bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag in cassatie moet worden uitgegaan van de ondeugdelijkheid van de reparatie.
een redelijke prijsis verschuldigd en dat bij de bepaling van de prijs rekening wordt gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. In HR 21 juni 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC4875, NJ 1968/290 m.nt. H. Drion heeft Uw Raad het volgende overwogen met betrekking tot de stelplicht en bewijslast bij aanneming van werk indien geen bepaald bedrag als aannemingssom is overeengekomen (onderstreping mijnerzijds, A-G):
voor de afzonderlijk gefactureerde postendoor Luiken niet als een redelijke prijs kan worden beschouwd. Dit oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd. Ik licht dit als volgt toe.
punt 2.7van de procesinleiding, hiervoor weergegeven in 2.2, staat dat [eiser] heeft aangevoerd dat Luiken hem met de factuur ter hoogte van € 3.114,01 [14] geen redelijke prijs als bedoeld in art. 7:752 BW Pro in rekening heeft gebracht. Daarmee stelt het middel uitsluitend het in rekening gebrachte
totaalbedragaan de orde en
nietde door het hof genoemde afzonderlijk gefactureerde posten. Zoals hiervoor vermeld zijn in het gefactureerde totaalbedrag begrepen de kosten van vier autobanden. Uit de factuur, die is overgelegd als prod. 1 bij de inleidende dagvaarding, blijkt voorts dat in het bedrag van € 3.141,01 is begrepen de btw (21%) ad € 545,13. Op de factuur worden meerdere posten genoemd. Tussen partijen is niet in geschil dat de posten die niet betrekking hebben op de vier autobanden alle samenhangen met de reparaties aan de auto. Dit komt neer op een bedrag van in totaal € 2.047,64 exclusief btw. In het licht van het feit dat alle posten op de factuur zijn gespecificeerd, zowel voor wat betreft de materiaalkosten als de verrichte werkzaamheden zelf, lag het op de weg van [eiser] om aan te geven met welke van de gefactureerde posten hij het niet eens is. Hij kon niet volstaan met de stelling dat het totaal gefactureerde bedrag - waarin derhalve btw, autobanden en materialen zijn begrepen - niet redelijk is. Daarbij merk ik onder verwijzing naar de tekst van art. 7:752 lid 1 BW Pro nog op dat bij de bepaling van hetgeen een redelijke prijs is (indien van tevoren geen prijs is overeengekomen) rekening wordt gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst
gewoonlijk bedongen prijzenen met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Gesteld noch gebleken is dat de afzonderlijk gefactureerde posten afwijken van de gewoonlijk bedongen prijzen.