Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Igegrond is. Dit betekent dat de op de comparitie voortbouwende arresten van 7 maart 2017, het eindarrest van 8 mei 2018 en het aanvullende arrest van 29 mei 2018 niet in stand kunnen blijven. De klachten die zijn gericht tegen deze arresten behoeven daarom geen behandeling meer. Ik bespreek daarom niet de
subonderdelen II.D, II.E, onderdeel III en subonderdeel IV.B. Ik bespreek de resterende klachten in de volgorde van de overwegingen van het hof waartegen zij zijn gericht, dus eerst subonderdeel IV.A en daarna subonderdelen II.A t/m II.C.
eerste alineavan het subonderdeel betoogt − dat het hof hieruit heeft afgeleid dat [eiser] heeft beaamd dat [verweerder] de vrijheid had er naar believen voor te kiezen om onderdelen van de bouw zelf uit te voeren, of in eigen beheer.
tweede alineavan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof in de stellingen van [eiser] niet gelezen of hoeven lezen dat partijen elkaar als uitgangspunt aan de overeenkomst – waarmee kennelijk wordt gedoeld op: door [eiser] uit te voeren onderdelen van het werk − zouden kunnen houden. Evenmin is het oordeel onbegrijpelijk omdat het hof elders spreekt van de oorspronkelijke opdracht, meerwerk en afzonderlijke opdrachten.
derde alineavan het subonderdeel aanvoert, is niet onbegrijpelijk dat het hof in (onder meer) rov. 4.7 van het eerste tussenarrest de raming wel hanteert voor zover partijen daarvan niet zijn afgeweken. Anders dan deze klacht veronderstelt, heeft het hof op dit punt geen onderscheid gemaakt tussen partijen.
vierde alineavan het subonderdeel aanvoert, is het oordeel niet onbegrijpelijk in het licht van de stelling dat, blijkens de betaling van de eerste vier facturen, de opdracht als uitgangspunt diende voor de verplichtingen van partijen. Het hof behoefde niet afzonderlijk op deze stelling in te gaan.
vijfde en zesde alinea’svan het subonderdeel aanvoert, is het oordeel niet onbegrijpelijk in het licht van de stelling dat [verweerder] zich gebonden achtte aan de in de opdracht genoemde bedragen. Het hof overweegt in rov. 4.2 afzonderlijk ook dat partijen zich gebonden achten aan de in de kostenraming genoemde bedragen.
zesde alineavan het subonderdeel, dat het hof in rov. 2.4 van het tweede tussenarrest heeft nagelaten om op een bepaalde stelling te reageren, behoeft geen behandeling. Ik merk overigens op dat deze klacht faalt, nu zij niet verwijst naar stellingen van [eiser] in de processtukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het hof bij zijn oordeel dat geen sprake is van een gerechtelijke erkenning had moeten ingaan op de door [eiser] overgelegde producties 6 en 7.
zevende alineavan het subonderdeel te falen.
subonderdeel II.Btreedt het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd en handelt het in strijd met art. 24 Rv Pro door in rov. 4.7 een vergelijking te maken tussen de raming (productie 1 bij dagvaarding) en het ter toelichting op de facturen 681 en 687 overgelegde overzicht van alle verrichtte werkzaamheden en geleverde materialen (productie 4 bij dagvaarding). In de procedure staan uitsluitend de facturen 681 en 687 centraal zodat het hof zich had dienen te beperken tot een beoordeling van het verweer van [verweerder] tegen die facturen. In ieder geval, aldus
subonderdeel II.C, miskent het hof art. 149 Rv Pro doordat, kort gezegd, (a) [verweerder] niet alle posten van de vergelijking in rov. 4.7 heeft betwist en (b) [verweerder] niet alle afzonderlijke materiaalposten in de facturen 681 en 687 heeft betwist, zodat deze als vaststaand moeten worden beschouwd.
onderdeel 5. De op het eerste tussenarrest voortbouwende arresten van 7 maart 2017, 8 mei 2018 en 29 mei 2018 dienen vernietigd te worden en de zaak dient ter verdere behandeling en beslissing verwezen te worden naar een ander gerechtshof.