Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
subonderdeel 1.1heeft het hof onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot de beslissingen in rechtsoverwegingen 3.15.2 en 3.15.4, omdat het een aantal essentiële stellingen van [A] niet, althans niet kenbaar, in zijn beslissing heeft betrokken. Die stellingen zijn:
subonderdeel 1.2heeft het hof er geen blijk van gegeven dat het het Haviltexcriterium heeft toegepast. De steller van het middel ziet er aldus aan voorbij dat het hof niet gehouden was om de toepasselijke maatstaf te expliciteren. De klacht wijst geen overweging van het hof aan waaruit volgt dat het hof de Haviltexmaatstaf heeft miskend. Ook wijst de klacht geen door het hof onbesproken gelaten stelling van [A] aan die in het licht van de Haviltexmaatstaf een essentieel karakter draagt. Wel vermeldt het subonderdeel de stelling dat de bedoeling van partijen bij de koopovereenkomst anders is geweest dan door het hof aangenomen ‘zulks mede gezien het door FNI beoogde aanvangsrendement’. Dat F.N.I. een bepaald aanvangsrendement beoogde, is echter een wezenlijk andere kwestie dan de vraag of partijen beoogden dat de koopprijs zou zijn gerelateerd aan netto huurprijzen. Daarom behoefde het hof aan de bedoelde stelling geen afzonderlijke motivering te wijden. Dit nog los ervan dat het subonderdeel voor de stelling geen vindplaats in de gedingstukken van de feitelijke instanties vermeldt.
subonderdeel 1.3is de motivering van het hof in het licht van hetgeen [A] heeft aangevoerd onbegrijpelijk. Deze klacht bouwt voort op de voorgaande klacht en faalt evenzeer. Het subonderdeel verwijst nog naar ‘gebruiken in de markt’, maar zonder toelichting en zonder vindplaats.
nietmoeten worden toegerekend aan een huurperiode van 5 jaar,
maar aan een langere periode.De procesinleiding verwijst op blad 5 onder d naar paragraaf 147 van de memorie van antwoord. Hier is betoogd dat:
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
betwistingvan door de wederpartij te stellen feiten, veelal wordt aangeduid met de niet-adequate term ‘verzwaarde stelplicht’. [8] Het is juist op díé figuur dat het vervolg van de klacht zich beroept.
subonderdeel 2.2 onder (i). In het licht van het voorgaande behoefde het oordeel van het hof dat F.N.I. haar stellingen onvoldoende had onderbouwd, een nadere motivering. In dit verband wijs ik erop dat [A] jegens F.N.I. aansprakelijk is vanwege het achterhouden van informatie. Uit hetgeen F.N.I. had aangevoerd, had het hof alleszins duidelijk moeten zijn dat F.N.I. vreesde dat [A] óók in de schadestaatprocedure informatie achterhield. Als het hof meende dat deze vrees zonder grond was, had het zijn oordeel in elk geval beter moeten motiveren.