ECLI:NL:PHR:2019:5

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
20 december 2018
Zaaknummer
17/03062
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 307 SrArt. 27a SrArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens dood door schuld door nalaten tijdig medische hulp te verlenen na GHB-gebruik

De verdachte was samen met zijn vriendin aanwezig op een feest waar zij verschillende drugs gebruikten, waaronder GHB. Na het feest gingen zij met anderen naar een hotelkamer waar de vriendin GHB gebruikte en buiten bewustzijn raakte. Ondanks aandringen van aanwezigen weigerde de verdachte medische hulp in te schakelen en reed hij met de bewusteloze vriendin anderhalf uur naar huis in Haarlem. Pas daar realiseerde hij zich de ernst van de situatie en bracht haar naar het ziekenhuis, zonder het medisch personeel te informeren over het druggebruik.

De vriendin werd opgenomen op de intensive care en overleed enkele dagen later aan multiorgaanfalen, veroorzaakt door de combinatie van MDMA, GHB en alcohol. Het hof stelde vast dat de verdachte door zijn nalaten het risico op overlijden aanzienlijk had verhoogd en dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig had gehandeld. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatiemiddelen die de causaliteit en schuld betwistten.

De zaak benadrukt het belang van tijdig medische hulp bij drugsoverdosering en de zorgplicht die rust op een partner om adequaat te handelen. De verdachte had moeten voorzien dat de situatie ernstiger was dan gebruikelijk en had de informatie over het middelengebruik moeten delen met het ziekenhuis. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling tot vier maanden gevangenisstraf in stand bleef.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens dood door schuld door nalaten tijdig medische hulp te verlenen na GHB-gebruik vriendin.

Conclusie

Nr. 17/03062
Zitting: 8 januari 2019 (bij vervroeging)
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 12 juni 2017 de verdachte ter zake van primair “aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
In deze zaak gaat het in hoofdlijn om het volgende. De verdachte was met zijn vriendin zaterdagavond 22 februari 2014 op een ‘kasteelfeest’ in Haren bij Oss. De vriendin heeft tijdens dat feest wijn gedronken en XTC gebruikt. Die nacht zijn ze rond drie uur met vier anderen naar een nabijgelegen hotel in Oss gegaan en daar heeft de vriendin op een hotelkamer GHB gebruikt. Zij werd niet lekker en ging ‘out’. Vroeg op de zondagochtend (rond kwart over vijf) heeft de verdachte zijn vriendin in de auto getild, is met zijn vriendin naar huis (Haarlem) en vervolgens naar het ziekenhuis gereden. Aldaar kwam de vriendin rond zeven uur op zondagochtend reanimatiebehoeftig binnen en is zij maandagochtend 24 februari 2014 omstreeks 9.20 uur overleden.
De middelen betreffen de motivering van de bewezenverklaring (causaliteit en culpa) en daarom volgen nu eerst de bewezenverklaring en de bewijsconstructie van het hof.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 22 februari 2014 tot en met 24 februari 2014 te Oss en Haarlem en elders in Nederland aanmerkelijk onvoorzichtig, terwijl hij wist dat [betrokkene 1] MDMA, GHB en alcohol had ingenomen en die [betrokkene 1] buiten bewustzijn en hulpbehoevend was geraakt,
- niet tijdig de hulpdienst (te weten de ambulance), althans medische hulp en verzorging, heeft gealarmeerd/ingeschakeld, en
- die [betrokkene 1] naar een auto heeft getild en in de auto heeft geplaatst en vervolgens
- met die auto vanuit Oss naar zijn woning (te weten [a-straat 1] ) te Haarlem is gereden, en vervolgens naar het ziekenhuis is gereden, en de behandelende medici onvoldoende heeft geïnformeerd door niet te melden dat die [betrokkene 1] GHB en andere verdovende middelen had ingenomen,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [betrokkene 1] zodanig letsel, te weten multiorgaanfalen, heeft bekomen dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.”
6. Het Hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het arrest:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2017.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 22 februari 2014 waren [betrokkene 1] en ik op een feest in Haren in de gemeente Oss. [getuige 3] en [getuige 4] nodigden ons uit om mee te gaan naar een hotel in de buurt. Wij zijn achter hen aangereden. Op het feest vertelde [betrokkene 1] mij dat zij XTC had gebruikt. Ik weet niet hoeveel pilletjes XTC [betrokkene 1] had gebruikt. Uit ervaring weet ik dat hoe langer de avond duurt, hoe meer je neemt. Het gebeurde wel vaker dat het niet bij een half of een heel pilletje bleef.
[betrokkene 1] bestelde wijn en water en heeft gezegd dat de drank raar smaakte. Dat roept associaties met GHB op. Iemand anders zei hetzelfde. Ik vond dit vergezocht.
Op de hotelkamer is door [betrokkene 1] en mij GHB gebruikt. [betrokkene 1] had de GHB gekocht en meegenomen in een Spa blauwflesje. GHB moet je nauwkeurig doseren. Met een G-spuit kun je de hoeveelheid GHB doseren; je kunt de hoeveelheid aflezen. Normaal gebruikte [betrokkene 1] een G-spuit, maar die had ze niet bij zich. [betrokkene 1] gaf aan dat zij GHB wilde gebruiken. Wij hebben daarover gesproken en ik heb gekeken in het etui. Daarin zag ik geen spuit liggen. [betrokkene 1] gebruikte normaal gesproken een G-spuit voor de dosering. Zij had nog nooit eerder een dopje gebruikt om te doseren. Doorgaans gebruikten wij GHB uitsluitend thuis; in huiselijke kring; met een G-spuit. Ik kende de hoeveelheid die zij in andere gevallen nam, namelijk 3 milliliter. Zij gebruikte dan een spuitje. Met een spuit kan je de hoeveelheid precies afmeten.
Ik wist dat [betrokkene 1] op het feest XTC had genomen, dat zij daar ook water en wijn had gedronken en dat zij in de hotelkamer een hoeveelheid GHB had gebruikt, ik wist alleen de hoeveelheden niet.
Ik merkte dat het niet goed met [betrokkene 1] ging omdat [betrokkene 1] zei dat ze zich niet lekker voelde. Dit klonk voor mij niet alarmerend. Het klonk heel bekend; dat gebeurde vaker. Het was een logisch gevolg van GHB, zoveel was mij duidelijk. [betrokkene 1] heeft geprobeerd over te geven. Zij viel in slaap. Als [betrokkene 1] GHB gebruikte, viel zij in slaap. Na een half uur werd zij dan weer wakker.
[betrokkene 1] is een uur nadat zij het dopje had ingenomen in slaap gevallen. [betrokkene 1] is naar de auto gebracht. Vervolgens heb ik anderhalf uur gereden naar Haarlem. Doorgaans werd zij na een halfuur wakker. Ik raakte niet gealarmeerd naarmate de tijd voortduurde. Het duurde wel langer dan normaal maar er gingen geen alarmbellen af.
De andere aanwezigen waren niet bekend met het gebruik van GHB en de gevolgen daarvan. [getuige 2] heeft een laptop gepakt en heeft gegoogeld hoe je moet handelen als iemand ‘out’ gaat na GHB gebruik. De mannen overlegden wat er moest gebeuren. Moesten we 112 bellen of niet? Moesten wij haar naar het ziekenhuis brengen? Het was niet gezellig: het was een discussie. Ik heb ervoor gekozen om naar huis te gaan omdat de situatie niet alarmerend op mij over kwam. Het kwam mij bekend voor.
Voor mijn gevoel was het een herhaling van zetten die ik al kende: bewaar de rust en het komt goed. Om die reden ben ik naar huis gegaan. [getuige 4] heeft het adres van het ziekenhuis in Oss ingevoerd in mijn navigatiesysteem.
De voorzitter houdt mij voor dat ik rond 5:10 uur aanstalten maakte om naar huis te gaan en rond 5:30 uur met de auto wegreed. Dit klopt. Ik wilde gewoon naar huis. [betrokkene 1] was niet in staat te lopen. Je probeert geen tijd te verliezen, ondanks dat er geen hulp werd ingeschakeld. Daarom hebben wij haar ondersteund en gedragen naar de auto. Ik ben rustig naar huis gereden. [betrokkene 1] maakte geluidjes. Ik weet niet tot wanneer ik de geluidjes heb gehoord. Thuis deed ik haar portierdeur open. Het licht viel op haar gezicht. Toen realiseerde ik mij voor het eerst dat het fout zat. Ik gaf haar mond op mond beademing, ik hoorde geluid. Ik wist dat het niet goed zat, dus ik ben zo spoedig mogelijk naar het ziekenhuis gegaan.
Door de paniek heb ik de verkeerde afslag genomen en stond ik in de laan naar het crematorium. Ik ben uit de auto gestapt, om de auto heen gelopen en ik heb haar portier opengedaan. [betrokkene 1] lag daar. Ik heb haar mond op mond beademing gegeven en toen zag ik haar etui waarin de GHB had gezeten. Uit kwaadheid heb ik het etui weggegooid.
Bij aankomst in het ziekenhuis heb ik de artsen niet verteld dat [betrokkene 1] GHB en MDMA had gebruikt.
Mij was gevraagd of ik op de hoogte was van amfetamine. Hierop heb ik ontkennend geantwoord.
2. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte] , met nummer PL1263-2014018610-2, van 24 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde dossierpagina’s 29-36).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 februari 2014 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van
[verdachte]:
Mijn adres is [a-straat 1] , [postcode] [plaats] .
Afgelopen zaterdag (
het hof begrijpt: 22 februari 2014) zijn wij omstreeks 19:30 uur naar Oss gereden, naar een kasteelpartij. Daar zijn wij geweest tot ongeveer 03:00 (
het hof begrijpt: 23 februari 2014). Wij zijn op de terugweg nog met [getuige 4] (
het hof begrijpt: [getuige 4]) en [getuige 3] (
het hof begrijpt: [getuige 3]) naar een hotel gereden. Dit was ongeveer 10 minuten rijden. In de hotelkamer verslechterde [betrokkene 1] na ongeveer een half uurtje.
3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, met nummer PL1100-2014121422-15, van 13 januari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde dossierpagina 176-186).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 januari 2015 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van
de verdachte:
A: Ik hoorde wel van verschillende mensen dat de drank vreemd smaakte. Alsof er vanachter de bar met de drank werd gerommeld. Ik vond dat ver gezocht. Ik hoorde dat ook van [betrokkene 1] .
V: Wat bedoel je daarmee?
A. Dat voor mij een (1) en een (1) twee is. Dat er dus mogelijk GHB in de glazen is gedaan. Meerdere mensen hadden dat idee en zouden er iets van zeggen.
Een G-spuit is een spuit zonder naald. Het gaat alleen om de schaalverdeling. Degene die GHB gebruikt kan zelf doseren hoeveel ze gaat gebruiken. Het innemen van GHB neemt heel nauw.
Jullie hebben die tijdlijn gemaakt en dan weten jullie ook hoe lang ik erover heb gedaan om terug te rijden (
het hof begrijpt: van Oss naar Haarlem).
V: Ja, volgens ons anderhalf uur ongeveer?
A: Nou dat bedoel ik.
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 26 juni 2014, opgemaakt door [betrokkene 2] , arts en patholoog (doorgenummerde dossierpagina’s 40-44).
Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:
[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1967, is overleden in het Kennemer Gasthuis, locatie Zuid-Haarlem, op 24 februari 2014 omstreeks 09.20 uur.
Volgens verkregen inlichtingen van de verbalisant en uit het ziekenhuis, kwam de vrouw de dag vóór het overlijden om circa 7.06 uur reanimatiebehoeftig en zonder polsslag aan in een ziekenhuis en werd zij gereanimeerd. Zij werd opgenomen op de intensive care afdeling. Zij was na de reanimatie diep comateus en had een lage bloeddruk, die aanvankelijk verbeterde na toediening van medicatie. Bij toxicologische screening op drugs in het ziekenhuis werd amfetamine aangetoond. Het toxicologisch onderzoek toonde aan dat in het lichaamsmateriaal van [betrokkene 1] MDMA, MDA en GHB zijn aangetoond.
Ten aanzien van het mechanisme van overlijden kan het volgende worden gesteld:
Gezien het gegeven dat er geen aanwijzingen waren voor pre-existente ziekelijke afwijkingen/ziekten die het onwel- en reanimatiebehoeftig worden kunnen verklaren is het waarschijnlijk dat de ingenomen MDMA, mogelijk in combinatie met GHB, heeft geleid tot negatieve beïnvloeding van het hart en mogelijk ook tot beschadiging van de hartspier. Hierdoor is de hartwerking verstoord en ontstond verminderde/onvoldoende aanvoer van zuurstofrijk bloed naar diverse organen waaronder de hersenen en het hart. Het zuurstoftekort in de hartspier heeft geleid tot (verdere) hartspierbeschadiging en verdere verslechtering van de hartactie en daardoor ook het transport van zuurstofrijk bloed. Tevens kan dit ook hebben geleid tot hersenoedeem. Dit leidde tot het reanimatiebehoeftig worden waardoor de gehele situatie verder verslechterde, er verder zuurstoftekort optrad, dat leidde tot orgaan/weefselschade en onder meer tot hersenoedeem en herseninklemming. De herseninklemming verklaart het voortbestaan van coma na de reanimatie. Uit het verdere klinische beloop kan worden opgemaakt dat er een toestand van instabiele bloedsomloop (circulatie) bleef bestaan gedurende de opname hetgeen tot verdere beschadiging van verschillende organen leidde — multiorgaan falen. Het geleidelijk uitvallen van de functies van verschillende organen (multiorgaan falen) is uiteindelijk niet met leven verenigbaar en is daarom zonder meer aan te wijzen als de doodsoorzaak. De uitlokkende factor, en dus de eigenlijke doodsoorzaak is in het voorliggende geval de inname van de aangetroffen drugs, omdat er geen andere verklaring voor het optreden van het multiorgaan falen werd gevonden.
Het overlijden wordt verklaard door multiorgaan falen na een reanimatie. De oorzaak van het reanimatiebehoeftig wordt verklaard door inname van MDMA al dan niet in combinatie met GHB.
5. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 28 maart 2014, opgemaakt door [betrokkene 3] , apotheker-toxicoloog (dossierpagina 56-64).
Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:
In het lichaamsmateriaal van [betrokkene 1] zijn MDMA, MDA en GHB aangetoond.
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 10 november 2015, opgemaakt door [betrokkene 3] , apotheker-toxicoloog (ongenummerd).
Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:
In het algemeen is te verwachten dat de kans op overleving na een potentieel levensbedreigende overdosering vergroot wordt indien er medische zorg beschikbaar is, die zo nodig kan worden ingezet.
7. Een proces-verhaal van verhoor van getuige [getuige 5] , met nummer PL1100-2014121422-7, van 20 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde dossierpagina 134).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 augustus 2014 afgelegde verklaring van
[getuige 5]:
[betrokkene 1] lag op de intensive care en wij mochten daar niet bij. Er kwam een arts binnen en hij vertelde de stand van zaken: ze waren aan het vechten voor haar leven en we moesten rekening houden met het ergste. Deze arts vroeg aan [verdachte] : “Weet u of ze iets gebruikt kan hebben?” Hij ontkende: “ [betrokkene 1] gebruikt niet, voor zover ik weet. En als ze al gebruikt, zou ik het niet herkennen. Iedereen weet dat ik daar niets mee te maken wil hebben.”
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met nummer PL1100-2014121422-5, van 29 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] [verbalisant 6] (doorgenummerde dossierpagina 126-128).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 juli 2014 afgelegde verklaring van
[getuige 2]:
Ik heb [verdachte] en [betrokkene 1] (
het hof begrijpt: verdachte en het slachtoffer) gezien in de nacht van 22 op 23 februari 2014. In de hotelkamer werd [betrokkene 1] niet lekker. [betrokkene 1] reageerde nauwelijks, ze was helemaal buiten westen. Ze ging steeds meer achteruit. Iedereen was het erover eens dat 112 gebeld moest worden. [betrokkene 1] zag er echt niet goed uit. [verdachte] wilde dat echter niet. [verdachte] was er pertinent op tegen dat 112 gebeld zou worden en dat [betrokkene 1] met een ambulance opgehaald zou worden. We hebben er een hele discussie over gehad. Wij waren best wel in paniek. Uiteindelijk heeft [getuige 4] (
het hof begrijpt: [getuige 4]) het adres van het ziekenhuis opgezocht en hebben de mannen haar naar de auto gedragen. Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat hij bij het ziekenhuis moest aangeven dat er GHB gebruikt was, dat stond ook op internet. Want dan konden ze passende maatregelen treffen.
9. Een proces-verbaal van 4 november 2015 opgemaakt door mr. S. Jongeling, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 november 2015 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van
[getuige 1]:
Op 22 februari 2014 was ik samen met [getuige 3] (
het hof begrijpt: [getuige 2]) op een feest in Haren. Aan het eind van het feest zijn [getuige 4] (
het hof begrijpt: [getuige 4]), [getuige 3] , [verdachte] en [betrokkene 1] (
het hof begrijpt: verdachte en het slachtoffer) met ons meegegaan naar het hotel. In onze hotelkamer zei [betrokkene 1] dat zij GHB had gedronken en maakte zij kenbaar dat het niet goed zat. Ik ben met [betrokkene 1] naar de badkamer gegaan. [betrokkene 1] maakte zich zorgen. Ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij moest proberen om over te geven. Ik heb gezegd dat zij de vinger in de keel moest steken en dat geprobeerd moest worden om alles eruit te krijgen. Zij was behoorlijk geschrokken. [betrokkene 1] ging op een gegeven moment ‘out’. Er was een panieksituatie.
Net voor- of net nadat ik [betrokkene 1] in de stabiele zijligging had gelegd heb ik op mijn laptop nog gegoogeld over wat er gedaan moest worden als iemand teveel GHB had ingenomen. Duidelijk werd dat er dan een ambulance moet komen of dat je naar het ziekenhuis moet gaan. Toen [betrokkene 1] op de grond lag, in de stabiele zijligging, hebben wij haar ook nog wat prikkels gegeven, knijpen in haar hand. Zij reageerde daar toen niet op. Zij gromde, kreunde alleen. Wij vonden dal er een ambulance moest komen. [verdachte] wilde geen ambulance. Er moest wat gebeuren vonden wij. Hoe zal ik het zeggen, het was zoiets als “jij gaat of wij gaan, maar je vrouw gaat nu naar het ziekenhuis.” Uiteindelijk, na veel vijven en zessen, is [betrokkene 1] naar de auto gebracht. [verdachte] zou naar het ziekenhuis gaan. Ik kan mij verder nog herinneren dat wij het adres van het dichtstbijzijnde ziekenhuis op de laptop hebben opgezocht. Volgens mij was dat het ziekenhuis in Oss. Volgens mij heelt [getuige 4] dit adres in de navigatie ingevoerd. Wij waren ervan overtuigd dat [verdachte] naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis zou gaan.
10. Een proces-verbaal van 4 november 2015 opgemaakt door mr. S. Jongeling, rechtercommissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de 4 november 2015 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van
[getuige 2]:
Ik was samen met [getuige 1] (
het hof begrijpt: [getuige 1]) naar een feest gegaan in Haren. In de regel is zo’n leest rond 2.00 of 3.00 uur klaar. Daarna zijn wij nog naar een hotel gegaan. [getuige 1] en ik hadden een kamer geboekt. Wij hadden [getuige 4] en [getuige 3] (
het hof begrijpt: [getuige 4] en [getuige 3]) meegevraagd naar de kamer. Ik zag dat [verdachte] en [betrokkene 1] (
het hof begrijpt: verdachte en het slachtoffer) ook in de hotelkamer waren.
Volgens mij is in de badkamer geprobeerd om de GHB uit [betrokkene 1] te krijgen, om haar te laten braken. Dat wilde echter niet lukken. Toen ging [betrokkene 1] out. Zij reageerde toen nergens meer op. Wij hebben nog in de armen van [betrokkene 1] geknepen. Wij hebben haar klapjes in het gezicht gegeven. Wij hebben haar nog met water geprobeerd te laten reageren. [betrokkene 1] reageerde echter niet. [verdachte] was er de hele tijd bij, hij zei dat [betrokkene 1] wel weer bij zou komen.
Ik weet nog dat [getuige 1] de laptop van zijn werk meehad. [getuige 1] heeft toen nog op internet gekeken naar wat er gedaan zou moeten worden bij iemand die GHB had gebruikt. Op internet stond dat een persoon in een stabiele zijligging moest worden gelegd, dat er een ambulance gebeld zou moeten worden en dat in het ziekenhuis vermeld zou moeten worden dat er sprake was van GHB gebruik. Wij wilden dat er een ambulance werd gebeld. [verdachte] verzette zich hiertegen.
Er ontstond een hevige discussie, vooral tussen [verdachte] en mij. [verdachte] verzette zich echter tegen het bellen van 112. Ik weet nog dat vervolgens uiteindelijk van de groep het idee kwam dat [betrokkene 1] dan naar het ziekenhuis zou worden gebracht en wel naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Wij hebben [betrokkene 1] een jas aangedaan en de mannen hebben [betrokkene 1] naar de auto gebracht. Verder weet ik dat het adres van het dichtstbijzijnde ziekenhuis is opgezocht. Volgens mij heeft [getuige 4] dat gedaan. Ik heb ook gehoord dat [getuige 4] dit adres in de navigatie van de auto heeft ingevoerd. Wij hebben een aantal minuten staan bekvechten over het wel of niet bellen van een ambulance. Uiteindelijk kwam dit idee.
Ik was echter wel opgelucht dat [verdachte] zover was dat hij [betrokkene 1] naar het ziekenhuis wilde brengen. Ik dacht echt dat het mis ging met [betrokkene 1] . Toen [verdachte] kennelijk zover was om naar het ziekenhuis te gaan voelde ik een soort opluchting.
U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik nog tegen [verdachte] heb gezegd dat in het ziekenhuis zou moeten worden gemeld dat [betrokkene 1] GHB had gebruikt. Ja, dat kan kloppen. Op internet hadden wij gelezen dat dat heel belangrijk was.
11. Een proces-verbaal van 4 november 2015 opgemaakt door mr. S. Jongeling, rechtercommissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 november 2015 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van
[getuige 3]:
Op 22 februari 2014 ben ik met [getuige 4] (
het hof begrijpt: [getuige 4]) naar een feest in Haren geweest. Het feest duurde tot ongeveer 3.00 uur. Daarna zijn wij naar een hotel gegaan. Toen wij in de hotelkamer kwamen, waren wij met zijn zessen, ik en [getuige 4] , [getuige 1] en [getuige 3] en [verdachte] en [betrokkene 1] (h
el hof begrijpt: [getuige 4] , [getuige 1] , [getuige 2] , verdachte en het slachtoffer).
[betrokkene 1] werd niet goed. Er kwam toen onrust. Wij vonden dat er iets moest gebeuren. De meesten waren behoorlijk geschrokken. [verdachte] zei dingen als: “Laat [betrokkene 1] maar even liggen, ik ken haar, dit heeft zij vaker, het komt wel goed, geen heisa”. Ik kan mij herinneren dat [getuige 3] heel erg kwaad werd. Er ontstond een heftige discussie. [getuige 3] en/of ik vonden dat er echt een ambulance moest komen. [getuige 3] was heel erg stellig. Zij werd ook kwaad. [verdachte] zei dat er geen ambulance nodig was. Hij zei dat hij [betrokkene 1] kende en dat het goed zou komen. Hij wilde geen rompslomp. Hij zei dat als er een ambulance zou komen, er meer mensen zouden komen, er heisa, gedoe, zou komen. Het was een felle discussie. Aan het eind is besloten dat [betrokkene 1] naar het ziekenhuis zou worden gebracht. Op internet is gekeken wat het adres van het dichtstbijzijnde ziekenhuis was. Dat was het ziekenhuis in Oss. De mannen hebben [betrokkene 1] naar de auto gebracht.
12. Een proces-verbaal van 4 november 2015 opgemaakt door mr. S. Jongeling, rechtercommissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord Holland.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 november 2015 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van
[getuige 4]:
Op 22 februari 2014 was ik met mijn vriendin (
het hof begrijpt: [getuige 3]) naar een feest in Haren. Het feest was rond een uur of 3.00 afgelopen. Wij zijn toen naar een hotel gegaan. Wij zijn achter [getuige 1] en [getuige 3] (
het hof begrijpt: [getuige 1] en [getuige 2]) aangereden. Zij hadden in dat hotel een kamer gehuurd. Toen zei mijn vriendin dat [verdachte] en [betrokkene 1] (
het hof begrijpt: verdachte en het slachtoffer) ook mee zouden gaan. Zij zijn achter ons aangereden. In het hotel zijn wij naar de kamer van [getuige 1] en [getuige 3] gegaan.
Op een gegeven moment ging het minder met [betrokkene 1] , zij kwam uit de badkamer en zei dat zij heel erg ziek was. Wij hebben tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij moest proberen om over te geven, maar zij heeft niet overgegeven. Van het ene op het andere moment zakte [betrokkene 1] weg, zakte zij als het ware in elkaar. Ik zei tegen de anderen dat [betrokkene 1] helemaal ziek was en dat het niet goed met haar ging.
[getuige 1] kwam er meteen bij. Ik kan mij herinneren dat [getuige 1] en ik meteen hebben gezegd dat er een dokter bij moest komen of dat er een ambulance moest komen. Voor mij en [getuige 1] was duidelijk dat de situatie niet normaal was en dat er een dokter bij moest komen. Mijn vriendin [getuige 3] en de [getuige 3] van [getuige 1] vonden ook dat er een ambulance moest komen. Ik kan mij herinneren dat de [getuige 3] van [getuige 1] op een gegeven moment erg pissig was. [verdachte] wilde geen dokter erbij halen. [verdachte] wilde ook niet dat er een ambulance kwam. Hij zei dat het wel weer goed zou komen met [betrokkene 1] .
Wij hebben ons toen aan een stuk door om [betrokkene 1] bekommerd. In mijn ogen was ze in een soort coma. Wij schrokken ons allemaal dood. Daarom wilden wij ook een dokter of een ambulance. [betrokkene 1] reageerde op dit moment niet meer.
Het was een hele vreemde situatie. Wij vonden met zijn vieren dat er een ambulance moest worden gebeld. [verdachte] vond dat niet nodig. Wij stonden er echter op dat er een ambulance zou komen. U vraagt mij hoe het verder ging. [verdachte] was heel halsstarrig. Ik heb toen op een gegeven moment gezegd dat er maar één andere mogelijkheid was, en dat is dat [betrokkene 1] direct naar het ziekenhuis zou gaan. Wij lieten [verdachte] toen geen keus. Het was of een ambulance of naar het ziekenhuis. Op een laptop is het adres van een ziekenhuis opgezocht en ik heb toen zelf het adres van het ziekenhuis in Oss in het navigatiesysteem van de auto ingevoerd. De mannen hebben [betrokkene 1] naar de auto gebracht. Wij gingen er van uit dat [verdachte] naar het ziekenhuis in Oss zou rijden. Op zondag heb ik met [verdachte] gebeld. Hij zei toen dat hij in het ziekenhuis was. Ik ging er van uit dat dat het ziekenhuis in Oss was. Pas later begreep ik dat het het ziekenhuis in Haarlem was.
14. Een schriftelijk bescheid, zijnde fotobijlages behorende bij BVH2014121422, onderzoek […] (dossierpagina’s 156 en 162).Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, meerdere afbeeldingen met tijdsaanduiding en onderschrift.
[afbeelding]
Foto 7: Slachtoffer wordt naar buiten gedragen. Camerabeelden zijn zeer slecht op dat moment, derhalve niet te zien wie dragen en hoe slachtoffer erbij ligt.
Tijdsaanduiding: Sun, Feb. 23, 2014/ 05:15
[afbeelding]
Foto 8: Slachtoffer wordt in de auto van [verdachte] gelegd.
Tijdsaanduiding: Sun, Feb. 23, 2014/ 05:16
[afbeelding]
Foto 19: [verdachte] rijdt met slachtoffer weg
Tijdsaanduiding: Sun, Feb. 23, 2014/ 05:30.”
7. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“Bewijsoverweging primair
De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Er is geen causaal verband aanwezig tussen de gedragingen van de verdachte en het overlijden van het slachtoffer In het dossier ontbreekt een bewijsmiddel waaruit blijkt dat er een reële kans was dat het slachtoffer had geleefd indien de verdachte wel had ingegrepen. Ook ontbreekt het bewijs dat het gevolg voor de verdachte voorzienbaar was geweest. De stelling van het openbaar ministerie dat het inschakelen van medische hulp de overlevingskans van een gebruiker van drugs vergroot, is daarvoor te algemeen Het gedrag van de verdachte dient te worden beoordeeld op basis van diens wetenschap op het moment zelf en niet met de kennis van nu. In de ogen van de verdachte ging het niet zodanig mis met het slachtoffer dat er iets moest gebeuren. Dit blijkt ook uit de getuigenverklaringen: de verdachte was niet verontrust, omdat hij dit vaker had meegemaakt. Er is geen moment aan te wijzen waarop de verdachte de bewustheid had, of had kunnen hebben, dat er iets niet goed zat. De verdachte behoefde dus ook niet anders te handelen dan hij heeft gedaan. Omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 307 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), dient de verdachte te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 22 februari 2014 is de verdachte, samen met zijn partner [betrokkene 1] , naar een feest in Haren in de gemeente Oss gegaan. Op het feest heeft [betrokkene 1] wijn en water gedronken. De verdachte hoorde van verschillende mensen, waaronder van [betrokkene 1] , dat de wijn en het water een vreemd smaakje hadden. Dit riep bij de verdachte de associatie met GHB op, zij het dat hij dit vergezocht vond. Tijdens het feest vertelde [betrokkene 1] aan de verdachte dat zij XTC had gebruikt. De verdachte wist niet hoeveel XTC [betrokkene 1] die avond had genomen, maar wist wel dat het bij een feest vaak niet bij een half of één pilletje XTC bleef. Het feest was rond 3.00 uur afgelopen. Na afloop gingen [betrokkene 1] en de verdachte naar een hotelkamer in een hotel in Haren op een rijafstand van ongeveer tien minuten van het feest. In de hotelkamer waren tevens de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] aanwezig.
[betrokkene 1] had GHB meegenomen in een Spa-flesje. In de hotelkamer gaf [betrokkene 1] aan dat zij GHB wilde innemen. Normaal gesproken gebruikte zij GHB alleen thuis, in huiselijke kring, waarbij zij de hoeveelheid doseerde met behulp van een zogenoemde G-spuit, waarmee de dosering nauwkeurig kan worden gedaan. De verdachte wist dat de dosering van GHB heel nauw luistert en was ervan op de hoogte dat er die avond geen G-spuit aanwezig was en [betrokkene 1] de GHB derhalve op gevoel/zicht moest doseren. De verdachte wist dan ook niet hoeveel GHB [betrokkene 1] had gebruikt. [betrokkene 1] zei ongeveer een half uur na aankomst in de hotelkamer dat zij zich niet lekker voelde. Op de wc is geprobeerd haar te laten overgeven, maar dit lukte niet. [betrokkene 1] is daarna ‘out’ gegaan en reageerde toen nergens meer op, ook niet op pijnprikkels zoals klapjes in haar gezicht en knepen in haar armen. De verdachte vond het niet alarmerend dat [betrokkene 1] ‘out’ ging, omdat dit eigenlijk altijd gebeurde als zij GHB had genomen. Zij bleef dan een half uur tot een uur buiten bewustzijn.
Op internet is door een van de in de hotelkamer aanwezigen opgezocht hoe er gehandeld moest worden indien iemand ‘out’ is gegaan na GHB-gebruik. De vergaarde informatie hield in dat de gebruiker in een stabiele zijligging moet worden gelegd, dat een ambulance moet worden gebeld en dat in het ziekenhuis moet worden gemeld dat sprake is van GHB-gebruik. Deze informatie is in de hotelkamer tussen de aldaar aanwezigen, waaronder de verdachte, gedeeld, waarna een discussie ontstond hoe gehandeld diende te worden. Er was sprake van een panieksituatie, zij het niet bij de verdachte, die immers vaker had meegemaakt dat [betrokkene 1] na GHB-gebruik ‘out’ ging. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] vonden dat 112 gebeld moest worden. De verdachte verzette zich hiertegen, omdat hij niet gealarmeerd was, nu de situatie hem bekend voorkwam. De aanwezigen drongen er bij de verdachte op aan om of een ambulance te bellen of naar het ziekenhuis te gaan. [betrokkene 1] is vervolgens rond 5.15 uur naar buiten gedragen en in de auto van de verdachte gezet. Getuige [getuige 4] heeft het adres van het dichtstbijzijnde ziekenhuis (Oss) in het navigatiesysteem van de auto van de verdachte ingevoerd.
De verdachte is om 5.30 uur weggereden. Hij is niet naar een ziekenhuis gegaan, maar koos ervoor om naar huis in Haarlem te rijden. Gedurende de rit van ongeveer anderhalf uur maakte [betrokkene 1] geluidjes. Thuis in Haarlem aangekomen deed de verdachte de portierdeur aan de kant van [betrokkene 1] open. Het licht viel op haar gezicht. De verdachte realiseerde zich toen dat het fout zat en gaf [betrokkene 1] mond op mond beademing. Hij hoorde geluid. Hij wist dat het niet goed zat en is daarop naar het ziekenhuis, het Kennemer Gasthuis in Haarlem, gereden. Onderweg is de verdachte verkeerd geréden, heeft [betrokkene 1] nogmaals mond op mond beademing gegeven en heeft toen het Spa-flesje met daarin de GHB uit de auto gegooid. Rond 7.06 uur kwam hij aan bij het ziekenhuis. In het ziekenhuis werd [betrokkene 1] gereanimeerd en opgenomen op de intensive care afdeling. Bij aankomst in het ziekenhuis informeerde de verdachte het medisch personeel niet over het feit dat [betrokkene 1] verdovende middelen had gebruikt. Op een later moment, toen het medisch personeel vocht voor [betrokkene 1] leven, vroeg een arts aan de verdachte of [betrokkene 1] verdovende middelen had gebruikt. De verdachte antwoordde ontkennend. Uiteindelijk is [betrokkene 1] op 24 februari 2014 omstreeks 9.20 uur in het ziekenhuis overleden.
Doodsoorzaak
Het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI) van 26 juni 2014 houdt in dat in het lichaamsmateriaal van [betrokkene 1] MDMA, MDA en GHB zijn aangetoond. Ten aanzien van het mechanisme van overlijden houdt het rapport in:
“Gezien het gegeven dat er geen aanwijzingen waren voor pre-existente ziekelijke afwijkingen / ziekten die het onwel- en reanimatiebehoeftig worden kunnen verklaren is het waarschijnlijk dat de ingenomen MDMA, mogelijk in combinatie met GHB, heeft geleid tot negatieve beïnvloeding van het hart en mogelijk ook tot beschadiging van de hartspier. Hierdoor is de hartwerking verstoord en ontstond verminderde / onvoldoende aanvoer van zuurstofrijk bloed naar diverse organen waaronder de hersenen en het hart. Het zuurstoftekort in de hartspier heeft geleid tot (verdere) hartspierbeschadiging en-verdere verslechtering van de hartactie en daardoor ook het transport van zuurstofrijk bloed. Tevens kan dit ook hebben geleid tot hersenoedeem. Dit leidde tot het reanimatiebehoeftig worden waardoor de gehele situatie verder verslechterde, er verder zuurstoftekort optrad, dat leidde tot orgaan-/weefseIschade en onder meer tot hersenoedeem en herseninklemming. De herseninklemming verklaart het voortbestaan van coma na de reanimatie. Uit het verdere klinische beloop kan worden opgemaakt dat er een toestand van instabiele bloedsomloop (circulatie) bleef bestaan gedurende de opname hetgeen tot verdere beschadiging van verschillende organen leidde - multiorgaan falen. Het geleidelijk uitvallen van de functies van verschillende organen (multiorgaan falen) is uiteindelijk niet met leven verenigbaar en is daarom zonder meer aan te wijzen als de doodsoorzaak. De uitlokkende factor, en dus de eigenlijke doodsoorzaak is in het voorliggende geval de inname van de aangetroffen drugs, omdat er geen andere verklaring voor het optreden van het multiorgaan falen werd gevonden.”
En als conclusie houdt het rapport in:
“Het overlijden van [betrokkene 1] wordt verklaard door multiorgaan falen na een reanimatie. De oorzaak van het reanimatiebehoeftig worden wordt verklaard door inname van MDMA, al dan niet in combinatie van GHB.”
Op grond van het bovenstaande stelt het hof stelt vast dat de eigenlijke doodsoorzaak de inname van de aangetroffen drugs is geweest.
Dood door schuld
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde dood door schuld als bedoeld in artikel 307 Sr Pro. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat sprake is van a) een causaal verband tussen de dood en de gedragingen van de verdachte, alsmede dat b) het gevolg aan diens schuld te wijten is.
a. Causaal verband
Naar vaste rechtspraak dient de causaliteit tussen de gedragingen van de verdachte en het gevolg té worden bepaald aan de hand van de leer van de ‘redelijke toerekening’. Hiervoor is, in een geval als het onderhavige, vereist dat de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend als gevolg van zijn handelen of nalaten.
Zoals blijkt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden heeft de gedraging van de verdachte - wetende dat, maar niet hoeveel MDMA, GHB en alcohol door [betrokkene 1] was gebruikt - hieruit bestaan dat hij, nadat [betrokkene 1] rond 3.40 uur had aangegeven zich niet lekker te voelen en kort daarop ‘out’ was gegaan (voor langere duur dan voor haar te doen gebruikelijk was na GHB-gebruik), tot 7.06 uur - en derhalve gedurende ongeveer drieënhalf uur - geen medische hulp heeft ingeschakeld. En op het moment dat hij wél medische hulp inschakelde, heeft hij niet uit eigen beweging en evenmin nadat hij daarover expliciet was bevraagd, aan het medisch personeel te kennen gegeven dat [betrokkene 1] MDMA, GHB en alcohol had gebruikt.
Daarmee heeft de verdachte naar het oordeel van het hof het gevaar dat [betrokkene 1] zou komen te overlijden - welk gevaar zich heeft verwezenlijkt - in zodanige mate verhoogd dat het overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig medische hulp in te schakelen en - eenmaal in het ziekenhuis - het medisch personeel van informatie over het druggebruik door [betrokkene 1] te voorzien. Aldus is sprake van een causaal verband tussen het gedrag van de verdachte en de dood van [betrokkene 1] . Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte door het onthouden van informatie over het middelengebruik van [betrokkene 1] mogelijk een adequate en op maat gesneden zorgverlening door het medisch personeel heeft bemoeilijkt, terwijl voorts blijkens het rapport van het NFI van 10 november 2015 in het algemeen te verwachten is dat de kans op overleving na een potentieel levensbedreigende overdosering wordt vergroot indien er medische zorg beschikbaar is, die zo nodig kan worden ingezet. Met de verdediging is het hof van oordeel dat deze laatste stelling een algemeenheid is, maar dat maakt niet dat deze onjuist is of niet betrokken kan worden bij de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een causaal verband.
Dat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat medische zorg voor [betrokkene 1] levensreddend zou zijn geweest indien deze eerder beschikbaar was geweest, maakt het bovenstaande niet anders. Voor het aannemen van een oorzakelijk verband tussen het gedrag en de dood van het slachtoffer is immers niet vereist dat is vast te stellen dat het slachtoffer bij het tijdig inschakelen van medische hulp niet zou zijn overleden. Het gaat om de beantwoording van de vraag of het gedrag van de verdachte het risico op het overlijden van het slachtoffer heeft verhoogd en daarvan is, zoals blijkt uit het voren overwogene, in casu naar het oordeel van het hof sprake.
b. Schuld
Met het vaststellen van het causale verband is de vraag aan de orde of de verdachte ook schuld als bedoeld in artikel 307 Sr Pro heeft aan de dood van [betrokkene 1] . Daaronder wordt verstaan een min of meer grove of aanmerkelijke schuld, waarbij de kern is gelegen in een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
De verdachte heeft - kort gezegd - verklaard dat [betrokkene 1] doorgaans na het gebruik van GHB ‘out’ ging en dat hij daarom niet gealarmeerd raakte toen dat in de nacht van 22 op 23 februari 2014 wederom gebeurde. Het was voor zijn gevoel een herhaling van zetten die hij al kende. Hij vond het daarom niet noodzakelijk medische hulp in te schakelen.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte echter misplaatst vertrouwd op een goede afloop De verdachte had anders moeten en kunnen handelen. De ‘normale’ situatie waarop de verdachte zijn vertrouwen baseerde, bestond eruit dat [betrokkene 1] thuis een door middel van een G-spuit precies afgemeten hoeveelheid GHB tot zich nam, waarna zij gedurende een halfuur tot een uur in een zogenoemd G-slaapje verkeerde.
De situatie zoals die zich in de nacht van 22 op 23 februari 2014 voordeed verschilde echter wezenlijk van die normale’ situatie in die zin dat naar de verdachte wist [betrokkene 1] :
- de wijn en het water op het feest raar vond smaken, hetgeen bij hem de associatie met GHB had opgeroepen;
- op het feest een onbekende hoeveelheid XTC had gebruikt;
- een met nauwkeurig gedoseerde en derhalve onbekende hoeveelheid GHB had ingenomen, en
- daarna rond 3.40 uur niet lekker werd, waarna zij ‘out’ is gegaan en niet na de gebruikelijke tijd weer bij kwam.
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de situatie in de nacht van 22 op 23 februari 2014 dermate verschilde van de gebruikelijke situatie waarin [betrokkene 1] thuis GHB innam, dat de verdachte daarom niet heeft mogen vertrouwen op een goede afloop. Dit geldt in versterkte mate naarmate de tijd in de hotelkamer voortschreed en [betrokkene 1] langer dan gebruikelijk ‘out’ bleef. De verdachte had moeten kunnen voorzien dat er geen sprake was van een herhaling van zetten, maar van een situatie waarin het niet inschakelen van medische hulp onvoorzichtig zou zijn en tot bepaalde ernstige gevolgen zou kunnen leiden, zeker gelet op het feit dat de verdachte wist dat het gebruik van GHB nauw luistert en hij wist dat het slachtoffer een onbekende hoeveelheid daarvan had binnengekregen, in combinatie met een eveneens onbekende hoeveelheid XTC en alcohol. En temeer nu de overige aanwezigen in de hotelkamer - alhoewel niet bekend met (de effecten van) GHB-gebruik - zich de noodzaak tot het inschakelen van medische hulp wel realiseerden en er bij de verdachte op hebben aangedrongen een ambulance te bellen of zelf naar het ziekenhuis te gaan. De verdachte heeft er echter voor gekozen dit te negeren en om 5.30 uur met de nog altijd niet bij bewustzijn zijnde [betrokkene 1] de anderhalf uur durende autorit van Oss naar Haarlem te ondernemen.
Het hof constateert dat de verdachte zelfs nadat hij zich bij thuiskomst in Haarlem de noodzaak tot medisch ingrijpen realiseerde, alsnog zijn plicht te doen wat er in zijn vermogen lag om ervoor te zorgen dat [betrokkene 1] tijdig de noodzakelijke medische hulp zou worden verschaft, niet naar behoren heeft vervuld door het medisch personeel niet (ook niet desgevraagd) te informeren over [betrokkene 1] gebruik van verdovende middelen. Dit terwijl hij had moeten begrijpen dat deze informatie van belang was voor de medische behandeling van [betrokkene 1] .
Al met al heeft de verdachte naar het oordeel van het hof een zorgvuldigheidsnorm, te weten de in de gegeven omstandigheden op hem rustende zorgplicht tijdig medische hulp in te schakelen en het zo goed mogelijk informeren van het medisch personeel, geschonden en aldus dermate verwijtbaar en aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld dat sprake is van (bewuste) schuld als bedoeld in artikel 307 Sr Pro.
Conclusie
Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat er een causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en de dood van [betrokkene 1] , alsmede dat het gevolg aan de schuld van de verdachte te wijten is. Het hof verwerpt dan ook de verweren en acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.”
8. Ik schets nu eerst onder de randnummers 9 t/m 14 het kader waarbinnen een antwoord op de middelen past.
9. De bewezenverklaarde gedragingen zijn – enigszins samengevat – de volgende:
- Niet tijdig inschakelen van medische hulp en verzorging;
- Het tillen van het slachtoffer naar en vervolgens haar plaatsen in een auto;
- Het rijden met een auto naar de woning van de verdachte in Haarlem en vervolgens naar het ziekenhuis;
- Het onvoldoende informeren van de behandelende medici door niet te melden dat het slachtoffer GHB en andere verdovende middelen heeft ingenomen.
10. Deze gedragingen leveren volgens het hof zowel de voor een veroordeling ter zake van art. 307 Sr Pro vereiste schuld in de zin van culpa op als zijn ze de oorzaak van het multiorgaanfalen ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. De bewezenverklaarde gedragingen worden in cassatie niet betwist. Zowel het tweede als derde middel spitsen zich toe op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen (bewuste) schuld opleveren, terwijl het eerste middel zich richt tegen het door het hof aangenomen causale verband tussen de (culpoze) gedragingen en de dood. De middelen beperken zich tot de vraag of de motivering van de culpa en causaliteit toereikend en begrijpelijk is. Gelet op de bewezenverklaring bestaan de gedragingen in het onderhavige geval vooral uit nalaten waar een verplichting tot handelen bestond.
10. De gedragingen bestaan uit een nalaten en de vraag naar de strafbaarheid van nalaten is daarmee aan de orde. [1] Voor strafbaar nalaten is een plicht tot ingrijpen vereist. Was de verdachte op de hoogte van de noodzaak van medisch ingrijpen ten aanzien van het slachtoffer en rustte op hem de plicht te doen wat in zijn vermogen lag om ervoor te zorgen dat het slachtoffer tijdig de noodzakelijke medische hulp zou worden verschaft? Het gaat daarmee zowel om een plicht als om een noodzaak tot handelen. Voor wat betreft de plicht het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer de partner van de verdachte was (zie de bewijsoverweging), dat zij samen op het feest waren en samen andere personen hebben gevolgd naar een hotelkamer (bewijsmiddel 1). Voorts lijkt mij in de bewijsconstructie van het hof besloten te liggen dat de verdachte met zijn partner samenwoont omdat de verdachte die nacht vanuit Oss naar de woning in Haarlem is gereden waar de verdachte en het slachtoffer gezamenlijk [2] wonen. Deze omstandigheden zijn aan de povere kant [3] om een uit wet of overeenkomst voortvloeiende rechtsplicht tot verpleging of verzorging op te kunnen baseren, maar in cassatie wordt daarover niet geklaagd. Hier is overigens anders dan in art. 255 Sr Pro niet bepalend of de plicht voortvloeit uit wet of overeenkomst. Er kan ook sprake zijn van een plicht die voortvloeit uit hetgeen in het maatschappelijk verkeer tussen partners zorgvuldig is. In cassatie staat als onbestreden vast dat er voor de verdachte een zorgplicht bestond jegens zijn partner.
In feitelijke aanleg is de noodzaak om op te treden bestreden, omdat slechts sprake was van bij het druggebruik gebruikelijke en de verdachte bekende verschijnselen. In cassatie wordt dat in de sleutel van de culpa gezet en bij de bespreking van het tweede middel wordt daarop verder ingegaan.
12. De redelijke toerekening geldt thans in de rechtspraak van de Hoge Raad als algemene maatstaf voor causaliteit. [4] Het toerekeningscriterium kan, naar gelang van de specifieke omstandigheden van het geval, worden ingekleurd en daarbij kan het 'conditio sine qua non-verband' of het criterium van de adequate voorzienbaarheid een rol spelen. Noodzakelijk is de invulling aan de hand van die nadere criteria echter niet. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. [5]
De vraag is of het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de verdachte het gevaar dat zijn vriendin zou komen te overlijden - welk gevaar zich heeft verwezenlijkt - in zodanige mate heeft verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig adequate medische hulp in te roepen. [6]
De overweging van het hof dat niet is vereist dat is vast te stellen dat het slachtoffer bij tijdig inschakelen van medische hulp niet zou zijn overleden ligt in de lijn van de rechtspraak van de Hoge Raad. [7]
13. De bewezen culpa bestaat in de onderhavige zaak uit aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Voor culpa is min of meer grove schuld of anders uitgedrukt aanmerkelijke (verwijtbare) onvoorzichtigheid vereist. [8] Het gaat om gedragingen waarbij kan en moet worden voorzien dat een in de wet genoemd gevolg zal intreden. Zeker als het gedrag uit nalaten bestaat komt een eventueel op de verdachte rustende zorgplicht in beeld en kan een dergelijke zorgplicht voor het bewijs van culpa van grote betekenis zijn. [9] Niet elk risico behoeft te worden vermeden. [10] Naar mate een voorzorgsmaatregel eenvoudiger te treffen is, lijkt mij het niet overvraagd ook kleinere risico’s te vermijden. [11] Aan de verhouding tussen de verdachte en het slachtoffer komt betekenis toe. Voor de onderhavige zaak geldt dat van de partner in het algemeen eerder ingrijpen mag worden verwacht dan van de andere aanwezigen in de hotelkamer. [12] Niet uitgesloten is dat deugdelijke meerkennis van de verdachte daarbij neutraliserend werkt.
14. De wet onderscheidt niet tussen bewuste en onbewuste schuld. Het risico dat een gevolg intreedt wel onderkennen en in de (lichtzinnige) verwachting dat het gevolg niet intreedt handelen (bewuste schuld) wordt wel onderscheiden van het geval dat de verdachte handelt, terwijl hij zich in het geheel niet realiseert dat een gevolg kan intreden (onbewuste schuld). [13] In de rechtspraak wordt de bewuste schuld vooral opgevoerd om het onderscheid tussen opzet en culpa te verduidelijken. [14] Ik ben niet geneigd een algemeen gradueel verschil aan te nemen tussen bewuste schuld en onbewuste schuld. [15] Als elke poging om zich mogelijke gevolgen te realiseren achterwege is gebleven kan de verdachte onder omstandigheden een ernstiger verwijt worden gemaakt dan wanneer hij zich de mogelijkheid van een gevolg wel realiseerde maar er op rekende dat het gevolg niet zou intreden. Of bewuste schuld een ernstiger verwijt impliceert dan onbewuste schuld is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van de middelen.
15. Het
eerste middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring: “In het bijzonder is artikel 359 lid 2 Sv Pro geschonden nu de bewijsbeslissing ten aanzien van de causaliteit in onvoldoende mate met redenen is omkleed. Tevens is artikel 359 lid 2 Sv Pro geschonden doordat het hof in onvoldoende mate heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk door de verdediging voorgedragen verweer op het punt van de causaliteit.”
15. De kern van de klacht is dat het niet begrijpelijk is dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid dat door het gedrag van de verdachte de kans op de dood in relevante of aanmerkelijke mate is verhoogd. Met name bewijsmiddel 6 wordt niet voldoende geacht om de relevante kansverhoging uit af te leiden. Daarvoor zou de inhoud van het bewijsmiddel te algemeen zijn mede gelet op het niet leggen van enig verband met de omstandigheden van het geval. Het bewijsmiddel houdt weliswaar in dat de kans wordt vergroot, maar niet in welke mate dat het geval is. Er blijkt evenmin dat het niet verschaffen van informatie over het druggebruik het medisch handelen heeft belemmerd, aldus nog steeds de steller van het middel.
15. Uit de bewijsoverweging van het hof blijkt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast: is als gevolg van het handelen of nalaten van de verdachte het gevaar dat het slachtoffer zou komen te overlijden in zodanige mate verhoogd dat het overlijden redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. In die bewijsoverweging onderschrijft het hof het ook al in feitelijke aanleg door de verdediging ingenomen standpunt dat de inhoud van bewijsmiddel 6 een algemeenheid is. Inderdaad is de stelling dat in het algemeen te verwachten is dat de kans op overleving van een potentieel levensbedreigende overdosering wordt vergroot indien er medische zorg beschikbaar is die zo nodig kan worden ingezet een algemeenheid, alleen al omdat de stelling zelf dat impliceert.
15. Het oordeel over de relevantie van de kansvergroting is een normatief oordeel dat aan het hof is. Dat de bewijsmiddelen slechts melding maken van kansvergroting, terwijl geen enkel bewijsmiddel expliciet de relevante mate daarvan aanwijst staat op zich zelf niet aan de begrijpelijkheid en toereikendheid van het oordeel van het hof in de weg. Immers het gaat er om of gelet op alle omstandigheden van het geval de kansvergroting zodanig is dat de dood redelijkerwijs aan het nalaten van de verdachte kan worden toegerekend. Dat betekent dat de bijzondere omstandigheden van een geval kunnen maken dat een door een deskundige vermelde algemene kansvergroting zodanig is dat het gevolg redelijkerwijs kan worden toegerekend. [16]
19. Het nalaten van de verdachte vindt een dieptepunt op het moment dat hij terwijl het slachtoffer zich op de intensive care bevindt desgevraagd meedeelt dat zijn vriendin voor zover hij weet niet gebruikt (geen drugs gebruikt) (bewijsmiddel 7). Doordat geen adequaat antwoord wordt gegeven krijgen de factoren die tot verslechtering van de toestand van zijn vriendin leiden (verder) vrij spel. [17] Ik wijs in dit verband met name op bewijsmiddel 4 waarin de arts en patholoog een proces van steeds verdere verslechtering beschrijft. Ook als de kans om dit proces van verslechtering te doorbreken slechts niet valt uit te sluiten en daarmee dus niet erg groot is, kan die kans ‘zodanig’ en dus relevant zijn. [18] De relevantie van de kansvergroting moet ook bezien worden in het licht van de bewijsmiddelen 9, 10, 11 en 12. De vier overige aanwezigen achtten medische hulp dringend (en wel in het ziekenhuis te Oss) noodzakelijk en tegen de verdachte is met zoveel woorden gezegd dat hij in het ziekenhuis het gebruik van GHB door zijn vriendin diende te melden. Ik wijs ook op de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1): eenmaal thuis realiseerde hij zich dat het goed fout zat en hij heeft voorafgaand aan de opname in het ziekenhuis nog tweemaal mond op mondbeademing toegepast.
20. De slotsom is dat de motivering van het bewezenverklaarde oorzakelijk verband niet ontoereikend of onbegrijpelijk is. Voor zover hetgeen ter bestrijding van dat verband is aangevoerd moet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv vindt het een antwoord in de gemotiveerde bewezenverklaring.
20. Het eerste middel faalt.
20. Het
tweede middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de schuld: “In het bijzonder is artikel 359 lid 2 Sv Pro geschonden nu de bewijsbeslissing ten aanzien van de aanmerkelijke onvoorzichtigheid, dan wel grove schuld in onvoldoende mate met redenen is omkleed. Tevens is artikel 359 lid 2 Sv Pro geschonden doordat het hof in onvoldoende mate heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk door de verdediging voorgedragen verweer op het punt van de aanmerkelijke onvoorzichtigheid, dan wel grove schuld.”
20. Het hof heeft in de bewijsoverweging uiteengezet wat onder schuld dient te worden verstaan: “een min of meer grove of aanmerkelijke schuld, waarbij de kern is gelegen in een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.” Die maatstaf is juist en wordt in cassatie niet bestreden. Onder randnummer 9 is vermeld welke gedragingen het hof heeft bewezenverklaard en heeft aangemerkt als culpoze gedragingen. Ik merk op dat het geheel van die gedragingen in onderling verband en samenhang in aanmerking moet worden genomen. Dat betekent dat onderdelen ervan zoals het niet inschakelen van medische hulp gedurende de eerste periode na gebruik van GHB in de periode van het zogenaamde G-slaapje wellicht onder omstandigheden onvoorzichtig kunnen zijn, maar dat niet uitgesloten behoeft te worden dat het hof in het licht van de kennis van de verdachte over het gebruik van GHB door zijn vriendin dat G-slaapje als een min of meer gebruikelijke reactie heeft aangemerkt zodat het niet inschakelen van medische hulp in dat stadium geïsoleerd bezien nog geen min of meer grove schuld oplevert.
20. De mate van onvoorzichtigheid nam gelet op de opbouw in tijd in de bewijsoverweging en de uitdrukkelijke verwijzing naar dat tijdsverloop naar mate de tijd verstreek volgens het hof toe. Zowel het al genoemde onderling verband tussen de in de bewezenverklaring vermelde gedragingen als het tijdsverloop (uiteindelijk blijkt uit proces-verbaal van de zitting van het hof, arrest of aanvulling met bewijsmiddelen niet dat de noodzakelijke informatie over het druggebruik in de loop van de zondag en de nacht van zondag op maandag is verstrekt) leiden ertoe dat ik geen aanleiding zie de afzonderlijke gedragingen voor zover die door de steller van het middel incidenteel voor wat betreft de mate van schuld worden bekritiseerd nader te bespreken. Het gaat immers om de gedragingen in onderling verband en samenhang in de periode van 22 t/m 24 februari 2014.
20. Uiteindelijk is volgens de bewijsoverweging van het hof het niet (tijdig) inschakelen van medische hulp en het niet geven van informatie over het druggebruik aanmerkelijk (verwijtbaar) onvoorzichtig omdat:
- Het slachtoffer langer dan gebruikelijk ‘out’ bleef;
- De verdachte wist dat de te gebruiken hoeveelheid GHB nauw luistert, maar onbekend was met de gebruikte hoeveelheid GHB, XTC en alcohol;
- Er door de overige aanwezigen in de hotelkamer bij de verdachte op werd aangedrongen medische hulp in te schakelen (ambulance bellen of zelf naar ziekenhuis gaan);
- De verdachte het niet bij bewustzijn zijnde slachtoffer tijdens een rit van anderhalf uur in een auto vervoerde;
- Hij zich bij thuiskomst realiseerde dat medische hulp noodzakelijk is;
- Hij niet ongevraagd of gevraagd inlichtingen heeft verstrekt over het drugsgebruik aan het medisch personeel in het ziekenhuis terwijl hij had moeten begrijpen dat dergelijke inlichtingen van belang zijn.
26. Het op deze factoren gestoelde oordeel van het hof dat er sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid is niet ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd. Voor zover er al sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt vormt deze motivering een afdoende antwoord daarop. Er is geen sprake van een situatie waarvan gezegd kan worden dat de verdachte zag wat bij zijn vriendin normaal was bij GHB-gebruik. In het bijzonder wijs ik op de eerste twee factoren: het slachtoffer was uiteindelijk veel langer dan anders ‘out’ en de verdachte was niet op de hoogte van de hoeveelheid gebruikte drugs. Ik voeg de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1) daarbij nog toe: de verdachte constateerde dat het fout zat en gaf tweemaal mond op mondbeademing.
26. Ook het tweede middel slaagt niet.
26. Het
derde middelklaagt over de motivering van bewuste schuld: “In het bijzonder is artikel 359 lid 2 Sv Pro geschonden nu de bewijsbeslissing ten aanzien van de bewuste schuld in onvoldoende mate met middelen is omkleed, althans dat de bewijsoverweging voor zover daarin bij rekwirant bewuste schuld wordt aangenomen onbegrijpelijk is, dan wel niet kan worden gegrond op de bewijsmiddelen.”
26. De onder randnummer 7 geciteerde overwegingen van het hof over schuld resulteren in de conclusie dat er sprake is van (bewuste) schuld. Het middel mist feitelijke grondslag voor zover wordt gesteld dat het hof concludeert tot bewuste schuld. Het hof plaatst niet voor niets haakjes rond het woord ‘bewuste’. Het is anders dan de steller van het middel meent niet onbegrijpelijk dat de bewijsoverwegingen van het hof inderdaad hier en daar ook een aanknopingspunt voor onbewuste schuld bevatten. Het is immers niet uitgesloten dat de verdachte zich in het eerste stadium de eventuele gevolgen van zijn handelen in het geheel niet heeft gerealiseerd (hij ging er immers aanvankelijk vanuit dat het gebruikelijke patroon bij gebruik van GHB zich voordeed), terwijl hij zich later realiseerde dat het niet goed zat. Gelet op die ontwikkeling in de tijd is het niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk door middel van haakjes tot uitdrukking brengt dat er niet van meet af aan sprake is geweest van bewuste schuld.
26. Het middel berust verder op de grondslag dat bewuste schuld in het algemeen zwaarder is dan onbewuste schuld. Hierboven onder randnummer 14 heb ik reeds opgemerkt dat een dergelijk gradueel verschil te algemeen is. Vellinga citeert naar ik begrijp met instemming Remmelink: “Voor wat betreft de strafwaardigheid zal de onbewuste culpa niet zelden ernstiger zijn dan de bewuste culpa, want bij bewuste culpa heeft de dader zich tenminste om de gevolgen bekommerd al heeft hij deze dan ook lichtvaardig onderschat.” Hij (Vellinga) voegt daar vervolgens aan toe: “Voor de bepaling van de mate van schuld is het onderscheid tussen bewuste en onbewuste schuld dan ook niet van substantiële betekenis.” [19] Ook in zo verre heeft het middel dus geen kans van slagen. Er is anders dan de steller van het middel meent geen grond om te veronderstellen dat het hof de straf heeft gestoeld op een te zware schuldvorm.
31. Het derde middel faalt.
31. De middelen falen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie E.M. Witjens,
2.Zie ook het vonnis van de rechtbank p. 5.
3.Zo is bijvoorbeeld niet vastgesteld of er sprake is van geregistreerd partnerschap en daarbij behorende verplichtingen. Voor gehuwden en (via de schakelbepaling van art. 1:80b BW) geregistreerde partners gelden de verplichtingen van art. 1:81 BW Pro waaronder het verlenen van hulp en bijstand.
4.Zie J. de Hullu,
5.De Hullu, a.w., p. 187.
6.HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9666, NJ 2005/69 m.nt. Knigge.
7.HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9666, NJ 2005/69 m.nt. Knigge.
8.Zie W.H. Vellinga,
9.Vellinga, a.w., p. 150.
10.HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2878, NJ 2012/119 (Klimwand).
11.Zo begrijp ik ook Vellinga, a.w., p. 183. Vgl. over de toerekening van een ingetreden risico aan (enigszins) gevaarzettend gedrag ook HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5630, m.nt. Mevis (Kampvuur Castricum).
12.In dit verband laat ik de termen maatman of criteriumfiguur vallen: wat kan gelet op de omstandigheden van een partner worden verwacht? Vgl. Vellinga, a.w., p. 184-185.
13.Zie nader Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, Culpa, aant. 6.6 (oktober 2015).
14.Zie reeds HR 24 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1498, NJ 2004/375 m.nt. Mevis. In de schriftuur wordt verwezen naar en geciteerd uit de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg voor HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4287 (ECLI:NL:PHR:2003:AF4287).
15.In de schriftuur wordt verwezen naar een conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voor HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544 (ECLI:NL:PHR:BD0544) en de daarin verwoorde opvatting van minister Modderman. Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het wetboek van Strafrecht, Eerste deel, Haarlem: Tjeenk Willink 1881, p. 81. Er is een hogere graad van schuld dan onbewuste schuld denkbaar te weten bewuste schuld.
16.De Hullu, a.w., p. 191.
17.Vgl. ook Witjens, a.w., p. 178.
18.Zie G. Knigge en H.D. Wolswijk,
19.Vellinga, a.w., p. 175 en voetnoot 537.