Conclusie
Er bestaat samenhang met de zaak 18/02231. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Bij de zwaar beschadigde Golf werd een peilbaken aangetroffen. Ten aanzien van verdachte is bewezenverklaard dat hij en/of een of meer van zijn mededader(s) dat peilbaken onder die VW Golf hebben geplaatst en telkens hebben ingelogd op dat peilbaken. Hierdoor wisten de schutters waar het slachtoffer zich bevond.
Het tweede middel klaagt dat de voor de bewezenverklaring van medeplegen van medeplichtigheid vereiste nauwe en bewuste samenwerking zonder nadere toelichting niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is medegedeeld.
Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen
4.
vuurwapens van categorie II, te weten
voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;
Algemene overwegingen met betrekking tot en naar aanleiding van de data- en telecommunicatieOp grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot de volgende vaststellingen.
Op 1 februari 2015 is in de fouillering van de verdachte een telefoon van het merk BlackBerry voorzien van een toepassing waarmee versleuteld berichtenverkeer kan plaatsvinden (hierna gemakshalve: PGP- BlackBerry), aangetroffen met IMEI-nummer [002] (hierna: het toestel [002] ). Daarin bevond zich een simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ) op naam van Ennetcom Consumer Products B.V . te Arnhem.
[e-mailadres]gekoppeld.
Samengevat komt het vorenstaande er aldus op neer dat:
- het e-mailadres [e-mailadres] in het toestel [003] is gebruikt in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 en vervolgens vanaf 14 januari 2015 tot het moment van aanhouding van de verdachte op 1 februari 2015 in het toestel [002] .
(…)
“
Overwegingen ten aanzien van het bewijs in zaak B ( […] )
De tenlastelegging
Het hof stelt vast dat de tenlastelegging, voor zover hier van belang, als volgt is geredigeerd. Het verwijt houdt in dat de verdachte en/of een van zijn mededaders opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest bij de door een of meer anderen gepleegde poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dit kan bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat aan de verdachte het al dan niet medeplegen van medeplichtigheid aan het gronddelict “medeplegen van poging tot moord” ten laste is gelegd. Dat in het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de medeplichtigheid de woorden “tezamen en in vereniging” ontbreken in de feitelijke omschrijving kan worden getypeerd als een afwijking van een gangbare wijze van ten laste leggen. Dit is reeds daarom wellicht enigszins ongelukkig. Het doet evenwel niet af aan de mate waarin de steller van de tenlastelegging inzicht heeft gegeven in zijn bedoelingen. Dat de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg als haar standpunt kenbaar heeft gemaakt dat de verdachte zelf het peilbaken heeft geplaatst verkleint niet de ruimte die de rechter heeft om binnen de grenzen van de grondslagleer de tenlastelegging ook zo op te vatten of te hanteren dat de verdachte anderszins in de hoedanigheid van medepleger van de medeplichtigheid strafbare betrokkenheid heeft gehad bij het plaatsten van het peilbaken. Het gebruik van het woord “mededader” geeft evenmin aanleiding om te oordelen dat de grondslag van het schuldverwijt smaller is. Daders zijn ingevolge artikel 47, eerste lid, Sr onder meer zij die een feit medeplegen. Dat is, zo moet worden aangenomen, de strekking van de tenlastelegging, te weten het medeplegen van medeplichtigheid.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van hetgeen hem in zaak B, zijn deelneming aan de poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , is ten laste gelegd. De verweren zijn toegespitst op de aan de verdachte toegeschreven rol bij het plaatsen en volgen van het peilbaken met de inlogcode [004] , dat zich ten tijde van de aanslag op 1 november 2014 onder de auto van het beoogde slachtoffer [slachtoffer 1] bevond. Betoogd is dat niet uit het gepresenteerde bewijs kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest, die het baken op 24 oktober 2014, de dag waarop het is geactiveerd, heeft gekocht, opgehaald of verworven. Evenmin kan blijken dat de verdachte op die dag over het baken heeft beschikt in enigerlei vorm. Dit betekent dat de verdachte het baken ook niet heeft geplaatst zoals is tenlastegelegd. Voor een vorm van betrokkenheid van de verdachte in de daarop gevolgde periode tot aan het moment van de aanslag bestaat evenmin bewijs.
Bovendien is niet gebleken dat enige informatie is verschaft, waarmee de daders van de aanslag zijn ondersteund. De raadsvrouw heeft voorts gewezen op de mogelijke rol van een persoon, die tijdens de ondervraging van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep als ‘meneer X’ is aangeduid. Deze persoon zou volgens de verdachte een leidende rol hebben gehad. Het kan niet anders dan dat deze man op enkele sleutelmomenten over het baken heeft beschikt en hierop heeft ingelogd. Tot zover de verdediging.
Standpunt van het openbaar ministerie
Het oordeel van het hof over het bewijs
Het hof overweegt dat aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat op basis van de gepresenteerde bewijsmiddelen niet met zekerheid kan worden vastgesteld op welk moment en waar de verdachte de beschikking heeft gekregen over het peilbaken. Evenmin bestaat zekerheid over het precieze moment waarop het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] is geplaatst en over de persoon die deze handeling heeft verricht. Daarnaast moet op grond van de onderzoeksbevindingen worden aangenomen dat de verdachte niet alleen heeft gehandeld.
De bewijsmiddelen houden onder meer het volgende in.
Op 1 november 2014 rond 5:35 uur heeft een aanslag plaatsgehad op het leven van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij reden in een VW Golf GTI op de Poortdreef in Almere. Een explosief onder hun auto werd tot ontploffing gebracht en zij werden in de auto onder vuur genomen. Beiden vluchtten daarop uit de zwaar beschadigde auto weg. In zijn vlucht werd [slachtoffer 1] met vuurwapens beschoten.
Op het moment van activeren en ook gedurende de gehele avond van 24 oktober 2014 straalde het telefoonnummer behorend bij het baken ( […] ) een telefoonmast in de Tidorestraat in Amsterdam aan (niet ver van de [a-straat 2] waar de verdachte woonde). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ( hierna: [telefoonnummer 2] ). De verdachte was blijkens de printlijst van dit telefoonnummer de gehele avond thuis of in de directe omgeving van zijn woonadres.
Zoals eerder in dit arrest is overwogen is het e-mailadres [e-mailadres] aan de verdachte toe te schrijven. Onder dit adres is, zo blijkt uit onderzoek van gegevens afkomstig van de server van Ennetcom, op 24 oktober 2014 te 16:05 uur in een (zoals hierboven eveneens is overwogen) aan de verdachte toe te schrijven PGP-BlackBerry een notitie gemaakt luidend: “ [004] ”. Ter terechtzitting in hoger beroep is, zoals reeds overwogen, gebleken dat een account bij Ennetcom kan worden overgezet van de ene PGP-BlackBerry naar het andere. Tevens is daarbij gebleken dat het account slechts in één toestel tegelijk kan worden gebruikt. Dit heeft eerder in dit arrest reeds tot de vaststelling geleid dat de verdachte in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 genoemd e-mailaccount heeft gebruikt in de bij de verdachte thuis aangetroffen BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op [003] en dat de notities die zijn gemaakt in het memopad van deze BlackBerry zijn overgezet naar het toestel dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding bij zich had (met IMEI-nummer eindigend op [002] ). Het voorgaande betekent dat de verdachte ongeveer twee uur voordat het peilbaken werd geactiveerd over de inlogcode ervan heeft beschikt. Het dossier biedt weliswaar geen volledig uitsluitsel over de vraag waar en wanneer de verdachte de beschikking over het baken heeft gekregen, noch over de wijze waarop en de periode waarin het baken in Nederland is gekomen, maar dit laat onverlet dat de wetenschap van de verdachte omtrent deze inlogcode voor de bewijsvoering significant is. Reeds dit feit maakt de verklaring van de verdachte dat hij niets heeft geweten over het peilbaken ongeloofwaardig.
In het licht van hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen blijkt over het gebruik van een tablet bij het inloggen op peilbakens (waarbij het hof ook de voor het bewijs gebezigde resultaten van het onderzoek- […] betrekt) komt betekenis toe aan de gelijktijdige aanwezigheid van de tablet in de handen van de verdachte en het peilbaken op het tankstation Haarrijn. Het hof stelt vast dat een uitleg van de kant van de verdachte is uitgebleven, die aan dit zinvolle verband van feiten het belastende karakter ontneemt. In dit licht vormt de wijze waarop de verdachte in de nabije omgeving van het baken is gebleven tot halverwege de nacht van 24 op 25 oktober 2014 eveneens een aanwijzing dat hij met een zekere intentie het baken heeft gevolgd dan wel aanwezig heeft gehad. Dat dit op toeval zou zijn gebaseerd kan op grond van de waarnemingen op tankstation Haarrijn worden uitgesloten. Ook de omstandigheid dat de verdachte later die nacht in Almere is geweest en dat het baken in Almere in de directe nabijheid van de verblijfplaats van [slachtoffer 1] is aangezet en geactiveerd draagt hieraan bij.
Op grond van de eerder in dit arrest gedane vaststellingen kan als vaststaand worden aangenomen dat het de verdachte is geweest, die de hiervoor weergegeven notitie heeft gemaakt.
Vanaf 27 oktober 2014 is ook dagelijks meermalen vanaf het IP-adres behorend bij de woning aan het adres [h-straat] te Amsterdam ingelogd op het peilbaken. Deze woning is gelegen in de woonbuurt De Aker. De verdachte heeft verklaard dat dit adres hem niets zegt.
De voorgaande in verband met het adres [h-straat] te Amsterdam relevante, bevindingen in samenhang beschouwd leiden tot de slotsom dat het inloggen vanaf dit adres niet los gezien kan worden van de verdachte. Allereerst omdat vanaf andere adressen, waar de verdachte zijn verblijf had of aanwezig was, in diezelfde periode van enkele dagen volgtijdelijk is ingelogd op het baken. Daarnaast omdat de afwijking in het patroon van paallocaties van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat aan de verdachte is toe te schrijven, bezien in samenhang met het feit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op de relevante dagen veelal geen contact maakte met het netwerk, zeer significant is.
De raadsvrouw heeft in haar pleidooi gewezen op de betekenis die het adres [h-straat] te Amsterdam heeft in verband met de poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In het OVC-gesprek van 21 april 2017, waarin [getuige] voornoemd sprak over deze aanslag op een wijze waaruit blijkt dat hij van de feitelijke gang van zaken goed op de hoogte was, maakt hij melding van ene [betrokkene 2] die één van de uitvoerders was. Een persoon met de bijnaam [betrokkene 2] , te weten [betrokkene 2] , had, samen met anderen, de beschikking over de woning op het adres [h-straat] te Amsterdam . Deze persoon is familie van één van de personen in de auto waarin dit gesprek is gevoerd, te weten van [betrokkene 3] .
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring afgelegd, onder meer in antwoord op vragen over de PGP-BlackBerry’s die bij hem thuis en in zijn fouillering zijn aangetroffen en de adressen vanwaar op het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] is ingelogd. De verdachte heeft daarbij ook in dit verband verwezen naar de reeds eerder in het arrest besproken ‘meneer X’ . Zo heeft deze persoon volgens de verdachte mogelijk een rol gehad bij het vervoeren van het peilbaken vanuit Amsterdam, via tankstation Haarrijn en Nieuwegein naar Almere op 24 en 25 oktober 2014. Ook weet de verdachte zeker dat ‘meneer X’ heeft ingelogd op het peilbaken vanuit hotel Allure en veronderstelt hij dat deze man dit ook heeft gedaan via het wifi-netwerk in de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] in Amsterdam . De naam van ‘meneer X’ heeft de verdachte ook in dit verband niet willen noemen uit angst
Over een derde persoon in de Mercedes tijdens de rit naar Haarrijn en verder heeft de verdachte gezegd dat deze aanwezig was en dat hij zeker weet dat diens aanwezigheid verband hield met het peilbaken, maar heeft hij in het geheel niet nader verklaard over de redenen voor diens aanwezigheid noch voor diens handelingen ten aanzien van het baken. In hotel Allure heeft de verdachte met ‘meneer X’ verbleven tijdens de betreffende nachten en heeft hij hem met een tablet gezien. Of ‘meneer X’ een rol heeft gehad bij de activatie of raadpleging van het peilbaken, weet de verdachte niet.
Het hof herhaalt hier zijn eerdere overweging dat de verdachte pas in hoger beroep de persoon van meneer X heeft geïntroduceerd als de man die telkens een sleutelrol heeft gespeeld. Gedurende de ondervraging door het hof over voor de verdachte belastende feiten en omstandigheden wat betreft de aanslag op [slachtoffer 1] werden door de verdachte ook hier aan ‘meneer X’ steeds meer handelingen toegedicht, die een verklaring zouden moeten geven voor die belastende onderzoeksresultaten, hetgeen niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van deze verklaring.
Daaraan wordt verder afbreuk gedaan, doordat de verdachte tijdens de verhoren bij de politie in de eerste maanden na zijn aanhouding ten aanzien van de gehele tenlastelegging een afwerende en ontkennende opstelling heeft gehad. Bovendien heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg op de hiervoor genoemde onderdelen anders verklaard dan hij heeft gedaan ter terechtzitting van het hof. Zo heeft hij tegenover de rechtbank verklaard dat een onbekend persoon voor de deur van de woning aan de [a-straat 2] kan hebben gestaan en toen op het peilbaken heeft ingelogd. Wat betreft hotel Allure heeft hij volstaan met de ontkenning dat hij vanaf die locatie op het peilbaken heeft ingelogd.
Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat de verdachte in nauwe, volledige en bewuste samenwerking met één of meer anderen het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] heeft geplaatst en daarop in de tenlastegelegde periode meermalen heeft ingelogd. De bijdrage die de verdachte in die samenwerking heeft geleverd heeft bestaan in het activeren van het baken en het volgen van [slachtoffer 1] in de avond en nacht waarin het baken op enig moment is geplaatst. Het intentionele karakter hiervan blijkt uit het gebruik van de tablet daarbij en zijn aanwezigheid op plaatsen waar [slachtoffer 1] zich die avond en nacht ophield.
Voorts heeft de verdachte vele malen zelf ingelogd op het baken en heeft hij eraan bijgedragen dat één of meer anderen ook op het baken hebben kunnen inloggen. Direct nadat de medepleger of één van de medeplegers van de ondersteunende en bevorderende handelingen voor het laatst op het baken had ingelogd is de aanslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gepleegd.
De raadsvrouw heeft betoogd dat het enkele inloggen nog geen medeplichtigheidshandeling oplevert zolang niet blijkt dat de daardoor verkregen informatie aan een ander is verstrekt. Het hof merkt daaromtrent allereerst op dat het, anders dan de raadsvrouw, ook het in vereniging plaatsen van het peilbaken bewezen acht. Het vervolgens daarop inloggen staat daarmee in een betekenisvol verband. Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte op enig moment locatiegegevens van [slachtoffer 1] of andere informatie heeft gedeeld met één of meer anderen. Wel is gebleken dat, nadat gedurende ongeveer een week veelvuldig op het peilbaken is ingelogd, min of meer gelijktijdig met de laatste inloghandeling de aanslag heeft plaatsgevonden. Daarmee mag een aantoonbare bijdrage aan het gronddelict worden aangenomen. Bovendien heeft de verdachte locatiegegevens die via het baken waren verkregen in zijn BlackBerry-telefoon vastgelegd. In dit perspectief kan het niet anders zijn dan dat de eerder verkregen informatie ook geheel of gedeeltelijk is gedeeld en moet de variant waarin de verdachte en zijn mededader(s) de informatie voor zichzelf hebben gehouden als een louter theoretische worden gekenschetst.
De hiervoor omschreven gedragingen en handelingen van de verdachte impliceren dat hij in volledige en nauwe samenwerking met anderen opzet heeft gehad op het plaatsen van en inloggen op het baken, het registreren en doorgeven van verblijfplaatsen van [slachtoffer 1] en door hem gevolgde routes en daarmee op het, middels in ieder geval GPS-locatiegegevens, intensief volgen van [slachtoffer 1] in een periode die direct vooraf is gegaan aan een aanslag op het leven van [slachtoffer 1] . Het voorgaande impliceert tevens dat het inloggen op het baken onder meer plaats heeft gehad vanaf een adres, dat door een getuige in verband wordt gebracht met het adres van één van de uitvoerders van de liquidatie. Daarmee is de lijn tussen de verdachte en de feitelijke uitvoeders een zeer korte. Voornoemde omstandigheden belasten de verdachte voor wat betreft zijn opzet op het gronddelict in hoge mate. Het hof weegt deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen mee voor het bewijs dat de verdachte de opzet had op de poging tot moord op [slachtoffer 1] . Het hof laat daarbij tevens meewegen dat de verdachte voor deze voor het bewijs redengevende omstandigheden geen enkele verklaring heeft willen geven.
Overwegingen met betrekking tot [slachtoffer 2]
Voor zover het tenlastegelegde gronddelict ziet op [slachtoffer 2] overweegt het hof als volgt.
Samenhang met bewijs in de zaak […]
Het hof bezigt voorts de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot de zaak- […] voor het bewijs. Hieruit blijkt ondubbelzinnig dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd in de voorwaardenscheppende sfeer voor de voorgenomen moord op [slachtoffer 3] . De activiteiten van de verdachte in dit verband zijn uitgevoerd in een periode van ruim een maand. Die periode is aangevangen kort nadat de aanslag op [slachtoffer 1] was voorbereid en uitgevoerd. Minder dan twee maanden na de aanslag op [slachtoffer 1] zijn de voorbereidingen voor de moord op [slachtoffer 3] reeds gestart. Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen wist de verdachte dat de moord op [slachtoffer 3] met fors vuurwapengeweld zou worden uitgevoerd en was zijn opzet in het kader van de voorbereiding ervan daarop gericht. Dit draagt bij aan de bewijskracht van de bewijsmiddelen die het hof gebruikt voor de bewijslevering in de zaak- […] .
Het voorgaande betekent dat het hof de gevoerde bewijsverweren verwerpt. Het hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd in dier voege dat bewezen zal worden verklaard het medeplegen van medeplichtigheid aan poging tot moord in vereniging door samen met één of meer anderen het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] te plaatsen en daarop in te loggen.”
Bespreking van de middelen
eerste middelbevat de klacht dat het hof ter invulling van de medeplichtigheidshandeling ‘het verschaffen van inlichtingen’ ten onrechte tevens bewezen verklaard heeft dat via het inloggen op een peilbaken verkregen informatie geheel of gedeeltelijk is gedeeld, terwijl in de tenlastelegging enkel is opgenomen ‘telkens ingelogd op voornoemd peilbaken’ hetgeen niet oplevert het verschaffen van inlichtingen als bedoeld in art. 48 Sr Pro. Geklaagd wordt dat het hof de feitelijke toedracht heeft uitgebreid en daarmee de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring in zaak B ( […] ) niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu de voor de bewezenverklaring van medeplegen van medeplichtigheid aan de door anderen gepleegde poging tot moord vereiste nauwe en bewuste samenwerking zonder nadere toelichting niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het oordeel van het hof dat ten aanzien van verdachte van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking sprake is onbegrijpelijk is, mede gelet op het feit dat het oordeel is gebaseerd op een door het hof beschreven bijdrage van rekwirant die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen en/of de bewijsvoering op relevante punten innerlijk tegenstrijdig is.
Het hof stelt vast dat gedurende de hiervoor gedetailleerd beschreven periode tot 14 januari 2015 het telefoonnummer [telefoonnummer 1] nog in het toestel [003] actief was. De verklaring van de verdachte over het toestel [003] verdraagt zich niet met de wisselende verklaringen van de verdachte over de wijze waarop hij het toestel [002] heeft verkregen en geeft bovendien geen antwoord op het aansluitend gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de twee toestellen waarvan de eerste op diverse momenten aan de verdachte kan worden gerelateerd en die hij beide in zijn bezit had.”
derde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is medegedeeld. Hierdoor zou art. 301 lid 4 Sv Pro zijn geschonden en zou verdachte tekort gedaan zijn in zijn recht op een eerlijk proces.
Vanaf 14 januari 2015 zijn ook verschillende IMEI-nummers aan de simkaart met het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] gekoppeld.
De voorzitter deelt mede dat blijkens de processtukken telecomprovider T-Mobile voor de periode vanaf 17 september 2014 een lijst met IMEI-nummers heeft gegenereerd aangaande de simkaart met het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] . De recherche heeft hieromtrent een nader proces-verbaal opgemaakt, te vinden op pag. ZD05 429. Hun relaas houdt in dat het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] vanaf 17 september 2014 vrijwel dagelijks actief was in een BlackBerry voorzien van het IMEI- nummer eindigend op - [003] en vanaf 14 januari 2015 dagelijks actief was in een BlackBerry voorzien van het IMEI-nummer eindigend op - [002] .Er is daarnaast een correctieproces-verbaal opgemaakt te vinden op pag. ZD01041.”
(…)
Er zijn printlijsten beschikbaar van de IMEI-nummers eindigend op - [003] en - [002] voor de periode van 17 september 2014 tot en met 1 februari 2015, die ik aan het hof en de raadslieden zal e-mailen. Op de printlijsten zijn de momenten van 25 december 2014 te 19:16 uur en 24 oktober 2014 tussen 14:20 uur en 15:14 uur gemarkeerd.
(…)
Desgevraagd verzetten de raadslieden zich niet tegen toevoeging van voornoemde stukken aan het dossier.
De voorzitter deelt mede dat deze stukken in het dossier worden gevoegd.
(…)
De verdachte [verdachte] legt op aanvullende vragen van het hof een verklaring af, inhoudende:
(…) Ik denk dat ik op 24 oktober 2014 de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] . (…)
Mijn verklaring komt er dus op neer dat de simkaart met het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] eerst in een blauwe PGP-BlackBerry moet zijn geplaatst en daarna in de zwarte PGP- BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [002] .
(…)
De jongste raadsheer deelt mede dat uit de onderliggende stukken van de Ennetcom-data lijkt te kunnen worden afgeleid dat aan de PGP-BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [003] het e-mailadres [e-mailadres] was gekoppeld en dat dit e-mailadres tevens was gekoppeld aan de PGP-BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [002] . Het e-mailadres [e-mailadres] is in de blauwe PGP-BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [003] gebruikt in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 en vervolgens vanaf 14 januari 2015 tot 1 februari 2015 in de PGP-BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [002] .
De advocaat-generaal reageert als volgt:
Ik deel deze lezing van de jongste raadsheer, die ook overeenkomt met de kennisgevingen van inbeslagneming en de processen-verbaal van bevindingen dienaangaande.
(…)
De voorzitter vraagt aan de advocaat-generaal en de raadslieden van de verdachten of de inhoudelijke aspecten van de PGP-BlackBerry’s hiermee voldoende zijn verkend en onderzocht. Zij delen elk voor zich mede dat dit wat hen betreft het geval is.”