Conclusie
P. Vlas
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat het uitsluitend zou zijn gemotiveerd met een verwijzing naar het oordeel van het hof Amsterdam over het rapport van Joling (rov. 2.6.1 e.v.). Dit oordeel had echter alleen betrekking op de andere in het rapport genoemde schadeposten, en niet op het exploitatieverlies, omdat het hof Amsterdam immers had geoordeeld dat geen schade wegens exploitatieverlies was gevorderd. Over de vraag of Torn haar vorderingen met betrekking tot de exploitatieverliezen door middel van het rapport van Joling voldoende heeft toegelicht, heeft het hof Amsterdam zich dus niet uitgelaten. Over dat punt moest het hof Den Haag na verwijzing nog oordelen, waarbij partijen na verwijzing een nadere toelichting mochten geven op de door hen reeds voor de cassatieprocedure gestelde feiten, aldus het onderdeel.
onderdeel 1af, omdat het hof zich een eigen oordeel heeft gevormd over de juistheid van de bedragen. Dat oordeel is bovendien niet onbegrijpelijk. Rappange heeft de juistheid van de bedragen alleen betwist door te stellen dat ‘de grondslagen van de berekeningen in duister zijn gehuld’ en dat zij de bedragen betwist, zodat het hof kon volstaan met de motivering dat deze betwisting niet concreet genoeg was. Het is mijns inziens begrijpelijk dat het hof daarbij van belang heeft geacht dat het hof Amsterdam de algemene bezwaren van Rappange tegen het rapport van Joling reeds had verworpen en had geoordeeld dat dit rapport tot uitgangspunt kon dienen bij het begroten van de schade. Daaraan staat niet in de weg dat het hof Amsterdam die algemene bezwaren heeft besproken in de context van één specifieke schadepost (die wegens ‘diverse kostenposten’).
onderdeel 2klaagt over het meewegen van het rapport van Joling door het hof Den Haag, faalt het onderdeel eveneens. Het hof Amsterdam heeft in rov. 2.6.1-2.6.3 van zijn arrest een aantal van de algemeen geformuleerde bezwaren van Rappange tegen dat rapport besproken en is tot de slotsom gekomen dat het rapport tot uitgangspunt kan worden genomen bij de begroting van de schade. Het hof heeft dit overwogen in het kader van de beoordeling van de schadepost die is aangeduid als ‘diverse kostenposten’. Als Rappange had gemeend dat het rapport in het geheel niet mocht worden gebruikt (dus ook niet bij de vaststelling van de schade vanwege ‘diverse kostenposten’), omdat geen onderliggende stukken waren overgelegd of om andere redenen, dan had zij hierover in haar incidentele cassatieberoep tegen het arrest van het hof Amsterdam kunnen klagen. Dat heeft zij echter nagelaten. [13] Het hof Amsterdam heeft dus in de procedure vóór cassatie de algemene bezwaren van Rappange tegen het rapport van Joling beoordeeld en verworpen, aan welk oordeel het hof Den Haag gebonden was. [14]