Conclusie
middelklaagt over de verwerping door het hof van het “verweer” dat “niet kan worden bewezen dat de verdachte ‘wederrechtelijk is binnengedrongen’” in de supermarkt die hem een winkelverbod had opgelegd. Ter onderbouwing van het middel wordt een beroep gedaan op het ter terechtzitting door de raadsvrouw “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt […] dat en waarom het winkelverbod niet rechtsgeldig was”. De redenen die het hof heeft gegeven, waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, zouden “onbegrijpelijk” zijn en “inhoudsloos”. Het hof had er “blijk van moeten geven te hebben onderzocht of de argumenten die door de raadsvrouw naar voren zijn gebracht zodanige bijzondere omstandigheden zijn dat in dit geval niet kan worden gesproken van wederrechtelijk binnendringen”. Het onderscheid tussen de verwerping van een (bewijs)verweer – waarop het middel doelt – of van de afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt – waarop de onderbouwing ervan ziet – doet in dit geval niet ter zake omdat het bewijsverweer niet louter van feitelijke aard is, maar daarin tevens de rechtsvraag aan de orde wordt gesteld of handelen in strijd met een winkelverbod wederrechtelijk is indien dat verbod niet is opgelegd in overeenstemming met de voorwaarden die zouden gelden zoals ter terechtzitting is aangevoerd. [1]