Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
negendelid van artikel 10 van Pro de SW een fictieve verkrijging aangegeven van € 10.479 ter zake van de (opeisbaar geworden) vordering op erflaatster. Dat is berekend als het bedrag dat erflaatster (tante) hun schuldig was, voor zover de nominale waarde van die schuld meer bedraagt dan de waarde van hetgeen zij krachtens erfrecht had verkregen van degene die de uiterste wil had opgemaakt, grootmoeder.
eerstelid van artikel 10 van Pro de SW de, als verkrijging in aanmerking te nemen, vordering per verkrijger gesteld op een bedrag van € 104.423, zijnde het nominale bedrag van de vordering, zonder aftrek.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
“Ik legateer aan ieder van de kinderen van een van mij ervende zoon een onvoorwaardelijke vordering ten laste van zijn/haar vader (mijn zoon) én een onvoorwaardelijke vordering ten laste van hun tante (mijn dochter), [A] , van een zodanige grootte dat over de top van de kontante waarde (berekend volgens de maatstaven van de ten tijde van mijn overlijden geldende successiewet) van de vordering van een kleinkind zoveel mogelijk een gelijk percentage aan successierecht wordt geheven als over de top van de verkrijging van mijn kind (vader respectievelijk tante van het desbetreffende kleinkind), met dien verstande dat de (gezamenlijke) vorderingen van de kinderen van een van mij ervend kind op hun vader nooit meer bedragen dan de waarde van het erfdeel dat mijn zoon zou hebben ontvangen zonder deze vorderingen en dat de (gezamenlijke) vorderingen van de kinderen van een van mij ervend kind op hun tante nooit meer bedragen dan de waarde van het erfdeel dat mijn dochter zou hebben ontvangen zonder deze vorderingen.”
(…)
3.Het geding in cassatie
4.Wetteksten, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
1.Algemeen
2.Aanvaarding legaten (lid 1)
1.Algemeen, b) Ten koste van erflaters vermogen
2.Werking van art. 10 lid 9 SW Pro 1956
5.Beoordeling
rechtstreekseen vorderingsrecht toegekend van de legataris jegens een of meer erfgenamen. Aldus volgt uit het testament van oma dat hier sprake is van een legaat van oma aan belanghebbenden (kleinkinderen) jegens de erfgenamen (de kinderen van oma), in casu jegens erflaatster (tante).