Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iklaagt dat de overwegingen 2.1 en 3.2 met betrekking tot de stoornis van de geestvermogens, gelet op wat door betrokkene is aangevoerd, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn.
1.1aan dat de rechtbank een combinatie maakt van persoonlijkheidsstoornissen en de bij betrokkene al langer bekende bipolaire stoornis om tot een stoornis van de geestvermogens te komen in het kader van de Wet Bopz. [4] Uit het proces-verbaal blijkt dat geen actieve episode van de bipolaire stoornis wordt gezien en dat de behandelaar zich zelfs afvraagt of het eerdere maniform zijn van betrokkene door middelengebruik kwam of door een andere onderliggende stoornis. Het is derhalve niet terecht dat de rechtbank de bipolaire stoornis gebruikt om tot een stoornis van een geestvermogens in het kader van de Wet Bopz te komen. [5]
1.2wordt geklaagd dat een persoonlijkheidsstoornis op zich geen stoornis is als bedoeld in de Wet Bopz. Het gedrag van betrokkene dient op een andere manier beoordeeld te worden, bijvoorbeeld in een strafrechtelijk kader. Hulpverlening dient plaats te vinden in het kader van huisvesting en activiteiten. Nu geen sprake is van een actieve bipolaire stoornis, is niet duidelijk hoe de rechtbank kan komen tot “comorbiditeit”.
1.3klaagt dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de “niet-actieve” bipolaire stoornis heeft gebruikt om tot de vaststelling van een stoornis in het kader van de Wet Bopz te komen.
tenzijdeze stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. Dit laatste is in de onderhavige zaak het geval. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat de psychiater dit ook als zodanig heeft beschreven:
2.1aan dat betrokkene zich ten tijde van de bestreden beschikking niet in voorlopige hechtenis bevond, maar in GGZ instelling Antes op grond van een inbewaringstelling in het kader van de Wet Bopz. Zijn voorlopige hechtenis is op 17 december 2018 geschorst. Gelet op het bepaalde in artikel 10 lid 1 Wet Pro Bopz was de laatste mogelijkheid voor tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op 24 januari 2019. De beslissing van de rechtbank om een voorlopige machtiging te verlenen onder de opschortende voorwaarde van schorsing van de voorlopige hechtenis, gaat dus uit van een onjuiste feitelijke situatie. Bovendien is de opschortende voorwaarde in strijd met de Wet Bopz, nu de beschikking maar gedurende veertien dagen ten uitvoer gelegd kan worden.
2.2wordt geklaagd dat, als de voorlopige machtiging niet ten uitvoer zou zijn gelegd, verzoeker, indien zijn gevangenhouding maanden later eventueel zou worden geschorst, alsnog op basis van het verzoek van de officier van justitie van 17 december 2018 en de geneeskundige verklaring van 30 november 2018 zou kunnen worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Dit zou in strijd zijn met artikel 5 lid 1 EVRM Pro, omdat in de tussenliggende maanden veel veranderd kan zijn en voor een dergelijke vrijheidsberoving actuele informatie nodig is. Op dit punt verwijst het subonderdeel naar de conclusie van A-G Langemeijer van 10 november 2017 onder 2.2. Deze beslissing is derhalve onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.