Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ikeert zich tegen de totstandkoming van de geneeskundige verklaring in aanwezigheid van twee Penitentiair Inrichtings Werkers (PIW’ers). Geklaagd wordt dat deze verklaring niet naar behoren tot stand is gekomen, omdat de rechtbank op geen enkele manier heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van PIW’ers in casu noodzakelijk was, de schending van de privacy van betrokkene niet in het oordeel heeft betrokken en een verwijt bij betrokkene legt dat niet bij hem hoort te liggen. Hierdoor zijn aan betrokkene onvoldoende mogelijkheden geboden om een eerlijk en onafhankelijk onderzoek te hebben. Uit de rapportage van psychiater [betrokkene 3] van het NIFP Zuid-Holland van 6 november 2018 blijkt niet van agressiviteit van betrokkene, dit blijkt evenmin uit de geneeskundige verklaring van 22 november 2018 en ook is niet gebleken dat betrokkene in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) agressief is geweest, aldus het onderdeel. Voorts blijkt niet uit de geneeskundige verklaring dat de psychiater het nodig vond dat PIW’ers aanwezig waren. Het onderdeel verwijst op dit punt naar artikel 8 EVRM Pro en klaagt dat van de psychiater verwacht had kunnen worden dat zij aan betrokkene had gevraagd of hij akkoord ging met de aanwezigheid van PIW’ers. Het oordeel van de rechtbank op dit punt is derhalve niet juist, althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.
“De uitspraak geeft blijk van veel begrip voor een afweging die de eigen veiligheid voorop stelt. Dat is daarom ook begrijpelijk, omdat als er géén Bopz-maatregel komt vanwege de onmogelijkheid om op veilige wijze psychiatrisch onderzoek te verrichten, het gevaar eenvoudigweg blijft voortbestaan; dat is pas echt onaanvaardbaar.” [4]
“De aangehaalde maatstaf (namelijk “of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het vereiste onderzoek te doen plaatsvinden”) laat ook ruimte om rekening te houden met risico’s voor de veiligheid van de arts die het onderzoek verricht.” [5]
“Binnen de P.I. is het, alleen al vanwege de veiligheid, niet ongebruikelijk dat PIW’ers bij bepaalde gesprekken aanwezig zijn, dan wel zich in de buurt ophouden”kan afgeleid worden dat de rechtbank het voor de veiligheid van de psychiater noodzakelijk achtte dat de PIW’ers bij het gesprek met betrokkene aanwezig waren. Ter zitting van de rechtbank is dit punt ook op deze wijze aan de orde geweest; zo volgt uit het proces-verbaal van de zitting dat de arts heeft verklaard dat “
bij een gesprek in de P.I. altijd naar de situatie wordt gekeken. Sommige mensen zijn heel agressief en dan wordt zo’n gesprek niet alleen met de psychiater gevoerd” [6] , aldus de arts.
“Gezien de zorgen die geuit worden in het reclasseringsrapport, kiest ondergetekende ervoor een geneeskundige verklaring uit te schrijven, zodat betrokkene opgenomen kan worden in een psychiatrisch ziekenhuis. Alhier kan verdere diagnostiek en behandeling plaatsvinden.”
“Kennelijk gaan de twee weken pas lopen ná de onvoorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling (mits deze niet te lang op zich laat wachten).” [16]
“Omdat in alle gevallen dat de strafrechtelijke maatregel niet is geëindigd binnen veertien dagen na de beschikking van de Bopz-rechter, verlening van een machtiging onder opschortende voorwaarde naar de letter van de wet een zinloze exercitie zou zijn (de voorlopige machtiging niet meer ten uitvoer zou kunnen worden gelegd), heeft het hof Arnhem [17] uitgesproken dat, gelet op de specifieke context waarin door de Hoge Raad de voorlopige machtiging onder opschortende voorwaarde is ontwikkeld, de toepasselijke regelgeving zo moet worden uitgelegd “dat tenuitvoerlegging van een in deze context verleende voorlopige Bopz-machtiging dient te geschieden binnen veertien dagen nadat zich de in de opschortende voorwaarde genoemde gebeurtenis, in casu het onvoorwaardelijk eindigen van de TBS, heeft voorgedaan”. Het probleem van de vervaltermijn van artikel 10 is Pro aldus van de baan; de Bopz-rechter behoeft dus niet zijn beslissing aan te houden tot hij zeker weet dat er nog maar veertien dagen te gaan zijn totdat de tbs is geëindigd.” [18]
inde omstandigheden van betrokkene, waardoor wellicht na enkele weken een tenuitvoerlegging van de verleende machtiging niet meer gerechtvaardigd zou zijn. Met het oog daarop dient een beoordeling van de noodzaak van een te verlenen machtiging zo kort mogelijk voor een eventuele tenuitvoerlegging te geschieden.
“De beschikking van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad. De voorlopige machtiging kan niet meer ten uitvoer worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen.”
kort te vorenheeft onderzocht. De geneeskundige verklaring verschaft inzicht in de actuele situatie van betrokkene, aldus artikel 5 lid 1 Wet Pro Bopz.
zich de in de opschortende voorwaarde genoemde gebeurtenis, in casu het onvoorwaardelijk eindigen van de TBS, heeft voorgedaan”bergt het risico in zich dat de termijn te lang gaat worden en wellicht niet meer bewaakt wordt.
“De belangrijkste doelen zijn de juiste patiënt op de juiste plek, het creëren van voldoende forensische zorgcapaciteit, kwalitatief goede zorg gericht op de veiligheid van de samenleving en een goede aansluiting tussen de forensische en de curatieve zorg.” [27]
De tenuitvoerlegging wordt aan een termijn gebonden; de tweede volzin van het eerste lid geeft uitdrukking aan de verplichting om onmiddellijk met de tenuitvoerlegging te beginnen. Uiterlijk twee weken na afgifte moet de zorgmachtiging ten uitvoer zijn gelegd [30] .”