Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Sauna Peize exploiteert te Peize een saunabedrijf.
- ii) Interpolis heeft met Rabobank als assurantietussenpersoon en met Sauna Peize als verzekeringnemer laatstelijk op 15 oktober 2004 in de vorm van een Bedrijven Compact Polis een verzekeringsovereenkomst met polisnummer [001] afgesloten tegen (onder andere) het risico van brandschade aan de bedrijfsgebouwen en bedrijfsmiddelen van Sauna Peize en tegen het risico van bedrijfsstagnatie bij brand.
- iii) Voorafgaand aan het sluiten van deze verzekering heeft Interpolis aan HDS Groep B.V. (verder: HDS) opdracht gegeven de door Sauna Peize te verzekeren zaken te taxeren. HDS heeft daartoe een taxatierapport opgemaakt, gedateerd 13 augustus 2001. Rabobank heeft destijds een kopie van dat rapport ontvangen. Ook Sauna Peize heeft een exemplaar van het rapport ontvangen. Het rapport vermeldt dat een waardebepaling in opdracht van Interpolis heeft plaatsgevonden. Het rapport vermeldt als waarden:
- iv) Op 7 juni 2005 heeft in het saunabedrijf van Sauna Peize brand gewoed met als gevolg schade aan een van de bedrijfsgebouwen, aan bedrijfsmiddelen, alsmede schade als gevolg van bedrijfsstagnatie. Na benoeming van een schade-expert door Sauna Peize is vervolgens in overleg met de eigen expertisedienst van Interpolis de schade geregeld.
- v) Door [betrokkene 1] , optredend als expert voor Interpolis en [betrokkene 2] , optredend als expert voor Sauna Peize is een "Akte van Taxatie" opgesteld, d.d. 16 februari 2006. In die akte is vermeld:
- vi) Onder de polis waren drie gebouwen verzekerd: gebouw 1, zijnde de oude sauna, gebouw 2, zijnde het losstaande gebouw met technische installaties en gebouw 3, zijnde de nieuwbouw aan gebouw 1, gerealiseerd met investeringen in de jaren 2002 tot en met 2004. Gebouwen 2 en 3 zijn bij de brand niet verloren gegaan.
- vii) Een brief van Rabobank aan Sauna Peize van 12 juni 2005 bevat een verslag van een bespreking die op 1 juni 2005 heeft plaatsgevonden tussen [betrokkene 3] , namens Sauna Peize, en Rabobank. In die brief wordt met betrekking tot Sauna Peize onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende vermeld:
bedrijfsgebouw:
bedrijfsschadeis in het rapport van de deskundige het volgende vermeld:
gebouwensprake was van een onderdekking van € 275.000 bij een waarde van de gebouwen voor de brand van € 4.100.000, uitkomend op een schadebedrag van € 134.345 en dat Rabobank gehouden is deze schade te vergoeden (rov. 2.1-2.15).
bedrijfsschadeheeft de rechtbank onder meer overwogen dat Rabobank in de bespreking van 1 juni 2005 Sauna Peize had dienen te wijzen op de mogelijke gevolgen van haar prognoses omtrent de omzetstijging voor de bedrijfsschadeverzekering, in welk verband zij bovendien nog heeft overwogen dat Rabobank als bekwaam handelend assurantietussenpersoon reeds in 2004 Sauna Peize had dienen te adviseren de basisdekking te verhogen, teneinde de 30% accresclausule veilig te stellen voor echt onverwachte ontwikkelingen (rov. 2.21). Eén en ander heeft de rechtbank gebracht tot het oordeel dat Rabobank is tekortgeschoten in haar taak als assurantietussenpersoon en derhalve aansprakelijk is voor de schade die door deze tekortkoming voor Sauna Peize is ontstaan (rov. 2.22). De rechtbank heeft deze schade vastgesteld op € 433.391,55, uitgaande van een onderdekking van 15,13% (rov. 2.23-2.28).
Grief IIricht zich tegen de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de gebouwschade op een bedrag van € 134.345.
Grief IIIkomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat (eveneens) sprake was van onderverzekering ten aanzien van bedrijfsschade.
Grief IVricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er sprake was van bedrijfsschade (en de hoogte daarvan).
Grief Vvan Rabobank strekt ten betoge dat er sprake was van eigen schuld aan de zijde van Sauna Peize.
incidentele grieven I en IIvan Sauna Peize richten zich tegen het oordeel van de rechtbank over de onderverzekering van het gebouw. Onder meer en kort samengevat heeft Sauna Peize aangevoerd dat de rechtbank had moeten uitgaan van een onderverzekeringspercentage van (afgerond) 9%, hetgeen resulteert in een niet vergoed schadebedrag van € 189.216 (en niet slechts € 134.345 als toegewezen).
gebouwschadegeoordeeld dat er sprake was van onderverzekering ad
€ 375.000, uitgaande van een verzekerde som ad € 3.825.000 en een verzekerd belang ad
€ 4.200.000 (rov. 5.1-5.11). De hoogte van de als gevolg van die onderverzekering geleden schade heeft het hof vastgesteld op € 189.216 (rov. 5.12-5.15). Daartoe heeft het hof, voor zover thans van belang, het volgende overwogen en beslist:
Gebouwschade: hoogte schade
bedrijfsschadekwam het hof tot het oordeel dat van onderverzekering geen sprake was. Het hof heeft de op het bestaan daarvan gestoelde vordering van Sauna Peize op die grond alsnog afgewezen (rov. 5.16-5.25). Daartoe heeft het hof, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:
Bedrijfsschade
grief IIIkomt Rabobank op tegen het oordeel van de rechtbank dat (eveneens) sprake was van onderverzekering ten aanzien van de bedrijfsschade. Ter onderbouwing daarvan voert zij aan dat de deskundige heeft geoordeeld dat geen sprake was van onderverzekering op het punt van de bedrijfsschade. Voorts geldt dat, zoals de deskundige ook heeft geoordeeld, voor Rabobank geen reden bestond de verzekerde waarde aan te passen, omdat de omzet in 2004 juist was teruggelopen ten opzichte van 2003. Dat tijdens een bespreking op 1 juni 2005 tussen Rabobank en Sauna Peize een prognose van hogere omzetten aan de orde is geweest, behoefde voor Rabobank geen aanleiding te zijn de verzekerde waarde op stel en sprong aan die prognose aan te passen.
op basis van deze cijfersgeen sprake was van onderverzekering. Die conclusie is niet weersproken en neemt het hof over.
grief IVkomt Rabobank op tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake was van bedrijfsschade en de hoogte daarvan. Nu hiervoor is vastgesteld dat van onderverzekering geen sprake was, terwijl de vordering van Sauna Peize gebaseerd is op de stelling dat daarvan wél sprake was, geldt dat die vordering, als niet bewezen, zal worden afgewezen.
eigen schuldaan de zijde van Sauna Peize is door het hof verworpen (rov. 5.26-5.30). In dat verband heeft het hof het volgende overwogen:
Eigen schuld
grief Vdoet Rabobank een beroep op eigen schuld aan de zijde van Sauna Peize. In dat kader voert Rabobank het volgende aan. Het feit dat van onderverzekering van de gebouwen sprake was, vond zijn oorzaak in het gegeven dat Sauna Peize haar verplichting om de bank tijdig van voldoende en juiste informatie te voorzien heeft geschonden. Aan de bank was niet meer bekend dan dat in gebouw 3 geïnvesteerd was, op grond waarvan de bank de verzekerde waarde daarvan ook heeft verhoogd. Van investeringen in de gebouwen 1 en 2 was haar niets bekend.
€ 200.911,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 12 juni 2006 tot 24 september 2012;
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
basisdekking(ad € 2.459.488) te verhogen teneinde de 30% accresclausule veilig te stellen voor echt onverwachte ontwikkelingen. Het hof heeft miskend dat (in het hypothetische geval dat de tekortkoming was uitgebleven en dus) de basisdekking op basis van de jaarcijfers 2004 was verhoogd van € 2.459.488 naar € 3.025.902 [10] en derhalve de totale dekking in verband met de 30% accresclausule was gestegen van € 3.197.334,40 naar € 3.933.672,60, verzekeraar Interpolis – gelet op het door de experts berekende verzekerd belang van € 3.767.150 – niet een onderverzekeringskorting zou hebben toegepast en Sauna Peize een € 433.391,55 hogere uitkering zou hebben ontvangen, welk verschil door Rabobank ex art. 6:74 lid 1 BW Pro moet worden vergoed. Verwezen wordt naar de desbetreffende stellingen van Sauna Peize in appel. [11]
de verzekerde som, inclusief accresclausule, op basis van de jaarcijfers 2004 toereikend was om het verzekerd belang integraal te dekken”, dat aan de (in subonderdeel 1.1 bedoelde) tekortkoming (en daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid ex art. 6:74 lid 1 BW Pro) van Rabobank niet afdoet. Daartoe wordt aangevoerd dat (decisief is dat) Interpolis
in werkelijkheid(op basis van de Akte van Taxatie van de experts) nu eenmaal een korting wegens onderverzekering van 15% (€ 433.391,55) heeft toegepast en dit niet zou hebben gedaan in het hypothetische geval dat Rabobank niet jegens Sauna Peize was tekortgeschoten (in de door subonderdeel 1.1 bedoelde zin). Voor de toepassing van art. 6:74 lid 1 BW Pro is niet van belang of Interpolis volgens het hof
ten onrechteis uitgegaan van een verzekerd belang van € 3.767.150 en derhalve
ten onrechteeen korting heeft toegepast, aldus het middel.
Wel moet worden vastgesteld, dat in het contact tussen verzekeraar en verzekerde een achterstand was ontstaan in het actualiseren van de verzekerde waarde. Het is gebruikelijk dat de verzekerde waarde jaarlijks wordt beoordeeld en bij significante afwijkingen wordt aangepast, zodat de 30% accres/decres clausule geheel benut kan worden voor onverwachte ontwikkelingen. In deze casus wordt de 30% accres bijna geheel gebruikt om de te lage basisdekking goed te maken.”
A.Tegen de achtergrond van deze taak kon de Rabobank er niet mee volstaan om af te wachten of de verwachtingen (over 2005, toev. A-G) ook zouden uitkomen, doch had zij in ieder geval Sauna Peize er op dienen te wijzen dat de door Sauna Peize genoemde prognoses gevolgen zouden kunnen hebben voor de verzekering betreffende bedrijfsschade. (…)
op basis van deze cijfersgeen sprake was van onderverzekering. Die conclusie is niet weersproken en neemt het hof over.” ,
in het midden heeft gelatenof Rabobank op basis van de jaarcijfers 2004 aan Sauna Peize het advies had moeten geven om de basisdekking te verhogen naar € 3.025.902 teneinde de 30% accresclausule veilig te stellen voor echt onverwachte ontwikkelingen. Ik licht dat als volgt toe.
tussen 1 en 7 juni 2005(rov. 5.22).
zowel deskundige als rechtbank” besproken vraag of Rabobank “al niet
eerder, jaarlijks,” de in 2001 vastgestelde verzekerde som had moeten herzien, heeft dat kennelijk betrekking op de door het hof in rov. 2.21 van het eindvonnis als tweede onderscheiden beslissing van de rechtbank (B) dat Rabobank reeds in 2004 Sauna Peize had “dienen te adviseren de basisdekking te verhogen teneinde de 30% accresclausule veilig te stellen voor echt onverwachte ontwikkelingen” (aangehaald hiervoor onder 2.8), welk oordeel van de rechtbank op zijn beurt was gebaseerd op de conclusie van de deskundige – “op basis van de jaarcijfers 2004” – dat de basisdekking te laag was en dat er uitgaande van de cijfers slechts voldoende dekking was dankzij de 30% accres-clausule (aangehaald hiervoor onder 2.6). Het hof laat in het midden of “dat” – verhoging van de basisdekking om de 30% accresclausule veilig te stellen – had moeten gebeuren.
in de verhouding tussen Sauna Peize en Rabobankmoet worden uitgegaan van onderverzekering. [14] Daarvan is, zoals het hof in rov. 5.18 (eveneens onbestreden) heeft vastgesteld, uitgaande van de jaarcijfers over 2004 geen sprake.
geheelbeschikbaar was geweest voor onverwachte ontwikkelingen. Ook daarom is het oordeel van het hof in rov. 5.23 niet onjuist of onbegrijpelijk.
“Dat (toen nog) … voor onvoorziene omstandigheden.”). Het berust op de lezing dat het hof daar tot uiting heeft gebracht dat er geen sprake was van “die” tekortkoming, waarmee het middel klaarblijkelijk doelt op de in subonderdeel 1.1 bedoelde tekortkoming.
niet eensis met de door haar aangehaalde overweging van de rechtbank dat “het te verzekeren bedrag al eerder verhoogd had moeten worden, zodat er geen twijfel had kunnen zijn over al dan niet onderverzekering”. In het licht van hetgeen Rabobank heeft gesteld in haar grief III (MvG nr. 5.13-5.18) en in haar schriftelijke pleidooi (nr. 25-26) is niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat Rabobank wél heeft gegriefd tegen het hiervoor weergegeven oordeel en de daarop volgende conclusie van de rechtbank.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
in de hypothetische situatie dat Rabobank geen fout zou hebben gemaakt, het volledige bedrag van € 2.002.955 zou hebben ontvangen(rov. 5.14, 6e volzin).
rechtsklachtgeeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof heeft miskend dat bij het vaststellen van de hypothetische situatie niet alleen de schadeveroorzakende gebeurtenis zelf – in dit geval de fout van Rabobank – moet worden weggedacht, maar ook alle andere omstandigheden van het geval die het gevolg zijn van de schadeveroorzakende gebeurtenis.
motiveringsklachtbetoogt dat, voor zover het bestreden oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, het hof zijn oordeel dat Sauna Peize, in de hypothetische situatie dat Rabobank geen fout zou hebben gemaakt en er geen sprake zou zijn geweest van onderverzekering, het volledige bedrag van € 2.002.955 zou hebben ontvangen, onvoldoende heeft gemotiveerd in het licht van de volgende stellingen van Rabobank:
Interpolis in de hypothetische situatie dat Rabobank geen fout had gemaakt en geen sprake zou zijn geweest van onderverzekering, zich niet zou hebben verbonden om het volledige (door experts getaxeerde) bedrag (aan herstelkosten) van € 2.002.955 uit te keren omdat Interpolis – in het hypothetische scenario – geen bedrag zou hebben uitgekeerd op basis van (voor)taxatie en zonder (recht op) nacalculatie.
de hypothetische situatie(waarbij de fout van Rabobank en de onderverzekering moeten worden weggedacht), laat staan dat de stellingen betrekking hebben op het (eventuele) handelen van
Interpolisin die hypothetische situatie.
niet afdoet de eventuele omstandigheid dat Sauna Peize reeds met de feitelijk ontvangen – gekorte – schadeuitkering herbouw heeft kunnen realiseren(rov. 5.14, 9e en 10e volzin (geciteerd onder 1.14.1 en verkort weergegeven onder 3.4 sub 10).
rechtsklachten:
motiveringsklachtvan subonderdeel 1.b.
rechtsklacht van subonderdeel 1.b sub (i)en de daarmee verband houdende
motiveringsklachtfalen omdat het in art. 6:163 BW Pro neergelegde relativiteitsvereiste niet geldt voor de onderhavige op art. 6:74 lid 1 BW Pro gebaseerde vordering tot schadevergoeding. Daarmee faalt ook de
rechtsklacht van subonderdeel 1.b sub (iii)waar deze betoogt dat de rechter art. 6:163 BW Pro (zo nodig) ambtshalve had moeten toepassen en de daarmee samenhangende
motiveringsklacht. Ten overvloede merk ik hierbij nog op dat de verwijzing naar HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7320 (s.t. nrs. 37-38) niet opgaat. Het relativititeitsoordeel in die zaak had betrekking op een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad (schending van een wettelijke plicht in de zin van art. 6:162 BW Pro). [24]
rechtsklachten van de subonderdelen 1.b sub (ii)en
sub(
iii) en de daarmee samenhangende
motiveringsklachtfalen.
subonderdeel 1.ckomt er samengevat op neer dat – mede in het licht van de in subonderdeel 1.a genoemde stellingen – de gebruikelijkheid en deugdelijkheid van de gevolgde taxatiemethode (rov. 5.13, slot) niet verklaart dat Interpolis ook in de hypothetische situatie dat geen sprake zou zijn van onderverzekering die taxatiemethode zou hebben gevolgd en zou hebben afgezien van nacalculatie. [26]
de zorgplicht van de assurantietussenpersoon, zoals Rabobank, naar zijn aard meebrengt dat de cliënt (Sauna Peize) tegen eigen onzorgvuldigheid of gebrek aan inzicht moet worden beschermd en dat fouten van Sauna Peize om die reden minder zwaar wegen dan die van Rabobank” (rov. 5.28, 2e volzin).
banken een
particuliere belegger, maar niet in de relatie tussen een
assurantietussenpersoonen een
niet-particuliere verzekerdezoals Sauna Peize. In die laatste relatie wegen fouten van de verzekerde niet reeds om reden van de zorgplicht van de assurantietussenpersoon minder zwaar dan de fouten van deze laatste. Door dit te miskennen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de klacht.