Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Voorwaarden bij overname van het project
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1: uitleg van de samenwerkingsovereenkomst
veehoudersbelang hebben bij realisatie en exploitatie van de installatie, (iii) dat art. 11 van Pro de samenwerkingsovereenkomst (betreffende de afname van mest) een derdenbeding ten gunste van de veehouders behelst, (iv) dat de veehouders worden genoemd in bepalingen van de samenwerkingsovereenkomst die betrekking hebben op de oprichting en exploitatie van de installatie en (v) dat art. 22 (betreffende de instemming van de in bijlage 2 genoemde leden van de Vereniging) en art. 27 (betreffende beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst zonder vergoeding aan de Vereniging en/of haar leden) zinledige bepalingen zouden zijn, als de veehouders daarbij geen partij zouden zijn. [11]
voorwaardelijkrecht op mestafname tegen een bepaalde prijs hadden, [13] ligt niet voor de hand dat zij aan de met de Vereniging gesloten samenwerkingsovereenkomst een
onvoorwaardelijkrecht zouden kunnen ontlenen op vervulling van de desbetreffende voorwaarde.
tekstvan de samenwerkingsovereenkomst. De tekst van een overeenkomst is bij toepassing van de Haviltex-maatstaf niet doorslaggevend. De veehouders hebben op de in het onderdeel genoemde vindplaatsen geen beroep gedaan op een door de Holding of de projectvennootschap in de precontractuele fase gewekt vertrouwen dat uit de samenwerkingsovereenkomst voor hen een afdwingbaar recht op realisatie van de biomassa-vergistingsinstallatie voortvloeide. [17]
gezichtspunten (b), (c) en (e): de aard en strekking van de overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken en de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien. Aansluitend overweegt het hof dat de mestafzetovereenkomsten voor de veehouders niet gepaard zijn gegaan met tevergeefs gemaakte kosten en dat het realiseren van de installatie ook ongunstig had kunnen uitpakken voor de veehouders. Deze overwegingen hebben betrekking op
gezichtspunt g, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt. Ten slotte overweegt het hof dat door de veehouders niet is betwist dat de Holding en de projectvennootschap van de bouw van de installatie hebben afgezien omdat daarvoor geen voldoende financiële basis bleek te bestaan. Deze overweging heeft betrekking op
gezichtspunt f: de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden.
eerste klachtluidt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, door te oordelen dat de veehouders bij het aangaan van de mestafzetovereenkomsten niet erop mochten vertrouwen dat de installatie inderdaad zou worden opgericht. Volgens de veehouders hebben de Holding en de projectvennootschap dit niet gesteld: hun verweer hield in dat op hen slechts een
inspanningsverbintenistot oprichting van de installatie rustte. [21] Deze klacht is mijns inziens tevergeefs voorgesteld. Het bedoelde verweer impliceert immers dat de veehouders er niet op mochten vertrouwen dat de installatie hoe dan ook zou worden opgericht: de Holding en de projectvennootschap zouden zich weliswaar daarvoor inspannen, maar het oprichten (het feitelijk tot stand komen) van de beoogde installatie, als resultaat van die inspanningen, was daarmee niet gegarandeerd.
tweede klachtis gericht tegen het slot van rov. 3.2.7, waar het hof overweegt dat de veehouders niet hebben betwist dat de Holding en de projectvennootschap van de bouw van de installatie hebben afgezien “omdat daarvoor geen voldoende financiële basis bleek te zijn”. De klacht luidt dat de veehouders de juistheid van deze aangevoerde beëindigingsgrond wel degelijk hebben betwist. Verwezen wordt naar de memorie van grieven, waar de veehouders hebben gesteld dat de Holding en de projectvennootschap “nooit aangetoond of aannemelijk gemaakt” hebben, dat zij “in objectieve zin en rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van [de veehouders], voldoende gronden hadden om van de oprichting van de installatie af te zien”. Tevens is daar een beroep gedaan op “contra-indicaties”. [23]
derde klachtis gericht tegen de overweging van het hof dat de mestafzetovereenkomsten voor de veehouders niet gepaard zijn gegaan met tevergeefs gemaakte kosten en dat het realiseren van de installatie ook
ongunstighad kunnen uitpakken voor de veehouders. De klacht luidt dat de Holding en/of de projectvennootschap dit argument niet hebben aangevoerd: zij zouden slechts hebben gewezen op het verschil in consequenties voor de veehouders bij niet-uitvoering van de overeenkomst (nl. minder opbrengst), respectievelijk voor de Holding en/of de projectvennootschap bij uitvoering van de overeenkomst (nl. een faillissement). Voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op dat
verschilin consequenties, had het hof behoren te responderen op de relativering daarvan door de veehouders. Voor zover het hof in dat verschil aanleiding heeft gezien voor toepassing van art. 6:2 lid 2 BW Pro, heeft het hof volgens de klacht niet de daarbij geboden terughoudendheid betracht. [26]
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
anderegronden aan de beslissing van de Holding en de projectvennootschap ten grondslag hebben gelegen (zie alinea 2.17 en 2.22). Het hof heeft zich geen oordeel gevormd – noch behoeven te vormen – over de vraag op wie de stelplicht en bewijslast rustten ten aanzien van de financiële haalbaarheid van het project.
samenwerkingsovereenkomst; niet op de niet-vervulling van een aan de mestafzetovereenkomsten verbonden voorwaarde. Door toch te toetsen aan art. 6:23 BW Pro, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden (
onderdeel 2.1), althans heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven (
onderdeel 2.2). Bovendien heeft het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd toepassing gegeven aan art. 6:23 BW Pro, nu vaststaat dat de bouw van de installatie geen onderdeel uitmaakt van de tussen de veehouders en de projectvennootschap overeengekomen rechten en verplichtingen (
onderdeel 2.3).
voorwaardelijkeverplichting tot mestafname is aangegaan en dat de desbetreffende voorwaarde (het operationeel worden van de installatie) niet in vervulling is gegaan. [30] De veehouders hebben zich op het standpunt gesteld dat de Holding en de projectvennootschap onvoldoende contractuele grondslag hadden om van realisatie van het project af te zien, althans zonder hen schadeloos te stellen. [31] Tevens hebben de veehouders erop gewezen dat
zijbelang hadden bij realisatie en exploitatie van de installatie. [32] Een en ander bood het hof voldoende feitelijke grondslag om, met ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden (art. 25 Rv Pro), te toetsen aan art. 6:23 BW Pro. Nu die toetsing negatief uitviel en het hof aan daadwerkelijke toepassing van art. 6:23 BW Pro dus niet is toegekomen, missen de Holding en de projectvennootschap belang bij hun inhoudelijke klachten op dit punt.