Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant sub 1 / bestuurder 2] ,
[appellant sub 2],
[appellant sub 3],
[appellant sub 4],
[appellant sub 5],
[appellant sub 6 / bestuurder 3],
[appellant sub 7],
[appellant sub 8]
[appellant sub 9],
[appellant sub 10],
[de vennootschap / appellant sub 11],
1.[de vennootschap 1 / geïntimeerde sub 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 2 / geïntimeerde sub 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/294304/HAZA 15-399)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 1 augustus 2016;
- de memorie van grieven (met drie producties, de producties 24 t/m 26);
- de memorie van antwoord (met 4 producties, de producties 18 t/m 21);
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H12 formulier door [appellanten] toegezonden producties (producties 27 t/m 42), die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht.
3.De beoordeling
“Samenwerkingsovereenkomst
“Overwegende dat:1. [de vennootschap 2 / geïntimeerde sub 2] en (de vereniging) een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten d.d. 19 december 2008 ten aanzien van de realisatie en exploitatie van een vergistingsinstallatie gelegen te [plaats] aan de [straat] )2. De veehouder heeft ingetekend op de lijst van leden van (de vereniging) die bereid zijn mest te leveren aan de installatie.3. De veehouder bekend is met de voorwaarden en bepalingen zoals opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst.4. [de vennootschap 2 / geïntimeerde sub 2] en de veehouders de afspraken ten aanzien van de mestleverantie wensen vast te leggen in deze mestafzetovereenkomst (MAO).Komen het volgende overeen:5. De mestafzetovereenkomst gaat in op het moment dat de installatie operationeel is voor een periode van tien jaar nadien.6. De veehouder heeft het recht en de plicht om op jaarbasis in totaal (…) ton (….) te leveren aan [de vennootschap 2 / geïntimeerde sub 2] gelijk [geïntimeerde sub 2] het recht en de plicht heeft om deze hoeveelheid mest van de veehouder af te nemen.(…)”
dat het Project niet rendabel en te risicovol [was]’en ‘
De business case (…) sterk verslechterd [was] (…) In de markt (…) verscheidene partijen met biogasinstallaties failliet [gingen] en uit een verschenen rapport van de Rabobank in de zomer van 2012 bleek dat twee derde van de partijen met biogasinstallaties met verlies kampten’.
“(..) Wij wenden ons nu tot u portefeuillehoudende wethouders vanwege het feit dat [geïntimeerde sub 1] / [geïntimeerde sub 2] BV ons op 10 juli J.L in kennis heeft gesteld van het feit dat zij niet zelf het project willen realiseren maar het project willen overdragen aan een andere partij inclusief de verplichtingen naar de vereniging [vereniging] . Deze Partij [partij] BV is inmidddels met de vereniging [vereniging] in gesprek (...) Wij hebben inmiddels van [geïntimeerde sub 1] vernomen dat zij op 17 juni j.l in kennis zijn gesteld door de gemeente [plaats] dat de gemeente voornemens is de grond terug te vorderen. Het terugvorderen van de bouwgrond is juridisch gezien een zaak tussen de gemeente en [geïntimeerde sub 1] waarin wij als vereniging [vereniging] niet in willen treden. Wel willen wij een beroep de gemeente [plaats] doen om deze terugvordering 2 maanden aan te houden. We denken binnen deze periode de financiering van het project rond te kunnen zetten, de vereniging [vereniging] zal de grond dan overnemen van [geïntimeerde sub 1] (…)”
Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat op [geïntimeerden] ter zake de bouw van een installatie alleen een inspanningsverplichting rustte en dat niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerden] zich onvoldoende hebben ingespannen.
Met grief 3 bestrijden [appellanten] de juistheid van de beslissing van de rechtbank om hun vorderingen af te wijzen en hen in de proceskosten te veroordelen. [appellanten] stellen dat zij met deze grief het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof beogen voor te leggen.
wanneer de partij die belang had bij de niet-vervulling de vervulling heeft belet’ en dan nog alleen
‘indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen’. In aanmerking genomen het feit dat [geïntimeerden] vanwege een onvoldoende financieel perspectief van de bouw van de installatie hebben afgezien, is naar het oordeel van het hof niet (voldoende) gebleken dat [geïntimeerden] van de bouw van de installatie hebben afgezien vanwege een belang van [geïntimeerde sub 2] om de inwerkingtreding van de MAO’s tussen haar en [appellanten] te voorkomen. De samenhang tussen de door [geïntimeerden] jegens de vereniging overeengekomen bouw van de installatie en de met het oog daarop tussen [appellanten] en [geïntimeerde sub 2] gesloten (toekomstige) MAO’s, leidt daarom ook vanuit dat oogpunt niet tot een ander oordeel.
4.De uitspraak
E.H. Pijnacker Hordijk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 januari 2018.