Conclusie
ex tuncbeoordeeld of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van de werknemer mocht ontbinden op de d-grond (disfunctioneren). In cassatie klaagt de werknemer dat het hof daarbij heeft miskend dat in hoger beroep, indien dat in eerste aanleg is nagelaten, alsnog een beroep kan worden gedaan op het opzegverbod tijdens ziekte en op de omstandigheid dat zijn ongeschiktheid het gevolg is van ziekte of gebreken in de zin van art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder d, BW. Verder klaagt de werknemer dat het hof ten onrechte niet inhoudelijk heeft beslist op zijn verweer dat zijn ongeschiktheid het gevolg is van ziekte, althans dat het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd.
1.Feiten
gehad, waarbij gesproken is over dat als je dit niet op de rit krijgt, je wellicht niet geschikt bent voor de functie in verband met medische beperkingen.
Uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts komt naar voren, dat er op basis van medische gronden geen reden is een uitzondering voor [Werknemer] te maken." Achmea stelt voor dat Werknemer gedurende twee maanden een betaalde extra pauze krijgt van een kwartier in de ochtend en dat die proef wordt geëvalueerd, welk voorstel Werknemer opgelucht aanvaardt, aldus dit verslag.
[betrokkene 4][ [betrokkene 4] - hof]
, ik en collega's willen je graag helpen. Je moet dan wel aangeven wat je nodig hebt. Je medische klachten kunnen we niet verhelpen. We willen je graag helpen je doelen in je werk te halen. Ook daarvoor is belangrijk dat je zegt wat je nodig hebt en om hulp vraagt (...) Je vindt het nog steeds lastig om aan te geven wat je nodig hebt en om de doelen in het Plan van Aanpak te halen. Al pratende komen we op de volgende zaken: (...)
Dit is helaas je tweede 4 beoordeling op rij. Zoals aangegeven start er dan een arbeidsrechtelijke procedure.(…)
In 2016 zijn A-conversie, B-conversie en NPS/AHT nog niet op norm
Cijfers:(…) deze besproken en zitten in je mail. Op conversie onder norm. NPS goed en boven norm. In je plan van aanpak gaat het om beide KPI's."
Op dit moment kan ik niets betekenen voor meneer [Werknemer]. Ik zie geen aanknopingspunten voor begeleiding in het kader van de Wet Poortwachter. Interventies vanuit Present zijn momenteel overbodig. Ik adviseer u om meneer [Werknemer] de mogelijkheid te bieden om in juli opnieuw met de bedrijfsarts te gaan praten, als het nodig is."
Werknemer z.s.m. start met een sollicitatietraining (actie [betrokkene 7] / [betrokkene 11] )[ [betrokkene 7] en [betrokkene 11] - hof]
Werknemer een logboek per week bijhoudt om zo goed de gesprekken t.a.v. de voortgang te
Werknemer begint vanmiddag weer met vacatures bekijken (hij heeft vanwege vakantie al een paar weken zijn mail niet gezien)
[betrokkene 7] onderzoekt optie Functioneel Beheer
[betrokkene 7] plant wekelijkse afspraken in voor Werknemer, hem en [betrokkene 11] ."
Onderstaande terugkoppeling heb ik van (…) [betrokkene 12] gekregen naar aanleiding van je persoonlijk gesprek met hem:
De volgende vraag werd mij gesteld door de werkgever: kan betrokkene - gelet op de klachten die hij ervaart - al dan niet in staat worden geacht herplaatsingsactiviteiten te verrichten?
Daarnaast de openstaande/komende vacatures doorgenomen. (…) Uitkomst is dat zeker de eerste twee vacatures niet aansluiten bij de ‘bagage’ van Werknemer. De opleidingen zijn te beperkt als mede ook gevraagde competenties gericht op verbinden, regie rol kunnen pakken, analytisch en zelf organiserend. (…) Betreffende het reguliere debiteuren beheer zijn we dieper op ingegaan. Aangegeven dat ik [Werknemer] dit niet zie doen. Tevens heb ik twijfel of qua verantwoordelijkheid en zelfstandigheid in het werk Werknemer de belastbaarheid aan kan. Als feedback heb ik hem terug geven dat ik vond dat hij slecht voorbereid was, geen verdieping had aangebracht in zijn vraagstukken en nauwelijks verdiepende vragen had richting mijn kant. Zijn reactie was dat hij zich voorgenomen had open in het gesprek te gaan zitten. Hierop aangegeven dat ik dit haaks vind staan op de zoektocht van hem richting een vervolgstap. In het gesprek kwam duidelijk naar voren dat zijn enthousiasme meer uitgaat naar een IT gerelateerde functie en iets met fotografie. Hierop hem gewezen dat Achmea met zijn opleidingsachtergrond hierin niets te bieden heeft en op het laatste punt hem gewezen zelf hiernaar op zoek te gaan binnen en of buiten Achmea (eigen kansen creëren)."
2.Procesverloop
primairherstel van zijn arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom, met
subsidiairhet toekennen van een billijke vergoeding van € 120.000,- bruto, althans een
3.Het cassatiemiddel
eerste onderdeelheeft het hof miskend dat ook als wordt uitgegaan van een
ex tunctoetsing van de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter, in hoger beroep alsnog een beroep kan worden gedaan op de omstandigheid dat de werknemer ten tijde van het ontbindingsverzoek ongeschikt was ‘als gevolg van ziekte of gebreken’ in de zin van art. 7:669 lid 3 sub d BW Pro.
tweede onderdeelhoudt in dat als rov. 5.2 en 5.3 zo moeten worden begrepen dat het hof met de overweging aan het slot van rov. 5.2 (“
Overigens blijkt […] vermelde definitie”) bedoeld heeft het beroep van Werknemer inhoudelijk te weerleggen, het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
5.2 Grief II valt in twee onderdelen uiteen. Het eerste deel stelt aan de orde dat de kantonrechter in strijd met artikel 7:671b lid 7 BW de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden terwijl er een opzegverbod tijdens ziekte gold. In de toelichting op deze grief wijst [Werknemer] op zijn beroep op dit opzegverbod in de brief van 25 oktober 2017 (zie 3.32) en zijn melding van 22 november 2017 (zie 3.33), allebei gedaan na de datum van de bestreden beschikking.
- vereisten voor ontbinding op de d-grond;
- het opzegverbod tijdens ziekte;
- ongeschiktheid “
- hoger beroep van beschikkingen in ontbindingszaken;
- Ex tunc of ex nunc toetsing door appelrechter?
4.Het juridisch kader
onder 7, dat het ontbindingsverzoek slechts kan worden toegewezen als er geen opzegverboden gelden. De bespreking van dit vereiste zal worden toegespitst op opzegverbod tijdens ziekte in art. 7:670 lid 1 BW Pro, waar het in deze zaak om gaat. Vervolgens komt aan de orde het
onder 2genoemde vereiste in art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder d, BW dat de ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid niet het gevolg mag zijn van ziekte of gebreken van de werknemer.
De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer
ten minste twee jaren heeft geduurd, dan wel zes weken voor de werknemer die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt, of
een aanvang heeft genomen nadat een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 671a door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of door de commissie, bedoeld in artikel 671a, lid 2, is ontvangen.
De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde”. Art. 19 lid 4 ZW Pro bepaalt dat onder ziekte mede moet worden verstaan
gebreken. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is voor ongeschiktheid in de zin van art. 19 ZW Pro vereist (1) dat de ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid het gevolg moet zijn van ziekte of gebrek, en (2) dat het verband tussen ziekte of gebrek en de ongeschiktheid rechtstreeks en medisch objectiveerbaar moet zijn. [12] Deze elementen zijn ook terug te vinden in de definitie van ‘ziekte’ in de arbeidsrechtelijke literatuur: “
een lichamelijke of psychische toestand – daaronder begrepen een gebrek – die de werknemer verhindert zijn arbeid te verrichten”. [13] Aangenomen wordt dat zowel de ziekte (of gebrek) als het verband met de ongeschiktheid medisch objectiveerbaar moet zijn. [14]
bedongenarbeid, is van belang dat de bedrijfsarts zicht heeft op de precieze inhoud van het werk van de werknemer. [18] Als de werknemer het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts, kan hij een ‘second opinion’ aanvragen. Sinds 1 juli 2017 heeft de werknemer op grond van art. 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit (jo. art. 14, eerste lid, onderdeel b, of c, onder 1° of 3°, van de Arbeidsomstandighedenwet) recht op raadpleging van een andere bedrijfsarts, indien hij twijfelt aan de juistheid van het door de bedrijfsarts gegeven advies.
Weliswaar is een ziekmelding niet allesbepalend…”). Het achterwege laten van een ziekmelding zal de bewijspositie van de werknemer met betrekking tot het ziekzijn bemoeilijken, zo spreekt wel bijna vanzelf. Bovendien leidt het ontbreken van een ziekmelding ertoe dat niet gewerkt kan worden aan de re-integratie van de zieke werknemer.
Melchers/De Haan. [19]
tijdenseen periode dat een bepaalde omstandigheid zich voordoet; de zogeheten ‘tijdens’-opzegverboden of ‘absolute opzegverboden’. Kenmerkend voor deze opzegverboden is dat de arbeidsovereenkomst niet mag worden opgezegd gedurende de periode dat een bepaalde omstandigheid zich voordoet, óók niet als daarvoor wel een geldige reden is. [29] Zo zal een zieke werknemer gedurende de periode dat het opzegverbod
tijdensziekte geldt (art. 7:670 lid 1 BW Pro), in beginsel niet kunnen worden ontslagen, ook niet als daarvoor een redelijke grond als bedoeld in art. 7:669 BW Pro aanwezig is, zoals disfunctioneren (de d-grond). [30] In het geval van een ‘wegens’-opzegverbod ligt dat anders. In dat geval mag de arbeidsovereenkomst enkel
wegensde specifiek in de wet genoemde omstandigheid of hoedanigheid niet worden opgezegd. Die omstandigheid of hoedanigheid kan dus geen geldige reden vormen voor opzegging, maar ondanks het bestaan daarvan kan de arbeidsovereenkomst wel om een geldige reden worden opgezegd. [31] Zo mag een werknemer niet worden ontslagen
wegensovergang van onderneming in de zin van art. 7:662 BW Pro, maar staat dit opzegverbod (art. 7:670 lid 8 BW Pro) er niet aan in de weg dat een werknemer na een overgang van onderneming wordt ontslagen op grond van disfunctioneren. De ‘tijdens’-opzegverboden zijn onder andere te vinden in art. 7:670 leden Pro 1 tot en met 4 en 10 BW en art. 104 van Pro de Pensioenwet. [32] Voorbeelden van ‘wegens’-opzegverboden zijn te vinden in art. 7:670 leden Pro 5 tot en met 9 BW en in art. 7:646 BW Pro. [33]
er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 670 of Pro met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden.” In art. 7:671b lid 6 BW worden hierop echter twee belangrijke uitzonderingen gemaakt:
Indien de werkgever de ontbinding verzoekt op grond van artikel 669, lid 3, onderdelen b tot en met h, en een opzegverbod als bedoeld in artikel 670, leden 1 tot en met 4 en 10, of een met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift geldt, kan de kantonrechter, in afwijking van lid 2, het verzoek om ontbinding inwilligen, indien:
het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben; of
er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.”
de kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 647, 648, 670 en 670a of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst”. [34] Dit werd ook wel de reflexwerking van de opzegverboden genoemd. [35] De kantonrechter zal ondanks het gelden van het opzegverbod tijdens ziekte, de arbeidsovereenkomst dus toch kunnen ontbinden indien het ontbindingsverzoek van de werkgever geen verband houdt met het feit dat de werknemer ziek is. De hiervoor onder (b) genoemde uitzondering kan zich voordoen als het ontbindingsverzoek wel verband houdt met het feit dat de werknemer ziek is, maar de gezondheidstoestand van de zieke werknemer alleen maar verslechtert door de arbeidsovereenkomst in stand te laten. Het is aan de rechter om daarin een afweging te maken, zo is te lezen in de memorie van toelichting. [36]
uitsluitendindien het ontbindingsverzoek van de werkgever is gebaseerd op art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en
onder b tot en met h, BW. Als de werkgever zijn ontbindingsverzoek baseert op art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en
onder a, BW (bedrijfseconomische omstandigheden) gelden de uitzonderingen in art. 7:671b lid 6 BW niet en is ontbinding van de arbeidsovereenkomst – in weerwil van een ‘tijdens’-opzegverbod – alleen mogelijk in de in art. 7:670a lid 2, aanhef en onder d (algehele bedrijfssluiting), en leden 3 en 4 BW bedoelde uitzonderingssituaties. [37] Daarnaast is ontbinding uiteraard mogelijk in de uitzonderingssituatie als bedoeld in art. 7:670a lid 1 BW (niet naleven re-integratieverplichtingen door werknemer), in welk geval het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt.
Datzelfde geldt als er sprake is van een opzegverbod. In de wet wordt aangegeven in welke gevallen, bij een redelijke grond voor ontslag, ondanks het bestaan van een opzegverbod de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch kan ontbinden. Dat is het geval als het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de omstandigheid waar het opzegverbod op ziet. Indien er bijvoorbeeld sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer die lid is van de ondernemingsraad, kan de arbeidsovereenkomst toch worden ontbonden, mits die verstoorde arbeidsverhouding geen verband houdt met het feit dat die werknemer ondernemingsraadlid is. Dat spreekt ook voor zich. Als het verzoek daar wel mee verband houdt en de rechter de arbeidsovereenkomst desondanks zou kunnen ontbinden, dan wordt het opzegverbod in feite een loze bepaling. Daar wordt één uitzondering op gemaakt, namelijk als de rechter meent dat het in het belang (van bijvoorbeeld de gezondheid) van de werknemer is om de arbeidsovereenkomst toch te ontbinden. Het is aan de rechter om daarin een juiste afweging te maken.
is geregeld dat voor de toewijzing van een ontbindingsverzoek nodig is dat aan de in artikel 7:669 BW Pro bedoelde voorwaarden voor opzegging is voldaan en dat er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 7:670 BW Pro gelden. Op die laatste eis wordt in het hierna te bespreken zesde lid een aantal uitzonderingen geformuleerd.”
wordt voorgesteld om te regelen dat, indien de werkgever de ontbinding verzoekt op grond van artikel 7:669, tweede lid, onderdelen b tot en met h, BW en een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670, eerste tot en met vierde en tiende lid, BW (de zogenaamde absolute opzegverboden), of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden, een ontbinding in afwijking van het tweede lid toch kan worden uitgesproken, en wel in een tweetal uitzonderingssituaties. De eerste uitzonderingssituatie, genoemd in onderdeel a, is dat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben. Dat is de zogenaamde «vergewisplicht» zoals opgenomen in het huidige artikel 7:685, eerste lid, BW. De tweede uitzonderingssituatie, genoemd in onderdeel b, is dat er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer dient te eindigen. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een zieke werknemer wiens gezondheidstoestand alleen maar verslechtert door het in stand laten van de arbeidsovereenkomst. In een dergelijk uitzonderlijk geval kan de rechter dus toch overgaan tot ontbinding.
wordt tot uitdrukking gebracht dat het opzegverbod bij ziekte – en dus ook de vergewisplicht – niet geldt indien de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het ontbindingsverzoek door (de griffie van) de kantonrechter is ontvangen.”
Artikel 5:1
Indien de werkgever als grond voor de opzegging van de arbeidsverhouding
Decor-beschikking besliste de Hoge Raad dat dit niet uitsluit dat de rechter bij zijn oordeelsvorming of sprake is van een van de ontslaggronden van art. 7:669 lid 3 BW Pro, acht slaat op de in deze oude regelgeving vervatte gezichtspunten. [42] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwz valt immers af te leiden dat de in art. 7:669 lid 3 BW Pro omschreven ontslaggronden zijn ontleend aan het Ontslagbesluit en het daarop gebaseerde Besluit ontslagtaak UWV 2012 en dat op dat punt geen wijzing is beoogd, zo overwoog de Hoge Raad. [43]
is vastgesteld dat deze ongeschiktheid niet voortvloeit uit ziekte of gebreken van de werknemer.”
.
Indien UWV tot het oordeel komt dat het disfunctionerenvoortvloeit uit ziekte of gebrekenvan de werknemer, dan is niet artikel 5:1 lid 1 van Pro het Ontslagbesluit van toepassing maar artikel 5:2. In de praktijk zal de ontslagaanvraag, die is ingediend op grond van disfunctioneren, moeten worden geweigerd als het disfunctioneren samenhangt met een ziekte of gebrek (zie artikel 5:1 lid 1 sub b Ontslagbesluit Pro). Werkgever en werknemer ontvangen beiden een afschrift van het integrale advies van de deskundige.AlsUWV voornemens is om toestemming voor ontslag te weigeren, wordt het deskundigenadvies aan werkgever en werknemer gezonden. Vanuit UWV wordt echtergeencontact gelegd met de werkgever om hem in de gelegenheid te stellen de ontslagaanvraag alsnog in te trekken. Werkgever kan overigens altijd op eigen initiatief de ontslagaanvraag alsnog intrekken.
Indien blijkt dat het disfunctionerennietvoortvloeit uit ziekte of gebreken(voor een werknemer met een arbeidshandicap in de zin van artikel 4:4 lid 2 van Pro het Ontslagbesluit blijkt dit uit het deskundigenadvies), dan kan de ontslagaanvraag overeenkomstig artikel 5:1 lid 1 van Pro het Ontslagbesluit worden behandeld. Een toestemming kan worden gegeven indien aan alle voorwaarden is voldaan.”
eveneensmoet worden aangesloten bij de Ziektewet en dat daaronder dus moet worden verstaan een lichamelijke of psychische toestand die de werknemer verhindert zijn werk (goed) uit te voeren, waarbij geldt dat het verband tussen de ziekte en ongeschiktheid medisch objectiveerbaar moet zijn (zie ook hiervoor onder 4.5-4.7). [48] Even en Poutsma noemen als voorbeeld een werknemer die een periode minder functioneert omdat hij een chemotherapie ondergaat ter bestrijding van kanker. [49]
als gevolg vanziekte of gebreken waardoor de werknemer, in meer of mindere mate, niet goed functioneert. Dit zijn onmiskenbaar situaties die vallen onder de werking van de uitzondering van art. 7:699 lid Pro 3, sub d, BW: disfunctioneren ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer.
ontbindingszaken.
ten onrechte is toegewezen, hij de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen. Indien de appelrechter een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst uitspreekt (of de arbeidsovereenkomst zelf herstelt) [54] is art. 7:682 lid 6 BW Pro van overeenkomstige toepassing, zo blijkt uit art. 7:683 lid 4 BW Pro. Dit betekent dat de appelrechter voorzieningen kan treffen voor de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst. [55] Art. 7:683 lid 5 BW Pro bevat een regel voor de aan lid 3 spiegelbeeldige situatie en houdt in dat indien de appelrechter oordeelt dat het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
ten onrechte is afgewezen, de rechter dan bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt.
naar de toestand ten tijde van zijn beslissing [56] Dit is een zogeheten toetsing
ex nunc. [57] De Hoge Raad verwoordde dit als volgt: [58]
het hoger beroep strekt (…) niet uitsluitend tot een beoordeling van de juistheid van de in eerste aanleg gegeven beslissing, maar, binnen de grenzen van de rechtsstrijd in appel, tot een nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, waarbij de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing (vgl. HR 6 april 1967, NJ 1967, 243 en HR 19 okt. 1979, NJ 1980, 125). Mede in aanmerking genomen dat het hoger beroep ook ertoe dient in eerste aanleg begane verzuimen te herstellen, zou hiermee niet stroken dat het aan partijen niet zou vrijstaan andere argumenten, feiten of gezichtspunten naar voren te brengen dan in eerste aanleg zijn aangevoerd.”
ex nunctoetsing in ontbindingszaken kan er echter toe leiden dat het hof, na een op zichzelf terecht uitgesproken ontbinding door de kantonrechter, op grond van latere feiten en omstandigheden in hoger beroep alsnog tot het oordeel komt dat de arbeidsovereenkomst in stand moet blijven. Zo zou een werknemer na een toegewezen ontbinding op de a-grond, in hoger beroep met succes kunnen aanvoeren dat de bedrijfseconomische noodzaak voor ontslag is verdwenen, vanwege een grote order die het bedrijf na de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter heeft binnengehaald. [59] De ontbinding zou dan alsnog moeten worden afgewezen. In de arbeidsrechtelijke literatuur wordt dit als onwenselijk beschouwd. Laagland en Lintsen schrijven dat dit in strijd is met de rechtszekerheid en dat de werkgever dan voortdurend in onzekerheid verkeert over het al dan niet bestaan van de arbeidsovereenkomst. [60] Ook Bij de Vaate, [61] Van Slooten [62] en Wetzels en Vestering [63] bepleiten een
ex tunctoetsing door de appelrechter, na een toegewezen ontbindingsverzoek.
ex tunctoetsing moet plaatsvinden. Een toetsing
ex nunczou het mogelijk maken dat de werkgever de redelijke grond – die de kantonrechter te licht heeft bevonden – in hoger beroep alsnog ‘voldragen’ kan maken. De werkgever zou daarmee volgens de auteurs ten onrechte een proceseconomisch voordeel toekomen. Zo’n voordeel is ook niet nodig, omdat de werkgever altijd een nieuw ontbindingsverzoek kan indienen. Een
ex nunctoetsing zou er bovendien toe leiden dat op verschillende momenten – eerst bij de kantonrechter en daarna bij het hof – een afwijkende herplaatsingstermijn geldt, met allerlei complicaties van dien. [64] Bij de Vaate is echter van mening dat voor deze situatie een toetsing
ex nunckan worden gehanteerd. [65]
ex tuncmoet worden getoetst. In cassatie is dit uitgangspunt niet ter discussie gesteld; beide partijen onderschrijven de
ex tunctoetsing. Nu bovendien in een andere, recent bij de Hoge Raad binnengekomen zaak deze kwestie wél aan de orde wordt gesteld, [67] zal ik in deze conclusie niet
in extensoingaan op deze discussie.
ex tunc-beoordeling ook impliceert dat in hoger beroep door de werknemer geen nieuwe verweren mogen worden gevoerd (namelijk: alsnog een beroep doen op het opzegverbod tijdens ziekte), dan wel dat de werknemer in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden mag aanvoeren, dan wel dat de werknemer in hoger beroep zich niet op nieuwe stukken mag beroepen.
ex nuncgaat om een beoordeling naar de toestand ten tijde van de beslissing in hoger beroep, houdt een beoordeling
ex tuncin dat het hof de feiten en omstandigheden die zich ná de uitspraak in eerste aanleg hebben voorgedaan buiten beschouwing dient te laten. Dit laat echter onverlet dat partijen in appel een beroep kunnen doen op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing in eerste aanleg, maar die zij, om welke reden dan ook, niet eerder in de procedure naar voren hebben gebracht. [68] Ook ontneemt een
ex tunctoetsing partijen niet de mogelijkheid om in hoger beroep (alsnog) bewijsmiddelen aan te dragen die betrekking hebben op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing in eerste aanleg. Een beoordeling
ex tuncontneemt aan partijen dus niet de herkansingsmogelijkheid van het hoger beroep.
ex tunc. Dat besluit op bezwaar berust overigens zelf in beginsel op een beoordeling
ex nunc, want het bestuursorgaan moet beslissen met inachtneming van de actuele feiten en omstandigheden. Ook bij een rechterlijke toetsing
ex tunckan echter een beroep worden gedaan op feiten en omstandigheden die bestonden op het peilmoment of in het tijdvak, maar toen niet zijn aangevoerd zijn gebracht. Dat betekent dat – als hoofdregel, er zijn afwijkende regels voor bepaalde soorten besluiten – ook bewijsstukken kunnen worden ingebracht die betrekking hebben op feiten en omstandigheden ten tijde van het peilmoment of het tijdvak. Dit geldt ook als de bewijsstukken ná het besluit op bezwaar zijn opgesteld.
5.Bespreking van de klachten
dat het de juistheid van de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding ex tunc beoordeelt”. Deels om die reden heeft het hof het standpunt van Werknemer verworpen “(…)
dat de uitkomst van het neuropsychologische onderzoek als second opinion kan gelden”, aldus het onderdeel.
ex tuncmag toetsen, dan nog betekent dat
nietdat hij geen rekening behoeft te houden met omstandigheden die eerst in hoger beroep zijn aangevoerd, maar die ook in eerste aanleg hadden kunnen worden aangevoerd. Toetsing
ex tunc, in die zin, sluit slechts uit dat een beroep wordt gedaan op ontwikkelingen van na de procedure in eerste aanleg, aldus het onderdeel.
- Het eerste deelstelt volgens het hof aan de orde dat de kantonrechter in strijd met art. 7:671b lid 7 BW de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden, terwijl er een opzegverbod tijdens ziekte gold (zie rov. 5.2, tweede volzin). Het hof heeft dit deel van de grief beoordeeld in rov. 5.2.
- Het tweede deelvan grief II en grief III heeft het hof opgevat als een betoog van Werknemer dat het door Achmea gestelde disfunctioneren wordt veroorzaakt door zijn ziekte of gebrek als bedoeld in art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder d, BW (zie rov. 5.3, eerste volzin). Het hof heeft dit betoog vervolgens beoordeeld in rov. 5.3.
uitsluitendis gericht tegen rov. 5.2, mist het deels feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 5.2 immers niet geoordeeld over de vraag of door Werknemer in hoger beroep alsnog een beroep kan worden gedaan op het feit dat hij ten tijde van het ontbindingsverzoek (ziek was en aldus) ongeschikt “
als gevolg van ziekte of gebreken” in de zin van art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder d, BW. In rov. 5.2 is slechts geoordeeld over de vraag of het opzegverbod tijdens ziekte (art. 7:670 lid 1 BW Pro) aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond.
Het Hof kent (in rov. 5.2) (voor [Werknemer] fatale betekenis toe aan het feit dat [Werknemer] zich in de procedure bij de kantonrechter niet heeft beroepen op “het opzegverbod” (…)” kan echter worden afgeleid dat onderdeel 1 ook klachten bevat tegen het oordeel in rov. 5.2, dat de kantonrechter op goede gronden heeft geoordeeld dat het
opzegverbod tijdens ziekteniet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. Als het onderdeel zo wordt begrepen, geldt het volgende.
ex tuncmoet worden getoetst, wordt in cassatie niet ter discussie gesteld. Daarmee moet ook
ex tuncworden beoordeeld of voor 17 juli 2017 (datum ontvangst ontbindingsverzoek) sprake was van een opzegverbod tijdens ziekte.
ex tunctoetsing doet echter niet af aan de herkansingsfunctie van het hoger beroep (zie onder 4.44). Dat betekent dat de Werknemer in hoger beroep zich alsnog kan beroepen op een opzegverbod tijdens ziekte, ook al heeft hij dat bij de kantonrechter achterwege gelaten. Dat de Werknemer de kantonrechter “
niet in staat heeft gesteld zich van mogelijke toepasselijkheid van dit opzegverbod te vergewissen” (rov. 5.2), is dan ook geen relevant gezichtspunt. Het hof diende zélf te beoordelen of voor 17 juli 2017 sprake was van een opzegverbod tijdens ziekte.
gelet op de ten tijde van zijn beslissing beschikbare informatie en stukken” rekening diende te houden met een voor 17 juli 2017 bestaand opzegverbod tijdens ziekte. Zoals gezegd (zie onder 4.44), betekent een
ex tunctoetsing niet dat de appelrechter alleen acht mag slaan op de destijds (ten tijde van de beslissing van de kantonrechter) beschikbare informatie en stukken. Gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep, kan een partij – ook bij een
ex tunctoetsing – in hoger beroep alsnog een beroep doen op (medische) stukken, die betrekking hebben op de situatie ten tijde of voorafgaand aan de ontbindingsbeschikking. Dat geldt ook als de (medische) stukken op een later moment zijn opgesteld. Het hof diende derhalve ook acht te slaan op de brief van 25 oktober 2017, de ziekmelding van 22 november 2017 en het rapport van het neuropsychologisch onderzoek uit 2017. [70] In zoverre slaagt de klacht uit onderdeel 1.
Het hof is van oordeel dat als een werknemer in hoger beroep alsnog een deskundigenoordeel in het geding brengt, dat betrekking heeft op de vraag of het opzegverbod tijdens ziekte van kracht was ten tijde van de procedure in eerste aanleg, in de regel rekening moet worden gehouden met een dergelijk deskundigenoordeel. Dat is immers een verklaring die betrekking heeft op de situatie zoals die aan de orde was ten tijde van de procedure in eerste aanleg. Dat is naar het oordeel van het hof het toetsingsmoment voor de vraag of het opzegverbod tijdens ziekte van kracht is bij de beoordeling van een ontbindingsverzoek op de g-grond (en in het verlengde daarvan de vraag of het verzoek verband houdt met ziekte). Het hof toetst deze vraag dus ex tunc, maar houdt daarbij in de regel wel rekening met nieuwe stukken die in hoger beroep in het geding worden gebracht, voor zover deze betrekking hebben op de situatie ten tijde van de procedure in eerste aanleg, zoals het onderhavige deskundigenoordeel. In eerste aanleg heeft [verzoekster] ook al een beroep gedaan op het opzegverbod tijdens ziekte. Het deskundigenoordeel dat zij in hoger beroep in het geding heeft gebracht, vormt een nadere onderbouwing van hetgeen zij in eerste aanleg als verweer heeft aangevoerd maar onvoldoende heeft onderbouwd. Indien een dergelijk deskundigenoordeel buiten beschouwing zou moeten worden gelaten omdat dit pas op een datum gelegen na de mondelinge behandeling in eerste aanleg is aangevraagd, wordt geen recht gedaan aan het karakter van het hoger beroep, dat immers onder meer een herstelfunctie heeft van wat in eerste aanleg niet goed is verlopen.”
in de zin van de hiervoor vermelde definitie”. Het hof doelt daarmee kennelijk op zijn eerdere overweging, dat onder ‘ziekte’ moet worden verstaan: “
het op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, niet kunnen of mogen verrichten van de bedongen arbeid.” (zie rov. 5.2, vierde volzin). In dit oordeel ligt besloten dat er voor 17 juli 2017 dus ook geen opzegverbod tijdens ziekte gold (art. 7:670 lid 1 BW Pro). Aan een oordeel over de vraag of het ontbindingsverzoek van Achmea verband houdt met ziekte als bedoeld in art. 7:671b lid 6, onder a, BW is het hof daarom niet meer toegekomen.
second opinionheeft aangevraagd. Het hof vervolgt dan met de overweging dat het op de weg van de Werknemer lag om gemotiveerd te stellen dat wel sprake was van ziekte of gebrek en causaal verband met het disfunctioneren. Volgens het hof zal in de regel immers de werknemer zelf, eerder dan de werkgever, beschikken over informatie waaruit blijkt dat daarvan sprake is, omdat dit in zijn privédomein ligt en hij dit desgewenst moet ontsluiten. Deze vooropstelling over de stelplicht en bewijslast wordt in cassatie door Werknemer niet bestreden en is ook juist.
- De Werknemer niet is opgekomen tegen zijn hersteldverklaring in 2011 en dat hij tot 2014 goed heeft gefunctioneerd;
- in 2013/2104 de mogelijkheid van herkeuring met de Werknemer is besproken (zie rov. 3.5) en begin 2015 de inschakeling van een arbeidsdeskundige als mogelijkheid is aangeduid (zie rov. 3.7), maar dat traject niet is ingeslagen;
- de Werknemer ter zitting bij het hof heeft gezegd dat hij niet het ziektetraject in wilde en dat de bedrijfsarts daar kennelijk ook geen reden voor heeft gezien;
- de Werknemer zich na kritiek op zijn functioneren over het jaar 2014 heeft neergelegd bij oordelen van verschillende bedrijfsartsen dat hij niet arbeidsongeschikt was door ziekte;
- de Werknemer in ieder geval vanaf medio 2016 werd bijgestaan door een jurist, die van het oordeel van de bedrijfsartsen in 2016 op de hoogte was, maar er kennelijk aan de kant van de Werknemer geen reden is gezien voor het aanvragen van een
- de Werknemer ook niet heeft aangegeven waarom Achmea het oordeel van de bedrijfsarts dan wel in twijfel had moeten trekken;
- hier nog bij komt dat Achmea zowel tijdens de mondelinge behandeling van het eerste ontbindingsverzoek als onder punt 19 van haar verweerschrift in hoger beroep heeft opgemerkt dat bedrijfsartsen vergeefs aan de Werknemer hebben gevraagd een machtiging te geven voor het opvragen van zijn medische dossier bij de behandelend neuroloog, als hij meer beperkingen zou ervaren dan de bedrijfsarts kon duiden, waar de Werknemer nimmer op is ingegaan.
- De Werknemer tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft verklaard dat hij zich een dergelijk verzoek van bedrijfsarts [betrokkene 9] kon herinneren, maar niet kon uitleggen waarom hij daar niet op was ingegaan.
welsprake was van disfunctioneren als gevolg van ziekte of gebrek, lijkt hiermee op het eerste gezicht toereikend gemotiveerd. Het probleem zit echter in de overweging aan het slot van rov. 5.3, dat “
het hof herhaalt dat het de juistheid van de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding ex tunc beoordeelt” en dat “
reeds om die reden […] het hof het standpunt van mr. Van Voorthuizen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof [verwerpt], inhoudend dat de uitkomst van het neuropsychologische onderzoek (zie onder rov. 3.32) als second opinion kan gelden.”
enkelefeit dat dit dateert van ná de ontbindingsbeschikking en de kantonrechter dit rapport daarom niet in zijn beoordeling heeft kunnen betrekken. Ook kon het hof niet reeds daarom oordelen dat de uitkomst van het neuropsychologische onderzoek niet als
second opinionkan gelden.
Overigens blijkt uit het rapport van het neuropsychologisch onderzoek, dat diende ter onderbouwing van de ziekte die aanleiding was voor het beroep op het opzegverbod in de brief van 25 oktober 2017, ook niet dat [Werknemer] al voor 17 juli 2017 ziek was in de zin van de hiervoor vermelde definitie.”
voor zoverdit oordeel zou moeten worden beschouwd als een weerlegging van het betoog van de Werknemer dat hij als gevolg van ziekte of gebreken als bedoeld in art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder d, BW ongeschikt zou zijn voor het verrichten van de bedongen arbeid, dit rechtens onjuist is. In dat geval heeft het hof namelijk miskend dat van ongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebreken in de zin van die bepaling, niet
slechtssprake is als de werknemer ten tijde van zijn ontbindingsverzoek ziek is in de zin van art. 7:628 BW Pro (bedoeld is kennelijk art. 7:629 BW Pro – A-G), maar dat ook bij ziekte of gebreken die niet leiden tot ongeschiktheid voor de bedongen arbeid, de bedoelde uitzondering in art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder d, BW toepassing kan vinden.
opzegverbodtijdens ziekte in art. 7:670 lid 1 BW Pro aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. In rov. 5.3 bespreekt het hof het beroep op
ongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrekenin art. 7:669 lid Pro 3, aanhef en onder d, BW. Uit de beschikking blijkt niet duidelijk dat het hof bij het terzijde leggen van het neuropsychologisch rapport, ook voor ogen heeft gestaan dat dit rapport de Werknemer inhoudelijk niet kan baten ter ondersteuning van zijn stelling dat sprake is van ongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebreken, omdat daaruit niet blijkt “
dat [Werknemer] al voor 17 juli 2017 ziek was in de zin van de hiervoor vermelde definitie”.
In huidig testonderzoek komt het volgende naar voren. Inprenting van verbale informatie is op niveau, de hieraan gerelateerde retentie is enigszins verlaagd. Scores voor visuele retentie zijn gelijk gebleven en thans ruim benedengemiddeld. Kortom er zijn thans geen aanwijzingen voor een geheugenstoornis. Het basale tempo van informatieverwerken is toegenomen en thans erg vlot, maar op het gebied van complexe informatieverwerking worden verlaagde scores t.o.v. de scores in 2011 gevonden. Hierbij is er thans sprake van een evidente vertraging in de prestatie in complexe taken waarbij pt. de aandacht moet richten dan wel verdelen, of cognitieve bewerkingen moet uitvoeren. Woordvinding is onveranderd intact. Net als in 2011 vinden we dat planning, overzicht en taakregulatie (executieve functies) niet op niveau zijn, er is overigens geen sprake van mentale inflexibiliteit. Er zijn geen aanwijzingen voor angst- of stemmingsproblematiek. Wel is er sprake van zowel fysieke als mentale vermoeidheid, waarvan de gevolgen en de impact op pt. hoog zijn en hij moeite heeft hiermee om te gaan. Hierbij is de copingstijl van pt. overwegend inefficiënt.
] en kan de door pt. ervaren vermoeidheid verklaren.”