ECLI:NL:PHR:2019:606
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling tussen vader en minderjarige na scheiding
Partijen zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2014. De moeder oefent het gezag uit en de hoofdverblijfplaats van het kind is bij haar. De moeder verzocht een wekelijkse omgangsregeling, de vader een ruimere omgang. De rechtbank stelde een tweewekelijkse omgangsregeling vast, welke het hof gedeeltelijk vernietigde en wijzigde in een regeling waarbij de vader het kind om de twee weken van donderdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur bij zich heeft.
De vader stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank niet buiten het petitum was getreden door een tweewekelijkse omgangsregeling vast te stellen en tegen het oordeel dat de omgangsregeling moest worden vastgesteld conform de feitelijke uitvoering door partijen. De Hoge Raad oordeelt dat de moeder haar verzoek mondeling tijdens de zitting heeft gewijzigd en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep bedoeld is om omissies in eerste aanleg te herstellen.
Verder is het oordeel van het hof dat partijen overeenstemming bereikten over de omgangsregeling niet onbegrijpelijk. Het hof hoefde niet nader te motiveren waarom het niet op het gewijzigde verzoek van de vader inging. Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de omgangsregeling om de twee weken van donderdag tot zondag blijft van kracht.