Conclusie
1.Feiten
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te miskennen dat een vrijwaringszaak niet kan worden afgedaan voordat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan, als de uitkomst in de vrijwaringszaak afhangt of redelijkerwijs kan afhangen van de beslissing in de hoofdzaak.
Subonderdeel 1.2bevat een motiveringsklacht, die inhoudt dat het hof door uitspraak te doen in de vrijwaringsprocedure Achmea de kans heeft ontnomen ten aanzien van (de omvang van) haar contractuele uitkeringsplicht verweren te voeren die haar verhouding tot Verzekerde betreffen.
Subonderdelen 1.3en
1.4klagen verder dat het hof een onjuiste toepassing zou hebben gegeven aan art. 355 Rv Pro door de zaak zelf af te doen.
X./Grindacc B.V. e.a. [10] Daarin was aan de orde onder welke omstandigheden de rechter uitspraak kan doen in een vrijwaringsprocedure, terwijl de hoofdzaak nog niet is afgedaan. De Hoge Raad overwoog dat het in het algemeen de voorkeur verdient de hoofdprocedure en de vrijwaringsprocedure gelijktijdig af te doen, en, indien dat niet mogelijk is, de hoofdprocedure eerst af te doen. In voorkomend geval kan de rechter, evenwel, indien daartoe aanleiding bestaat, ervoor kiezen de vrijwaringsprocedure te beslissen alvorens in de hoofdzaak einduitspraak te doen, zo overwoog de Hoge Raad. [11]
X./Grindacc B.V. e.a.dat de vrijwaringszaak in ieder geval nog niet kan worden afgedaan, als de uitkomst daarvan afhangt of redelijkerwijs kan afhangen van de beslissing of het debat in de hoofdzaak. Daarbij verwees de Hoge Raad naar een arrest uit 2016, waarin deze situatie zich voordeed. [12] In die zaak had het hof in de vrijwaringsprocedure de vordering van de eiser tot een bedrag van € 7.410,- toegewezen en ‘het meer of anders gevorderde’, waaronder een vordering om de gedaagde te veroordelen tot betaling van al hetgeen waartoe de eiser in de hoofdprocedure zou worden veroordeeld, afgewezen. De Hoge Raad achtte dit oordeel onbegrijpelijk, omdat het hof met deze beslissing had voortgebouwd op de beslissing in de hoofdzaak waarbij de eiser tot betaling van € 7410,- was veroordeeld, terwijl hiertegen hoger beroep was ingesteld. Door in de vrijwaringszaak dit bedrag toe te wijzen miskende het hof dat een andere beslissing over de (omvang van de) schadevergoedingsplicht in de hoofdzaak nog mogelijk was. Het hof had in zijn beslissing in de vrijwaringszaak rekening moeten houden met de mogelijkheid van een andere beslissing in de hoofdzaak. [13]
X./Grindacc B.V. e.a.was de casus als volgt. In de hoofdzaak stelden enkele werknemers hun werkgever aansprakelijk voor schade die zij hadden geleden door de overstap naar een nieuwe pensioenregeling. De werkgever riep vervolgens haar tussenpersoon/ pensioenadviseur in vrijwaring op. Terwijl de hoofdzaak nog niet was afgedaan, veroordeelde het hof de tussenpersoon tot betaling van het bedrag waartoe de werkgever in de hoofdprocedure zou worden veroordeeld. De Hoge Raad casseerde, omdat het debat over de (omvang van de) schadevergoeding in de hoofdprocedure nog niet ten volle was gevoerd, en verwijzing naar de schadestaatprocedure was gevorderd. Door de vordering in de vrijwaringszaak desondanks direct toe te wijzen, had het hof de tussenpersoon de mogelijkheid ontnomen ten aanzien van de (omvang van de) schade die zij aan de werkgever moest vergoeden, verweren te voeren die specifiek haar verhouding tot de werkgever betroffen. Zo was denkbaar dat de adviseur in de vrijwaringsprocedure een beroep zou willen doen op de schadebeperkingsplicht, wanneer de werkgever zou nalaten in de hoofdprocedure een causaliteitsverweer te voeren. [15] Dergelijke verweren kon de adviseur niet (door zich te voegen) in de schadestaatprocedure aan de rechter voorleggen, omdat het daarin slechts kon gaan over de verhouding tussen de werknemers en werkgever.
X./Grindacc B.V. e.a.van 7 november 2017 niet heeft miskend. Daarmee faalt
subonderdeel 1.1.
to the point, omdat het hof heeft geoordeeld (rov. 2.8) dat Achmea geen grieven heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat deze schade gedekt is. Deze kwestie ís derhalve in de vrijwaringsprocedure aan de orde geweest.
incentivemeer zou hebben om haar positie in de hoofdzaak te verdedigen (s.t. p. 24), geldt dat dit een andere kwestie is dan ‘het alsnog willen voeren van bepaalde verzekeringsrechtelijke verweren’. Als Achmea het debat in de hoofdzaak wil beïnvloeden, had zij zich kunnen voegen in de hoofdzaak. Achmea heeft echter uitdrukkelijk te kennen gegeven zich níet in de hoofdzaak te willen voegen en de risico’s daarvan te aanvaarden (zie ook rov. 2.2 eindarrest). [21]
enigereden dat de rechtbank geen eindvonnis heeft gewezen, is – zo blijkt uit rov. 4.26 van het vonnis van 25 juni 2014 – ter voorkoming van executieproblemen, namelijk als in de hoofdzaak Verzekerde wordt veroordeeld bepaalde schade te vergoeden, en vervolgens onduidelijk is of dat een schade is die is toe te schrijven aan de tekortkoming waarvoor Achmea naar oordeel van de rechtbank dekking dient te verlenen. Het is dus níet zo dat in de vrijwaringsprocedure in eerste aanleg nog bepaalde geschilpunten openlagen. De rechtbank heeft ook geen geschilpunten aangehouden ter nadere beslissing of beoordeling.
[…] /Allianz. [30] Daarin was de vraag aan de orde of de invoering per 1 januari 2006 van art. 7:942 (oud) BW meebracht dat verzekeraars alle bij hen ingediende aanvragen, waarin al verjaringstermijnen waren aangevangen, alsnog op de vanaf dat moment geldende wijze (dus per aangetekende brief) moesten afwijzen. Deze oude regeling luidde als volgt:
[…] /Allianzdat inderdaad alle reeds lopende aanspraken opnieuw moesten worden afgewezen op de in 7:942 lid 2 (oud) BW voorgeschreven wijze, en dat anders geen verjaringstermijn was aangevangen. Art. 68a Ow NBW bracht namelijk mee dat deze nieuwe regeling onmiddellijke werking had, wat wilde zeggen dat vanaf het tijdstip van haar inwerkingtreding de aard, het aanvangstijdstip en de duur van de verjaringstermijn door die nieuwe regeling werden bepaald (zie ook hierna nrs. 3.23 e.v.). [31] Overigens bereikte deze zaak in 2018 opnieuw de Hoge Raad; in dat arrest werd het betoog van de verzekeraar gehonoreerd dat deze (voor verzekeraars ingrijpende en kostbare) toepassing van art. 7:942 (oud) BW op grond van art. 75 Ow Pro NBW in het aan de orde zijnde geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. [32]
Indien een verzekeraar vóór de inwerkingtreding niet bij aangetekende brief, maar bij gewone brief de aanspraak heeft afgewezen, begint er ingevolge het huidige artikel 7:942 lid 2 BW Pro geen nieuwe verjaringstermijn te lopen. Op grond van de nieuwe wet is er in deze situatie wel een verjaringstermijn (van drie jaren) aangevangen. Dit volgt uit artikel 68a lid 1 Ow, waarbij het er niet toe doet dat onder het oude recht geen termijn was aangevangen. Zie Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 52. Wel blijft ingevolge artikel 73 lid 1 jo Pro 68a lid 2 Ow het oude recht nog een jaar van toepassing, met als gevolg dat (zoals in artikel 73 lid 2 Ow Pro verduidelijkt wordt), die termijn niet door de enkele inwerkingtreding voltooit.”
subonderdeel 2.1slaagt: het hof heeft de toepasselijkheid van art. 7:942 (nieuw) BW miskend.
Dat aldus bij aansprakelijkheidsverzekeringen aan onderhandelingen
subonderdelen 3.1-3.3is gericht tegen het oordeel van het hof dat Achmea volgens de rechtbank voor de uitkragende staalconstructie dekking moet verlenen, omdat het gaat om zaakbeschadiging. Het hof overweegt dat partijen hiertegen geen bezwaren hebben aangevoerd, zodat deze oordelen niet meer in hoger beroep getoetst kunnen worden. Voor zover het hof nog bezwaren hiertegen moet lezen in de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep in de hoofdstukken I tot en met IV oordeelt het hof dat deze bezwaren direct al in de memorie van grieven hadden moeten worden opgenomen gelet op de zogenoemde “twee-conclusie-regel” (ook bekend als de “in beginsel strakke regel”). De algemene “paraplugrief” 4 van Achmea leest het hof niet als een gemotiveerde betwisting van het oordeel van de rechtbank.
4.17. De tegenwerping van Achmea dat geen sprake is van zaaksbeschadiging gaat verder niet op voor de uitkragende staalconstructie c.q. overstek (gebrek sub iii), waar immers sprake was van verbogen bouten, hetgeen evengoed kwalificeert als de in de polis omschreven ‘Fysieke aantasting die zich manifesteert in een blijvende verandering van vorm of structuur’. (…)”
voor zoverdeze schade bestaat uit verbogen bouten. Over andere, met de uitkragende staalconstructie verband houdende, schade zou de rechtbank zich niet hebben uitgelaten; het antwoord op de vraag of deze andere schade op grond van de vervangingskostenclausule van dekking is uitgesloten zou in het midden zijn gelaten. Deze lezing is echter weinig aannemelijk. De rechtbank overweegt dat ‘de uitkragende staalconstructie’ kwalificeert als zaaksbeschadiging
omdatsprake is van verbogen bouten; uit het oordeel is niet af te leiden dat de rechtbank de verbogen bouten als zelfstandige schadepost beschouwt.
Vervangingskostenclausule