Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop in de hoofdzaak en in de vrijwaring
in de hoofdzaakhet tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2013 vernietigd en elk van de geïntimeerden tot vergoeding aan [betrokkene 2] c.s. veroordeeld van het met haar aandeel in de maatschap [verweerster] corresponderende gedeelte van de schade die [betrokkene 2] c.s. heeft geleden als gevolg van de schending van het goed werkgeverschap door [verweerster] als bedoeld in rov. 15, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met compensatie van kosten en afwijzing van het meer of anders gevorderde. Bij hetzelfde arrest heeft het hof
in de vrijwaringszaakhet tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2013 vernietigd en [eiseres] veroordeeld tot betaling aan elk van appellanten van het bedrag waartoe elk van hen in de hoofdzaak zal worden veroordeeld, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding in vrijwaring in beide instanties en afwijzing van het meer of anders gevorderde.
in de vrijwaringszaak.[verweerster] heeft met betrekking tot onderdeel 1 van het cassatiemiddel geconcludeerd tot referte en met betrekking tot de overige onderdelen tot verwerping, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie. Partijen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten. [eiseres] hebben afgezien van repliek; [verweerster] heeft nog gedupliceerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
zonder waarde inbrengleidde tot een aanzienlijk lager pensioen dan die mét waarde inbreng, maar deze vergelijking was onzuiver doordat bij de variant zonder waarde inbreng niet werd meegenomen het alsdan behouden, tot dan toe opgebouwde, gegarandeerde pensioen onder de Eindloonregeling. Ik lees deze overweging zo dat de variant zonder waarde inbreng hierdoor ten onrechte als nóg minder gunstig werd voorgesteld vergeleken met de variant mét waarde inbreng.
te hebben begrepen en geweten’dat zij met de waardeoverdracht hun volledige pensioen op het spel zetten, niet alleen hun toekomstige pensioenopbouw. Het hof overweegt dat ondanks die wetenschap en dat begrip, op [verweerster] de plicht rustte om [betrokkene 2] c.s. te beschermen tegen ‘
eventuele lichtvaardigheid en ondoordachtheid’ door hen erop te wijzen dat met de waardeoverdracht ten aanzien van hun pensioen elke spreiding / beperking van risico werd verlaten.
te hebben begrepen en geweten’ aldus worden begrepen: ook al was in algemene zin sprake van wetenschap bij [betrokkene 2] c.s. van de risico’s van de nieuwe pensioenregeling, deze wetenschap ontsloeg [verweerster] niet van de waarschuwingsplicht jegens [betrokkene 2] c.s. Die waarschuwingsplicht strekte ertoe om na te gaan of [betrokkene 2] c.s. zich
daadwerkelijk realiseerdendat door de waarde inbreng deze risico’s zouden gelden voor hun
gehelepensioen. Het doel van de waarschuwingsplicht is immers de werknemer te beschermen tegen de eigen onvoorzichtigheid bij het maken van een eigen keuze. Dit doel wordt alleen bereikt wanneer kan worden aangenomen dat de werknemer zich
daadwerkelijk bewustis van bepaalde risico’s. [5]
daadwerkelijk realiseerdendat door de waarde inbreng de genoemde risico’s, waaronder het risico van een negatief rendement, zouden gelden voor hun
gehelepensioen. Aan die waarschuwingsplicht kan niet afdoen dat [betrokkene 2] c.s. op zich zelf bekend moeten zijn geweest met de risico's van de nieuwe pensioenregeling, zoals het hof heeft vastgesteld in rov. 5-13 van het arrest. In dat kader heeft het hof het feit dat bij beleggen het rendement negatief kan zijn, bij [betrokkene 2] c.s. bekend verondersteld (rov. 6): “
Wat betreft het risico van tegenvallend rendement op de beleggingen, is het hof van oordeel dat [betrokkene 2] c.s. tevens op de hoogte moet zijn geweest van dat risico – dat ook anno 1996 van algemene bekendheid was, maar zeker gezien de opleiding en functie van [betrokkene 2] c.s. bij hem bekend moet zijn geweest – en dat hij zich moet hebben gerealiseerd dat hij bij een hoger rendement een hoger kapitaal c.q. pensioen zou behalen en bij een lager rendement een lager kapitaal c.q. pensioen (…).”
jegens [betrokkene 2] c.s.onder de aandacht willen brengen. Ik lees in de overweging niet dat het hof de bedoelde omstandigheid in de verhouding tussen [verweerster] en [betrokkene 1] als een relevante factor heeft beschouwd bij het bepalen van de reikwijdte van de zorgplicht en/of waarschuwingplicht van de tussenpersoon/pensioenadviseur.
daadwerkelijk realiseerdendat door de waarde inbreng de risico’s van de nieuwe pensioenregeling, waarmee zij bekend waren, zouden gelden voor hun
gehelepensioen. Dat oordeel blijft ook overeind zonder de onzuivere vergelijking mét en zonder waarde inbreng.
daadwerkelijk realiseerdendat door de waarde inbreng de risico’s van de nieuwe pensioenregeling, waarmee zij bekend waren, zouden gelden voor hun
gehelepensioen.
gehelepensioen van [betrokkene 2] c.s. op het spel werd gezet, was het des te belangrijker dat [betrokkene 2] c.s. een juist inzicht werd geboden van hun toekomstige pensioensituatie mét en zonder waarde inbreng. Nu de onzuivere voorbeeldberekening dit juiste inzicht níet gaf, versterkt die omstandigheid de ernst van het niet voldoen aan de waarschuwingsplicht door [betrokkene 1] (en [verweerster]). Deze redenering is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. Bovendien is de redenering, zoals gezegd, niet van wezenlijk belang voor het oordeel dat niet voldaan is aan de waarschuwingsplicht.
subonderdeel 3.1de klacht dat het hof door [eiseres] in de vrijwaringszaak te veroordelen tot betaling aan elk van de vennoten van [verweerster] van het bedrag waartoe elk van hen in de hoofdzaak zal worden veroordeeld, terwijl [verweerster] in de hoofdzaak naar de schadestaatprocedure is verwezen, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het onderdeel klaagt dat het hof door deze wijze van afdoening heeft gehandeld in strijd met de eisen van een goede procesorde en in het bijzonder met de eisen van hoor en wederhoor. [eiseres] zou door dit oordeel immers in haar verweermogelijkheden worden beperkt, omdat zij wordt blootgesteld aan de uitkomst van de hoofdzaak zonder dat zij invloed heeft op die uitkomst en de mate van doorwerking daarvan. Betoogd wordt dat de gedaagde in de vrijwaringsprocedure ([eiseres]) in een geval als het onderhavige in staat moet worden gesteld verweer te voeren tegen de vordering van gedaagde in de hoofdzaak tevens eiser in de vrijwaringsprocedure ([verweerster]) dat de gedaagde in de vrijwaringsprocedure wordt veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe gedaagde in de hoofdzaak tevens eiser in de vrijwaringsprocedure in de hoofdzaak wordt veroordeeld.
de hoofzaakafzonderlijk beslist. Uit de tekst van art. 215 Rv Pro is niet af te leiden of het mogelijk is in de vrijwaringszaak te beslissen
voordatin de hoofdzaak definitief is beslist.
NJ1998/350 (
Paulissen/Gemeente Tilburg) kan echter worden afgeleid dat óók deze mogelijkheid bestaat. [17] Het ging in die zaak om een vordering van de Staat om Paulissen te veroordelen tot vergoeding van de kosten van voorbereiding en uitvoering van de sanering van bodemverontreiniging die door een onrechtmatige daad van Paulissen was veroorzaakt. Paulissen heeft vervolgens de gemeente Tilburg en Brabocon in vrijwaring opgeroepen en gevorderd dat de gemeente en Brabocon hoofdelijk worden veroordeeld om aan Paulissen te betalen al datgene waartoe Paulissen als gedaagde in de hoofdzaak ten behoeve van de Staat mocht worden veroordeeld. De rechtbank heeft Paulissen in de hoofdzaak in beginsel aansprakelijk geacht en, uitgaande van dit oordeel, de Staat in de gelegenheid gesteld bewijsstukken ten aanzien van de door hem gemaakte saneringskosten te overleggen. In de vrijwaringsprocedure heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Tegen het vonnis van de rechtbank, voor zover in de hoofdzaak gewezen, hebben de Staat (principaal) en Paulissen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. In de vrijwaringszaak heeft Paulissen tegen voormeld vonnis eveneens hoger beroep ingesteld. Het hof heeft, zich voorlopig beperkend tot de hoofdzaak, bij tussenarrest op het incidenteel beroep de Staat toegelaten tot getuigenbewijs. Nadat vervolgens getuigen waren gehoord, heeft het hof bij een tweede tussenarrest Paulissen in beginsel aansprakelijk geoordeeld en, met het oog op de vaststelling van de omvang van de door haar verschuldigde schadevergoeding – meer specifiek de vraag of deze moet worden gematigd – de hoofdzaak aangehouden in afwachting van de beslissingen in de vrijwaringsprocedure. Het hof overwoog daartoe dat de het antwoord op de vraag of grond voor matiging bestaat, mede afhangt van de uitkomst van de vrijwaringsprocedure. Bij het in de vrijwaringsprocedure gewezen arrest heeft het hof, nog voordat in de hoofdzaak eindarrest was gewezen, de gemeente veroordeeld tot betaling van 75% van al hetgeen waartoe Paulissen ten behoeve van de Staat in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. In cassatie verwijt Paulissen het hof dat het in de vrijwaringsprocedure eindarrest heeft gewezen zonder tegelijkertijd of tevoren een nader arrest te wijzen in de hoofdzaak. De Hoge Raad overweegt dat hoewel gelijktijdige afdoening van de hoofdprocedure en de vrijwaringsprocedure de voorkeur verdient, geen rechtsregel het hof belette, overeenkomstig zijn reeds in een tussenarrest aangekondigde voornemen, de vrijwaringsprocedure te beslissen alvorens in de hoofdzaak over de matigingsvraag te oordelen, een volgorde waarvan moet worden gezegd dat Paulissen, zo zij zich daarmee al niet had verenigd, zich daartegen in elk geval niet heeft verzet. [18]
Paulissen/Gemeente Tilburgkan niet in algemene zin worden afgeleid dat afzonderlijke afdoening van de vrijwaringszaak
voordatde hoofdzaak definitief is beslist,
altijdtot de mogelijkheden behoort. [19] Het is aannemelijk dat de Hoge Raad niet een dergelijke algemene regel heeft willen geven, maar met inachtneming van de omstandigheden van het specifieke geval heeft beslist dat eerdere afdoening van de vrijwaringszaak in díe zaak mogelijk was. De relevante omstandigheid in die zaak zou dan zijn - dit blijkt niet expliciet uit het arrest - dat de beslissing in de vrijwaringszaak van belang was voor het in de hoofdzaak gedane beroep op matiging (vergelijk conclusie A-G Mok onder punt 3.5.5). [20] Ook Van Schaick stelt, onder verwijzing naar het arrest, dat
bijzondere ontwikkelingen in de hoofdprocedurekunnen maken dat de rechter de vrijwaringsprocedure beslist alvorens de hoofdzaak te beslissen. [21] Voorts schrijft Snijders, eveneens onder verwijzing naar het arrest
Paulissen/Gemeente Tilburg, dat geen rechtsregel belet om,
indien dat zo uitkomt of meer op zijn plaats is, eerst de vrijwaring te beslissen. [22] En ten slotte leidt Lewin uit het arrest af dat geen rechtsregel de rechter
zonder meerbelet de vrijwaringsprocedure eerder af te doen dan de hoofdzaak. Hij geeft daarbij als voorbeeld, net als Van Schaick, dat de rechter in de vrijwaringszaak tot het oordeel komt dat de vordering in vrijwaring níet toewijsbaar is (bijvoorbeeld wegens verjaring, een exoneratieclausule); in dat geval kan de vrijwaringszaak worden afgedaan, terwijl in de hoofdzaak wordt voortgeprocedeerd. [23] In die situatie spreekt het inderdaad wel vanzelf dat het geen probleem oplevert om de vrijwaringsprocedure eerder af te doen dan de hoofdzaak.
onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. In cassatie klaagt B. dat het hof hiermee ten onrechte zijn vordering heeft afgewezen om het notariskantoor te veroordelen tot al hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak zal worden veroordeeld. De Hoge Raad acht de klacht gegrond en overweegt dat de genoemde vordering afhankelijk is van de uitkomst van de hoofdzaak. [25] Nu de hoofdzaak nog niet was afgedaan, heeft het hof deze vordering niet zonder meer kunnen afwijzen voor zover deze het door hem toegewezen bedrag te boven ging. De door het hof in de vrijwaringszaak gegeven beslissing heeft immers betrekking op het verhaal dat eisers op het notariskantoor zoeken voor hetgeen in de hoofdzaak wordt toegewezen, en bouwt wat dit betreft voort op de beslissing die door de rechtbank in de hoofdzaak is gegeven. Nu laatstgenoemde beslissing in verband met het aanhangige hoger beroep nog niet onherroepelijk was, kon het hof niet een definitieve beslissing geven die geen rekening hield met de mogelijkheid van een andere beslissing in de hoofdzaak. [26]
op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De vraag of dit toelaatbaar is, is voor zover ik heb kunnen zien nog niet eerder aan de orde gesteld in rechtspraak of literatuur.
Paulissen/Gemeente Tilburg, waarin de Hoge Raad meewoog dat het hof in een tussenarrest reeds zijn voornemen had aangekondigd de vrijwaringsprocedure te beslissen alvorens in de hoofdzaak over de matigingsvraag te oordelen en dat Paulissen, zo zij zich daarmee al niet had verenigd, zich daartegen in elk geval niet heeft verzet (rov. 3.3). [29]
voor zover dat mogelijk is in het licht van het debat van partijen en met in achtneming van het contradictoire beginsel (hoor en wederhoor). [33] Is echter uitsluitend schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd én blijft het partijdebat vervolgens ook beperkt tot bijvoorbeeld de grondslag van de aansprakelijkheid, dan mag de rechter niet direct de schade begroten zonder partijen eerst in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. [34] Onmiddellijke begroting zou in een dergelijk geval neerkomen op een - verboden - verrassingsbeslissing. [35]
subonderdeel 3.2, dat het arrest in de vrijwaringszaak moet worden vernietigd indien het cassatieberoep in de hoofdzaak succes heeft, faalt nu dat niet het geval is.