Conclusie
1.Feiten
- i) Eiser is sinds 1988 bij diverse instanties bekend wegens verslaving aan harddrugs en mogelijke psychiatrische problemen. Voor behandeling daarvan is hij verwezen naar Bouman GGZ. Antes Zorg B.V. is een rechtsopvolgster van de stichting Bouman GGZ.
- ii) De psychiater van Bouman GGZ die eiser (ambulant) behandelde heeft op 9 mei 2007 aangifte gedaan van bedreiging door eiser.
- iii) Op 15 mei 2007 heeft de burgemeester van Rotterdam de inbewaringstelling van eiser gelast op grond van de Wet Bopz. Diezelfde dag is eiser opgenomen in een kliniek van Bouman GGZ.
- iv) Op 23 mei 2007 heeft de burgemeester van Rotterdam wederom een last tot inbewaringstelling afgegeven. Bij beschikking van 30 mei 2007 heeft de rechtbank Rotterdam machtiging verleend tot voortzetting van deze inbewaringstelling.
- v) Op 26 juni 2007 heeft de rechtbank Rotterdam een voorlopige machtiging verleend als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz met een geldigheidsduur van zes maanden.
- vi) In een overleg op 8 juni 2007 tussen Bouman GGZ, de GGD Rotterdam en de zogeheten Rotterdamse ‘‘Commissie van Wijze Mensen” is over eiser gesproken. In het verslag van dat overleg staat over eiser:
- x) Op 21 december 2007 is eiser overgeplaatst naar de TBS-kliniek van FPC Veldzicht te Balkbrug. Deze was aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van artikel 1, lid 1 onder h, Wet Bopz.
- xi) Op 29 januari 2008 heeft de rechtbank Zwolle ten aanzien van eiser een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verleend voor de duur van een jaar.
- xii) De advocaat van eiser heeft bij brief van 22 mei 2008 aan Bouman GGZ verzocht om ontslag van eiser uit het psychiatrisch ziekenhuis
- xiii) De rechtbank heeft op 15 juli 2008 het verzoek om ontslag afgewezen. GGZ Drenthe heeft plaatsing van eiser in haar kliniek te Beilen afgewezen. Ook een plaatsing in ‘de Zwolse Poort’ bleek niet mogelijk.
- xiv) Op 30 december 2008 heeft het openbaar ministerie een verzoek ingediend tot ontslag van eiser uit het psychiatrisch ziekenhuis. Dit verzoek is bij beschikking van 26 januari 2009 toegewezen.
2.Het procesverloop
met betrekking tot grondslag a: dat uit de processtukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat de redenen die Bouman GGZ heeft aangevoerd om over te gaan tot de overplaatsing naar FPC Veldzicht kwalificeren als een (uitzonderlijk) geval waarin deze overplaatsing gerechtvaardigd was. De rechtbank is van oordeel dat van onrechtmatig handelen van Bouman GGZ jegens eiser geen sprake is geweest. [6]
met betrekking tot grondslag b: dat zich zeer bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die een uitzondering op het systeem van de wet toestaan en een plaatsing van eiser een niet als psychiatrisch ziekenhuis aangemerkte instelling zoals ‘Grittenveld’ rechtvaardigen. Doorslaggevend is hierbij het gevaarscriterium. De rechtbank oordeelde dat aan dit criterium was voldaan. [7]
met betrekking tot grondslag c: dat de interne rechtspositie van eiser werd bepaald door diens verblijfstitel; niet door diens verblijfplaats. Hoewel voor eiser tot op zekere hoogte onduidelijk moet zijn geweest bij welke instantie hij klachten kon indienen [8] , was de rechtbank van oordeel dat er in materieel opzicht geen noemenswaardig verschil in rechtspositie heeft bestaan waarvan eiser nadeel heeft ondervonden. [9]
met betrekking tot grondslag d: dat niet is komen vaststaan dat de door eiser gestelde competentiegeschillen (‘grensconflicten’) tussen Bouman GGZ en FPC Veldhuis in de weg hebben gestaan aan een adequate behandeling van eiser of een te lang verblijf van eiser in een locatie van FPC Veldhuis tot gevolg hebben gehad [10] .
3.Bespreking van het cassatiemiddel
gedurende bijna vijf maandenniet in een BOPZ instelling kon worden geplaatst, is echter onvoldoende gemotiveerd. De Staat heeft bij dupliek (m.n. onder 3.2.4) wel een opsomming gegeven van zijn inspanningen om [eiser] in een wel als BOPZ aangewezen vervolginstelling te plaatsen en in dat kader een overzicht overgelegd (productie 6), maar volgens dat overzicht zijn die inspanningen eind 2007 of in 2008 verricht, terwijl het er om gaat welke inspanningen zijn verricht vóór en gedurende de opname van [eiser] in Grittenveld (van 26 juli tot 21 december 2007). Verder is gebleken dat [eiser] vrijwel onmiddellijk naar de kliniek te Balkbrug kon worden overgeplaatst toen zijn advocaat er op wees dat Grittenveld geen BOPZ-instelling was en om overplaatsing vroeg. In haar brief van 21 december 2007 heeft Veldzicht ook
nietgeschreven dat deze overplaatsing eerder niet mogelijk was, maar slechts dat zij een en ander niet kon terugdraaien. Het hof verwerpt daarom de stelling van Bouman en de Staat dat het gedurende een periode van bijna vijf maanden onmogelijk is geweest om [eiser] in een BOPZ instelling op te nemen. De plaatsing van [eiser] in Grittenveld was onrechtmatig voor in ieder geval een deel van genoemde periode van bijna vijf maanden. In het midden kan blijven welk deel dat was omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door de plaatsing in Grittenveld schade heeft geleden, zoals hierna wordt toegelicht.
zonder meeronrechtmatig was, omdat ‘Grittenveld’ niet is aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’. De rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz kon daar niet ten uitvoer worden gelegd. Voor zover het hof van oordeel is dat de overplaatsing van eiser naar ‘Grittenveld’ onder de gegeven omstandigheden niettemin gerechtvaardigd was, geeft dit oordeel volgens de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting over art. 55 Wet Pro Bopz.
lawful” is en “
in accordance with a procedure prescribed by law”. Aan die vereisten werd volgens het middelonderdeel niet voldaan.
in ieder geval voor een deel van deze periode van vijf maandenonrechtmatig was jegens eiser. Het hof kwam niet toe aan een precisering van dit onrechtmatigheidsoordeel omdat volgens het hof geen sprake is van schade als gevolg van de gestelde onrechtmatige daad.
onderdeel 1.4gericht en zijn indirect ook de hierna te bespreken onderdelen 2 en 3 gericht. De
klacht onder avan onderdeel 1.4 houdt in dat het hof heeft miskend dat het bij de vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad niet alleen gaat om schade doordat de juiste medische behandeling is uitgebleven of doordat werd afgeweken van de behandeling die eiser in een Bopz-aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis zou hebben gekregen, zoals het hof in rov. 3.6 vermeldt. Volgens eiser gaat het (ook) om schadeloosstelling voor de periode waarin zonder rechtsgrond fundamentele rechten en vrijheden van betrokkene zijn beperkt of hem zelfs geheel zijn ontnomen.
klacht onder bhoudt in dat het hof het onrechtmatigheidsoordeel ten onrechte heeft beperkt tot de periode waarin eiser in ‘Grittenveld’ verbleef. Voor de gehele periode (zowel die in ‘Grittenveld’ als die in Balkbrug) waarin de overplaatsing naar FPC Veldzicht onrechtmatig is geweest, kan volgens eiser worden aangesloten bij de schadevergoedingen die plegen te worden toegekend aan TBS-passanten of aan personen die ten onrechte vrijheidsbeneming hebben moeten ondergaan. Het oordeel aan het slot van rov. 3.6 dat eisers situatie hiermee niet te vergelijken valt, is volgens de klacht rechtens onjuist. De
klacht onder choudt in dat het hof, beschouwd in het licht van art. 5 lid 5 EVRM Pro, te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van eiser ten aanzien van de door hem geleden (immateriële) schade [17] . Ter toelichting wordt betoogd dat eiser ten minste nadeel heeft geleden door onzekerheid, spanningen en frustraties; deze immateriële schade had het hof kunnen vaststellen door zelf de schade op de voet van art. 6:97 BW Pro te begroten, op een wijze die het meest in overeenstemming is met de aard van de schade.
In the Court's view, para. 5 of Art. 5 is Pro complied with where it is possible to apply for compensation in respect of a deprivation of liberty effected in conditions contrary to paras. 1, 2, 3 or 4. It does not prohibit the Contracting States from making the award of compensation dependent upon the ability of the person concerned to show damage resulting from the breach.” [18]
HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519 (Blauw oog) moet ook aldus worden verstaan.
onderdeel 2.1klaagt eiser dat het hof miskent dat het niet zozeer (en zeker niet uitsluitend) gaat om een vergelijking van de beperkingen die hem zijn opgelegd tijdens zijn verblijf in ‘Grittenveld’ en in de kliniek te Balkbrug, maar om het feit dat hij – opgenomen op grond van een Bopz–titel – zich niet bij een klachtencommissie heeft kunnen beklagen over de duur van zijn verblijf in ‘Grittenveld’ en over het uitblijven van de voorgenomen overplaatsing naar een psychiatrisch ziekenhuis van GGZ Drenthe te Beilen. Ter toelichting op deze klacht verwijst eiser naar de beslissing van de beroepscommissie van de RSJ van 30 januari 2009 [22] en naar de annotatie van P.A.M. Mevis en M.F.J. van der Wolff onder het eindvonnis in eerste aanleg (JVggz 2014/47). Volgens het middelonderdeel is beslissend dat FPC Veldzicht niet heeft voldaan aan de eisen die art. 41 Wet Pro Bopz stelde met betrekking tot de inrichting van een klachtenprocedure. Daardoor is hem een bij wet voorzien effectief rechtsmiddel onthouden; in zoverre is volgens het middelonderdeel wel degelijk sprake van een schending van art. 5 lid 4 en Pro art. 13 EVRM Pro.
klacht onder ahoudt in dat het hof in rov. 3.10 en 3.11 voorbij gaat aan de essentiële stelling dat eiser als gevolg van de voortdurende onzekerheid door het uitblijven van doorplaatsing naar een juiste zorginstelling (zoals GGZ Drenthe te Beilen) onnodig geleden heeft.
klacht onder bfaalt. Het uitblijven van de doorplaatsing naar een psychiatrisch ziekenhuis zoals dat van GGZ Drenthe te Beilen kan niet worden toegerekend aan Bouman GGZ of aan de Staat (FPC Veldzicht), nu het uitblijven daarvan geen verband houdt met een conflict tussen Bouman GGZ en FPC Veldzicht. Eiser heeft de stelling van de Staat dat het uitblijven van deze doorplaatsing te maken had met bezwaren van de GGZ Drenthe daartegen, welke bezwaren verband hielden met de gedragsproblematiek van eiser (zie de laatste zin van rov. 3.10), niet betwist.
klacht onder cis gericht tegen de verwerping in rov. 3.11 van de stelling dat Bouman GGZ en de Staat (FPC Veldzicht) de behandeling van eiser te lang hebben laten voortduren. Volgens de klacht geef het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middelonderdeel vervolgt:
'onnodig geleden'heeft (c.q. bij hem spanningen en frustraties zijn ontstaan), is immers niet relevant dat medisch gezien opname en begeleiding medio 2008 tot eind januari 2009 noodzakelijk bleek, en eerdere plaatsing naar een vervolginstelling in 2008 niet mogelijk was, maar dat deze verdere psychiatrische behandeling in Veldzicht niet juist/toereikend was nu deze plaatsvond ingevolge de Bvt in plaats van de Wet Bopz.”