Conclusie
1.Feiten en procesverloop
traineecasinodealer, laatstelijk als casinodealer. In 2012 heeft de werknemer getekend voor ontvangst van een personeelshandboek. In dat handboek is onder meer vermeld dat overtreding van het anti-drugs- en alcoholbeleid van de werkgeefster kan leiden tot ontslag. Met enige regelmaat neemt Hyatt bij wijze van steekproef bij haar personeelsleden urinemonsters af ter controle op het gebruik van drugs. Ook controleert Hyatt met enige regelmaat de adem van haar personeelsleden op het gebruik van alcohol.
Letter Agreement Setting Out Conditions of Continuing Employment”. Deze brief is aangehaald in de bestreden beschikking onder 2.2.3 en vermeldt dat de werknemer in een periode van twaalf maanden ten minste zes keer zal worden onderworpen aan
random drug and/or alcohol testsen dat de werknemer daarmee akkoord gaat door ondertekening van deze brief. In de brief is tevens een waarschuwing opgenomen ten aanzien van overtreding van het anti-drugs- en alcoholbeleid van Hyatt.
night-shift manager. Deze is met hem naar de
human relations managergegaan. Die heeft de werknemer verzocht mee te werken aan een onderzoek naar de aanwezigheid van alcohol. De werknemer heeft dat geweigerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Letter Agreementvan 7 september 2015 (zie (ii) hiervoor) en in de aangehaalde passage uit het personeelshandboek (zie (i) hiervoor). Volgens de klacht leidt de bedongen verplichting tot het ondergaan van een drugs- of alcoholtest tot een inbreuk op het privéleven van de werknemer of op diens lichamelijke integriteit, zonder dat sprake is van een
bij of krachtens landsverordeninggestelde beperking als bedoeld in art. I.3 en art. I.16 lid 1 van de Staatsregeling van Aruba.
enwaarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden [1] . Volgens de werkgeefster is aan dit laatste vereiste niet voldaan en is het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk.
omdatde daarin besloten liggende beperking van het privéleven van de werknemer, onderscheidenlijk de inbreuk op diens lichamelijke integriteit, in strijd met art. I.3 en art. I.16 lid 1 Staatsregeling van Aruba, niet
bij of krachtens landsverordeningis gesteld. Daarmee is aan het minimumvereiste voor een cassatiemiddel voldaan. Het aangesneden probleem is inhoudelijk van aard. Het Hof heeft in rov. 2.7 overwogen dat de bevoegdheid van partijen om deze afspraken te maken haar wettelijke basis vindt in Boek 6, titel 5, van het Burgerlijk Wetboek in Aruba. Dat wetboek is vastgesteld bij landsverordening [2] . Daarmee is, in de redenering van het Hof, voldaan aan het voorschrift in de Staatsregeling dat de beperking dient te worden gesteld ‘bij of krachtens landsverordening’. De werknemer geeft in het cassatieverzoekschrift niet aan waarom dat oordeel van het Hof rechtens onjuist zou zijn. Het cassatieverzoekschrift beperkt zich tot eenvoudige verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken. Daar zou de werknemer hebben uiteengezet dat contractuele beperkingen zoals hier door de werkgeefster ingeroepen en door het Hof aanvaard, niet voldoen aan de eisen die de Staatsregeling stelt [3] .
Letter Agreementen uit het personeelshandboek heeft aanvaard en dat daaruit voor de werknemer met voldoende scherpte viel af te leiden in hoeverre zijn uit art. I.3 en I.16 lid 1 Staatsregeling van Aruba voortvloeiende rechten contractueel zijn beperkt (zie rov. 2.8). Het cassatiemiddel heeft, zoals gezegd, uitsluitend betrekking op de verenigbaarheid van deze bedingen met art. I.3 respectievelijk art. I.16 lid 1 van de Staatsregeling.
International Labour Organization(ILO) van 1996 [9] . Het aan de Hoge Raad voorgelegde geval betrof een ander personeelslid van dezelfde hotelketen; zij was ontslagen nadat een drugstest positief was uitgevallen en zij had geweigerd het haar aangeboden rehabilitatieprogramma te volgen. Onderdeel 2 van het toen voorgestelde cassatiemiddel betrof de stelling dat het antidrugsbeleid van Hyatt een ontoelaatbare inbreuk maakte op haar persoonlijke levenssfeer, omdat drugsgebruik in vrije tijd dat tot een positief resultaat van een in werktijd afgenomen drugstest leidt, ook zonder dat aangetoond is dat dit gebruik daadwerkelijk een negatieve invloed had op werk of veiligheid, volgens dit beleid verboden is (rov. 3.4.1 HR). De Hoge Raad overwoog, voor zover hier van belang:
überhaupttoelaatbaar zijn [10] . In de Verenigde Staten lijkt het draagvlak voor alcohol- en drugstests in opdracht van de werkgever groter te zijn dan in Europa, waar iets meer belang wordt gehecht aan privacybescherming en waar de meningen verdeeld zijn [11] .
uitdrukkelijkeinstemming vereist? Zo ja, is dan voldoende dat de werknemer hiervoor zijn handtekening heeft gezet, of moeten ook eisen worden gesteld aan de wijze waarop de toestemming tot stand is gekomen (
informed consent)? Maakt verschil of het gaat om een steekproef bij willekeurig aangewezen personeelsleden of om een gericht onderzoek nadat verdenking tegen de betrokken werknemer is gerezen van alcohol- of drugsgebruik? In de vakliteratuur wordt ook gewezen op de verantwoordelijkheid van de werkgever voor een veilige werkplaats en behoorlijke arbeidsomstandigheden, ook ten opzichte van de andere personeelsleden. Naast argumenten die ontleend zijn aan de in sociaal-economisch opzicht ongelijke verhouding tussen een werknemer en de werkgever (is de toestemming slechts onder druk van de omstandigheden gegeven?), worden in de vakliteratuur bezwaren van publiekrechtelijke aard aangevoerd. Tegenstanders van zulke tests betogen, samengevat, dat deze in strijd zijn met het in art. 8 EVRM Pro beschermde recht van de werknemer op privéleven en/of, naar Nederlands recht, in strijd zijn met art. 10 of Pro art. 11 Grondwet Pro of met andere wetten. In dit verband is vooral de regelgeving betreffende persoonsgegevens van belang gebleken.
algemenebelangen, niet op de eigen belangen van de werkgever [15] . Art. 88 AVG Pro vermeldt dat de lidstaten bij wet of bij collectieve overeenkomst regels kunnen vaststellen ter bescherming van de rechten en vrijheden met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens van werknemers in het kader van de arbeidsverhouding, onder meer ten aanzien van ‘gezondheid en veiligheid op het werk’. Specifieke wettelijke bepalingen over zulke tests bestaan in Nederland voor bepaalde beroepen in de transportsector [16] .
wet in formele zin(in Aruba betekent dit: bij of krachtens een landsverordening) nodig is. Behalve uit `
statutory law'kan de juridische grondslag voor de inbreuk ook kenbaar voor de rechtzoekenden zijn door bestendige en gepubliceerde `
case law'. Wel stelt het EHRM kwaliteitseisen aan de toegankelijkheid, de precisie en de consistentie van de nationale rechtsregel: "
it refers to the quality of the law in question, requiring that it should be accessible to the person concerned, who must moreover be able to foresee its consequences for him, and that it is compatible with the rule of law" [20] .
Regulations’) haar personeel aan boord van vaartuigen verplichtte om zich te onderwerpen aan een alcoholtest. Het voert te ver, de gehele casus hier te bespreken. In het kort was het EHRM van oordeel dat de regeling voldeed aan het vereiste “
in accordance with the law”. De kernoverweging luidt:
The Regulations of 1999 were issued on the basis of labor law principles, being the employer’s managerial right and the right to carry out control measures. The regulations stated clearly when and under which conditions DFDS [de betrokken scheepvaartmaatschappij] could order the employees to submit to urine test for alcohol, drugs and other intoxicants. Thus the regulations must be deemed accessible and the contents predictable.”
bij of krachtens een landsverordeningzijn geregeld
.Daarmee zou de Staatsregeling een bescherming bieden die verder gaat dan art. 8 EVRM Pro, welke verdragsbepaling de eis van een regeling
bij of krachtens landsverordeningniet stelt. In eisers woorden [23] komen zijn stellingen in de procedure hierop neer:
tegenover de werkgeefsterkan beroepen op de in art. I.3 en art. I.16 lid 1 van de Staatsregeling neergelegde grondrechten. In de vakliteratuur wordt dit wel aangeduid als de ‘horizontale’ werking van (constitutionele) grondrechten. Ten tijde van de Nederlandse grondwetherziening van 1983 stelde de toenmalige regering zich op het standpunt dat (constitutionele) grondrechten op uiteenlopende wijzen kunnen doorwerken in horizontale verhoudingen [26] . De regering onderscheidde daarbij verschillende gradaties, in de vakliteratuur ook wel aangeduid als de ‘glijdende schaal’ van Boesjes [27] . De regering merkte op dat de vraag naar een ‘horizontale’ werking niet voor elk grondrechtsartikel gelijkluidend behoeft te worden beantwoord: de antwoorden kunnen verschillen per artikel, per artikelonderdeel of per categorie van gevallen waarop het artikel betrekking heeft. Het is aan de rechter overgelaten, te beoordelen in welke mate en op welke wijze de verschillende grondrechten doorwerken in (privaatrechtelijke) rechtsverhoudingen tussen burgers onderling [28] .
directe werkingwordt het grondrecht
inclusief de beperkingsclausulerechtstreeks toegepast in privaatrechtelijke verhoudingen. Overheid en medeburgers zouden dan in gelijke mate zijn gebonden aan het grondrecht. Bij
indirecte werkinghoudt de rechter bij de toepassing van open geformuleerde normen in het privaatrecht (zoals: de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, de goede trouw, de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, goed werkgeverschap, de ‘dringende reden’ in het ontslagrecht) rekening met het in een grondrecht belichaamde belang of met de daaraan ten grondslag liggende waarden. Het grondrecht beïnvloedt dan de interpretatie van de privaatrechtelijke norm [31] .
indirectwerking te worden toegekend aan (constitutionele) grondrechten, waaronder het recht op onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer [35] .
bij of krachtens landsverordening. Deze regel houdt verband met het legaliteitsbeginsel waaraan organen van de overheid gebonden zijn [44] .
indirectewerking van de in de Staatsregeling opgenomen grondrechten bedoeld is, volgt ook uit de Memorie van Toelichting op de Staatsregeling [45] :
directewerking tussen deze werkgever en de werknemer van de in art. I.3 en I.16 lid 1 van de Staatregeling opgenomen grondrechten. In privaatrechtelijke verhoudingen, zoals de onderhavige arbeidsverhouding, behoeven de door het Hof vastgestelde beperkingen van de uitoefening van deze grondrechten door een werknemer daarom niet hun grondslag te vinden in een
specifiekebepaling bij of krachtens een landsverordening. De doorwerking van (constitutionele) grondrechten in particuliere verhoudingen vindt, ook in Aruba,
indirectplaats, via het privaatrecht dat deze rechtsverhouding beheerst. Voldoende is dat deze beperkingen gegrond kunnen worden op normen die in art. 6:162 BW Pro besloten liggen of – zoals het Hof in deze zaak heeft geoordeeld – voortvloeien uit een overeenkomst tussen deze private partijen onderling (waarvan de inhoud mede wordt vastgesteld met behulp van hetgeen naar de aard van de overeenkomst uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit). Deze indirecte doorwerking vindt steun in de rechtspraak [50] en in de vakliteratuur. [51]